Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020
Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/7.12:7.12 De invulling van passende arbeid en de sollicitatieplicht
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/7.12
7.12 De invulling van passende arbeid en de sollicitatieplicht
Documentgegevens:
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258997:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De Werkloosheidswet geldend sinds 1 juli 2015.
Besluit sollicitatieplicht werknemers WW en IOW 2012, Stcrt. 2012, 6355.
De Wolff, Arbeidsrecht 2016/30.
Damsteegt, De Werkloosheidswet 2017, p. 204; Besluit passende arbeid WW en ZW, Stb. 2014, 525.
De Wolff, ArbeidsRecht 2016/30.
Damsteegt, De Werkloosheidswet 2017, p. 208; Besluit passende arbeid WW en ZW, Stb. 2014, 525.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Artikel 24 lid 1 onder b WW1 is niet veranderd sinds de invoering in 1987. Het bepaalt dat de werknemer moet voorkomen dat hij werkloos is of blijft, doordat hij 1) in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen, 2) nalaat aangeboden passende arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt, 3) door eigen toedoen geen passende arbeid behoudt; of 4) in verband met door hem te verrichten arbeid eisen stelt die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren.
De werknemer moet voorkomen dat hij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen tijdens werkloosheid (sub 1). Dit betekent dat er een sollicitatieplicht rust op de werknemer, maar ook andere inspanningen op de arbeidsmarkt worden verwacht, zoals het volgen van workshops. In beginsel moet iedere werkzoekende ten minste elke vier weken vier keer solliciteren, omdat het UWV het van belang vindt dat men doorlopend actief zoekt naar werk. Het UWV kan van deze norm van vier sollicitaties per vier weken afwijken, als daar goede redenen voor zijn.2
De werknemer is volgens sub 2 verplicht om een aanbod van ander passend werk of hetzelfde werk in een wezenlijk andere omvang niet af te slaan met als sanctie een blijvende korting met het bedrag van de gemiste inkomsten op de WW-uitkering. Er bestaat dan geen matigingsmogelijkheid bij verminderde verwijtbaarheid.3
Het door eigen toedoen geen passende arbeid behouden (sub 3) ziet op de situatie dat de eigen arbeid kon worden behouden door een nieuwe arbeidsovereenkomst (met een andere werkgever), maar dit aanbod is afgeslagen.4 Het gaat daarbij om een concreet aanbod van vergelijkbaar werk in vergelijkbare omvang bij de eigen of een andere werkgever dat expliciet is afgewezen of niet binnen een gestelde termijn is aanvaard. De sanctie is een blijvende korting op de WW-uitkering van het bedrag aan gemiste inkomsten. Bij verminderde verwijtbaarheid wordt gedurende 26 weken de helft van dat bedrag gekort (art. 27 lid 1 en 11 WW).5
De vierde grond ziet op het stellen van (onredelijke) eisen die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren. Als er goede gronden zijn voor de eisen dan is deze grond niet van toepassing. Hier kan aan voorbeelden worden gedacht als dat de werknemer alleen op ongebruikelijke arbeidstijden wil werken of een strikte voorkeur heeft voor een ongebruikelijke arbeidsduur. Het gaat ook om het stellen van eisen aan een baan die voorheen niet werden gesteld, zoals aanzienlijk minder uren werken, of die niet gebruikelijk zijn in de branche, zoals niet in de avonduren werken in de horeca.6