Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/6.3.3.2
6.3.3.2 Deel I van de Overeenkomst van 29 april 2002: art. 24 van de Richtlijn
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS397194:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Deze opvatting is niet onbestreden en ook de schadevergoedingsorganen delen haar, zoals hierna zal blijken, niet.
Merkwaardig genoeg bevat art. 25 geen soortgelijke bepaling voor de inwerkingtreding van de bepalingen van dat artikel. Een dergelijke overeenkomst - die overigens wel besloten ligt in de overeenkomst van 29 april 2002 - ligt wel voor de hand, nu art. 25 een andere situatie regelt en bovendien ook de waarborgfondsen verplichtingen oplegt. Zie voor de overeenkomst in het kader van art. 25 van de Richtlijn hierna par. 6333.
Terzijde zij gewezen op de merkwaardige en onjuiste formulering dat het schadevergoedingsorgaan wordt gesubrogeerd in de rechten van degene die het ongeval heeft veroorzaakt. Dit is duidelijk een vertaalfout van de Nederlandse versie; de Franse, Duitse en Engelse tekst zeggen het juist: gesubrogeerd in de rechten van de benadeelde tegen de aansprakelijke en diens verzekeraar.
Zie voor de juridische positie van het schadevergoedingsorgaan tegenover de benadeelde par. 4.8.5. Men bedenke ook dat art. 24 van de Richtlijn bepaalt dat het schadevergoedingsorgaan dat de schade met de benadeelde heeft geregeld, een verhaalsrecht heeft op het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van vestiging van de verzekeraar. Zou het schadevergoedingsorgaan als vertegenwoordiger van het 'betalende' schadevergoedingsorgaan optreden, dan zou het regresrecht al uit deze vertegenwoordigingsrelatie voortvloeien en is art. 24 lid 2, eerste alinea overbodig.
Zie voor de vergelijkbare clausule in de Internat Regulations par. 6.2.4.1. In die clausule is uitdrukkelijk bepaald dat het Bureau ook bevoegd is toepasselijk vreemd intern recht toe te passen.
Verordening (EG) Nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels MEG 2004, L 200/1. Deze Verordening is de opvolger van Verordening (EEG) 1408/71.
a) Het Richtlijnkader
In het regime van de Richtlijn kan de benadeelde van een ongeval dat hem is overkomen in een andere lidstaat - of onder omstandigheden in een ander bij het groenekaartstelsel aangesloten land - en waarvoor een motorrijtuig aansprakelijk is dat gewoonlijk is gestald en verzekerd in een andere lidstaat dan die van de woonplaats van benadeelde het schadevergoedingsorgaan van zijn lidstaat aanspreken als:
— de verzekeraar geen schaderegelaar in de lidstaat van woonplaats van benadeelde heeft aangesteld; dan wel
— de verzekeraar of diens schaderegelaar niet binnen drie maanden na het verzoek om schadevergoeding een onderbouwd regelingsaanbod doet, dan wel gemotiveerd uiteenzet waarom dat (nog) niet mogelijk is.
De toegang tot het schadevergoedingsorgaan is afgesneden als de benadeelde de verzekeraar in rechte heeft aangesproken; evenmin zal het schadevergoedingsorgaan in actie komen als de benadeelde zijn vordering rechtstreeks bij de verzekeraar heeft ingediend - en niet bij de schaderegelaar - en hij van deze binnen drie maanden een gemotiveerd antwoord heeft ontvangen.
Het schadevergoedingsorgaan beperkt zijn interventie er in eerste instantie toe de verzekeraar en het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van vestiging van de verzekeraar aan te schrijven, alsmede - indien bekend - degene die het ongeval veroorzaakte. Het staakt zijn bemoeienis als de verzekeraar binnen twee maanden alsnog een onderbouwd aanbod doet, dan wel met redenen omkleed uiteenzet waarom dat niet mogelijk is. Ik meen dat het schadevergoedingsorgaan, in een strikte lezing van de Richtlijn, zijn interventie ook zou moeten staken als de verzekeraar na afloop van deze termijn van twee maanden alsnog met een antwoord op de proppen komt.1 Zie voor de voorwaarden waaronder het schadevergoedingsorgaan in het kader van art. 24 van de Richtlijn heeft op te treden uitvoerig paragraaf 4.83 en voor zijn verplichtingen paragraaf 5.6.2.
De Richtlijn bepaalt in art. 24 lid 3 dat het in dat artikel bepaalde in werking treedt:
"a) nadat er een overeenkomst is gesloten tussen de door de lidstaten opgerichte of erkende schadevergoedingsorganen betreffende hun taken en verplichtingen en de wijze van terugbetaling;
b) met ingang van de datum die door de Commissie wordt vastgesteld nadat zij zich er in nauwe samenwerking met de lidstaten van heeft vergewist dat een dergelijke overeenkomst is gesloten."
De Overeenkomst van 29 april 2002 is de in art. 24 lid 3 bedoelde overeenkomst.2 Zij volgt in grote lijnen de Richtlijn, herhaalt de tekst van de Richtlijn zelfs, maar werkt een aantal aspecten vervolgens ook uit.
b) De fase van het in behandeling nemen en regelen van de schade
In Sectie II van Deel I van de Overeenkomst worden de wederzijdse rechten en verplichtingen van het regelende en het betalende schadevergoedingsorgaan in het kader van het in behandeling nemen en regelen van het schadegeval uitgewerkt.
