Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/6.2.2.1
6.2.2.1 Het vereiste van voldoende belang en algemeen belangacties
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233762:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. Schutgens 2012, p. 209.
Zie bijv. Schlössels, Schutgens en Zijlstra 2019, p. 142-143.
HR 9 november 1973, ECLI:NL:HR:1973:AC1078, NJ 1974/91, m.nt. Prins.
HR 17 juni 1986, ECLI:NL:HR:1986:AO8410, AB 1987/173, m.nt. Van der Burg, NJ 1987/743, m.nt. Heemskerk, AA 1986, p. 638-641, m.nt. Nieuwenhuis.
Zie r.o. 3.2.
HR 18 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1267, AB 1994/415, m.nt. Van der Veen, NJ 1995/718, m.nt. Scheltema.
Zie r.o. 3.2.
Zie ook Schlössels, Schutgens en Zijlstra 2019, p. 142.
Kamerstukken II 1991/92, 22 486, nr. 3, p. 21-22 (MvT).
Idem.
De voorwaarde dat eiser voldoende belang moet hebben bij zijn vordering is in het burgerlijk procesrecht neergelegd in artikel 3:303 BW:
‘Zonder voldoende belang komt niemand een rechtsvordering toe.’
In de regel zal een voldoende belang aanwezig zijn indien een burger opkomt voor zijn eigen, individuele belangen. Daarbij kan het onder meer gaan om het genot of het behoud van een grondrecht of vermogensrecht.1
Meer discussie bestaat over de mogelijkheid om de burgerlijke rechter te benaderen voor de bescherming van collectieve of algemene belangen.2 Aanvankelijk leek dit niet mogelijk, althans niet over de boeg van de onrechtmatige daad. Steun hiervoor biedt het arrest Limmen/Houtkoop.3 Daarin kwam de gemeente Limmen op tegen het gebruik van een bloembollenberging in strijd met het bestemmingsplan. Deze berging mocht op grond van dat plan uitsluitend voor agrarische doeleinden worden gebruikt. Houtkoop was echter voornemens de berging mede voor woondoeleinden te gebruiken. Toen hij van de gemeente afgifte van een woonvergunning vorderde, stelde de gemeente op haar beurt een onrechtmatige daadsactie in om te voorkomen dat Houtkoop de berging als woning zou gaan gebruiken.
De gemeente had hiermee geen succes. De Hoge Raad overwoog dat de burgerlijke rechter weliswaar bevoegd was, nu de gemeente een beroep had gedaan op het leerstuk van de onrechtmatige daad. Naleving van publiekrechtelijke voorschriften was echter geen belang dat de onrechtmatige daad beoogt te beschermen. De Hoge Raad overwoog:
‘dat […] het algemene belang dat voor elk overheidslichaam is betrokken bij de naleving van de door dat lichaam uitgevaardigde wettelijke voorschriften op zichzelf niet behoort tot de belangen welke artikel 1401 [thans: artikel 6:162] BW beoogt te beschermen.’
In latere rechtspraak heeft de Hoge Raad deze benadering verlaten. De opmaat daarvoor vormt het De Nieuwe Meer-arrest.4 Daarin kwamen milieuorganisaties op tegen het storten van bagger uit de Amsterdamse grachten zonder vergunning. De Hoge Raad achtte de milieuorganisaties in dit geval ontvankelijk. Daarbij stelde hij voorop dat de belangen waarvoor de organisaties opkwamen zich leenden voor een bundeling en dat een efficiënte rechtsbescherming daarmee was gediend. De Hoge Raad overwoog vervolgens:
‘Daarbij verdient nog […] opmerking dat – anders dan het hof kennelijk heeft aangenomen – de hier gebundelde belangen behoren tot de soort die valt onder de bescherming die artikel 1401 [thans: artikel 6:162] BW bedoelt te bieden.’5
Met deze overweging bevestigde de Hoge Raad dat algemene, meer ideële belangen via een onrechtmatige daadsactie wel degelijk binnen het domein van de rechter kunnen vallen.
In latere rechtspraak heeft de Hoge Raad verduidelijkt dat het vereiste van voldoende belang uit 3:303 BW evenmin in de weg staat aan het in rechte opkomen voor algemene of collectieve belangen. De Hoge Raad deed dat in het arrest Staat/Kabayel.6 Daarin moest de Hoge Raad zich uitlaten over een gezin dat om humanitaire redenen in Nederland was toegelaten. Op grond van de destijds geldende wetgeving eindigde het recht op opvang in een asielzoekerscentrum drie maanden na verlening van een verblijfsvergunning. Het gezin was een woning aangeboden. Nadat het gezin deze woning had geweigerd, startte de Staat een onrechtmatige daadsactie met als doel het gezin te dwingen het asielzoekerscentrum te verlaten.
De Hoge Raad achtte deze actie mogelijk. Daarbij stelde hij voorop dat de Staat had aangevoerd dat het gezin onrechtmatig handelde door zonder geldige titel langer in het asielzoekerscentrum te verblijven. Daarmee was de bevoegdheid van de rechter gegeven. De Hoge Raad voegde hieraan toe:
‘Noch voor deze bevoegdheid, noch voor de ontvankelijkheid van de op artikel 6:162 BW gegronde vordering, strekkende tot het verkrijgen van een bevel, is vereist dat de Staat aan die vordering een ‘civielrechtelijk belang’ ten grondslag legt. Nodig is slechts dat voldaan is aan de eis van een voldoende belang, zoals deze eis tot uiting is gebracht in artikel 3:303 BW. Een voldoende belang is gegeven met het in de onderhavige vordering naar zijn aard besloten liggende belang van de Staat bij het wederom ter beschikking komen van de door [gedaagden] in het asielzoekerscentrum gebruikte ruimten, waarop zij […] geen aanspraak […] meer hebben en die anders niet ter beschikking zouden kunnen worden gesteld van andere asielzoekers […].’7
Met deze overweging bevestigde de Hoge Raad dat algemene belangen ook een voldoende belang in de zin van artikel 3:303 BW kunnen opleveren.8
De hiervoor besproken rechtspraak is korte tijd later neergelegd in artikel 3:305a BW. Het eerste lid van deze bepaling luidt:
‘Een stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid kan een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, voorzover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt.’
In de andere leden zijn aanvullende, meer formele voorwaarden gesteld om een algemeen belangactie te kunnen instellen, waaronder de voorwaarde dat een belangenorganisatie eerst voldoende overleg moet hebben gevoerd.
Artikel 3:305a BW maakt het voor belangenorganisaties aldus mogelijk om in rechte voor algemene belangen op te komen. Daarmee heeft de wetgever de benadering van de Hoge Raad in De Nieuwe Meer en Staat/Kabayel uitdrukkelijk onderschreven en de drempel voor algemeen belangacties bewust heel laag gelegd.9 De wetgever benadrukte hierbij dat op grond van deze bepaling ook voor meer ideëel getinte belangen kan worden opgekomen die een particuliere organisatie zich vanuit een bepaalde overtuiging heeft aangetrokken. Daarbij is niet relevant of ieder lid van de samenleving dezelfde betekenis aan deze belangen hecht. Evenmin hoeft het te gaan om belangen van een vooraf duidelijk te omlijnen groep. Volgens de wetgever kan het ook gaan om een onbepaalde, grote groep personen. Dat deze personen individueel een rechtsvordering moeten kunnen instellen, geldt niet als vereiste.10