Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/3.3.4.3
3.3.4.3 Bekleders van een geestelijk ambt?
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285212:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook: Hoofdstuk 2, par. 4.3.1.
Ingeval zij bij de uitoefening van hun ambt – door tussenkomst van een reeds onderworpen subject – de beschikking krijgen over fiscale informatie. Dit zal in de praktijk waarschijnlijk nauwelijks voorkomen, maar valt niet op voorhand uit te sluiten. Dit staat los van het eventuele ‘biechtgeheim’ dat eveneens van toepassing kan zijn.
Art. 51, tweede lid, Ontwerp van wet, Kamerstukken II 1950/51, 4080, nr. 2 (bij invoering vernummerd naar art. 53, tweede lid, AWR en in 1994 overgeheveld naar art. 53a AWR). In de MvT bij art. 6 Wet VFN gaat het over geestelijken en andere zielzorgers (MvT, Kamerstukken II 1950/51, 1957, nr. 3, blz. 4).
Wet van 17 april 1997 tot wijziging van bepalingen van verschillende wetten in verband met de erkenning van de vrijheid van levensovertuiging als grondrecht, Kamerstukken II 1995/96, 24 614, Stb. 1997, 192. Abusievelijk werd art. 53, tweede lid, AWR gewijzigd in plaats van het eerste lid. Dit werd hersteld bij de Wet van 28 januari 1999 tot herstel van wetstechnische gebreken en leemten in diverse wetten alsmede intrekking van enkele wetten die geen betekenis meer hebben (Reparatiewet I), Kamerstukken II 1997/98, 25 836, Stb. 1999, 30.
Vide: MvT, Kamerstukken II 1995/96, 24 614, nr. 3, blz. 1-3.
Zelfs als een persoon als ambtenaar is aangeduid kan onduidelijkheid bestaan of hij daarmee zou kunnen worden aangemerkt als een onderworpen subject van de derde categorie. Ambtenaren van kerkgenootschappen werden in de Wet IB 1914 door middel van een wetsfictie onder de geheimhoudingsbepaling gebracht.1 Onder de Wet IB 1964 werden zij evenmin gezien als ambtenaar (in de zin van art. 67 AWR) en werd in de Wet IB 1964 om die reden een afzonderlijke geheimhoudingsbepaling opgenomen. Door de wijziging van het verschoningsrecht van art. 53a AWR in 1997 kan de vraag rijzen of bekleders van een geestelijk ambt thans wel kunnen worden geschaard onder de derde categorie van onderworpen subjecten.2 Bij de invoering van de AWR werd het verschoningsrecht voor ‘bedienaren van de godsdienst’ integraal overgenomen uit de Wet VFN.3 In 1997 werd deze term vervangen door ‘bekleders van een geestelijk ambt’.4 Aanleiding hiervoor was de grondwetsherziening van 1983 waar, naast de vrijheid van godsdienst, ook expliciet de vrijheid van levensovertuiging als een grondrecht werd erkend.5 In de memorie van toelichting is expliciet stilgestaan bij de terminologie en de context van de wet waarin de wijzigingen werden aangebracht. Hierbij werd een louter technische aanpassing beoogd. Hoewel bedoeld als verduidelijking van art. 53a AWR zijn ‘bedienaren van de godsdienst’ – in de context van de AWR – getransformeerd naar ‘bekleders van een geestelijk ambt’ waardoor dit mogelijk ook onbedoelde gevolgen heeft gehad voor art. 67 AWR.