In de eerste plaats bepaalt art. 3.1 dat niet alleen de in de Richtlijn genoemde partijen door het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van woonplaats van de benadeelde op de hoogte moeten worden gesteld van het feit dat het is benaderd door de benadeelde, maar ook het Bureau van het land van het ongeval. Denkbaar is dat de door de bezoekende benadeelde aansprakelijk gehouden automobilist zelf van oordeel is dat de bezoeker aansprakelijk is, op grond waarvan hij zich tot het Bureau van het land van het ongeval wendt. Ook bestaat de mogelijkheid dat de benadeelde zich niet slechts tot de schaderegelaar, de verzekeraar en het schadevergoedingsorgaan heeft gewend, maar ook tot het Bureau van het land van het ongeval. Zie voor dergelijke samenloop nader paragraaf 6.4.
De overeenkomst bepaalt voorts in art. 3.2, dat het schadevergoedingsorgaan zijn bemoeienis staakt als de verzekeraar of diens schaderegelaar binnen de periode van twee maanden alsnog met een gemotiveerde reactie komt. Het schadevergoedingsorgaan zal het eenmaal na de periode van twee maanden in behandeling genomen dossier dus niet overdragen aan de verzekeraar als deze alsnog reageert. In paragraaf 5.6.2.5 heb ik betoogd dat deze inperking van de mogelijkheid van de verzekeraar om zijn verzuim te zuiveren weliswaar zeer wenselijk is uit oogpunt van slachtofferbescherming, maar niet op de Richtlijn te baseren is.
Een door de Richtlijn niet geregelde vraag is die naar het recht dat van toepassing is op de vordering van de benadeelde op het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van zijn woonplaats. Ter illustratie diene het volgende voorbeeld:
Een Nederlander raakt gewond bij een ongeval in België waarvoor een gewoonlijk in Duitsland gestald en verzekerd motorrijtuig aansprakelijk is.
In paragraaf 5.6.2.2 is betoogd dat het recht van het land van het ongeval - in het geval van art. 24 van de Richtlijn - de omvang van de aanspraken van de benadeelde beheerst. Dat roept een aantal praktische, maar ook juridische vragen op. Dit uitgangspunt brengt immers mee dat het schadevergoedingsorgaan bij het behandelen van het schadegeval vreemd recht moet toepassen, in de meeste gevallen het recht van de lidstaat van vestiging van het schadevergoedingsorgaan dat in eerste instantie in regres zal worden aangesproken. Terwijl de benadeelde zich op het standpunt kan stellen dat hij een aanspraak heeft op het schadevergoedingsorgaan in de lidstaat van zijn woonplaats en dat een eventueel succesvolle verhaalsactie op een ander schadevergoedingsorgaan of een verzekeraar hem niet aangaat, heeft het regelende schadevergoedingsorgaan wel degelijk belang bij succesvol regres. De Richtlijn bepaalt hieromtrent niet meer dan dat het regelende schadevergoedingsorgaan zich kan verhalen op het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van vestiging van de verzekeringsonderneming en dat dit laatste schadevergoedingsorgaan wordt gesubrogeerd in de rechten van de benadeelde op de aansprakelijke en diens verzekeraar, een subrogatie die blijkens de derde alinea van art. 24 lid 2 door elke lidstaat dient te worden erkend.3
De overeenkomst tracht een regeling te treffen die het regelende schadevergoedingsorgaan zowel vrijheid van handelen geeft, als rekening houdt met de gerechtvaardigde belangen van het betalende schadevergoedingsorgaan en de dekking gevende verzekeraar dat niet meer of anders wordt uitgekeerd dan voortvloeit uit het toepasselijke recht.
De Overeenkomst erkent dat de benadeelde een aanspraak heeft op het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van zijn woonplaats. Dit orgaan kan door de benadeelde als zodanig worden aangesproken; het treedt in het regime van de Richtlijn niet op als vertegenwoordiger van het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van vestiging van de verzekeraar.4 In overeenstemming met deze eigen verplichting van het regelende schadevergoedingsorgaan bepaalt de Overeenkomst in art. 4.4 dat:
"the Compensation Body shall be the sole body responsible for compensating the injured party or his/ her legal beneficiaries."
Daarbij wordt wel bepaald dat het regelende schadevergoedingsorgaan verplicht is het betalende schadevergoedingsorgaan antwoord te geven op vragen, onder andere met het oog op het vast stellen van de noodzakelijke voorzieningen (de 'schadereserve'). Ook wordt uitdrukkelijk bepaald dat het regelende schadevergoedingsorgaan het recht zal toepassen dat van toepassing is in het land waar het ongeval zich heeft voorgedaan. Onduidelijk is of hier alleen wordt gedoeld op het interne recht van dat land, dan wel dat ook het IPR in aanmerking moet worden genomen. Ik zou voor dit laatste willen pleiten. De bedoeling is immers dat de benadeelde schadeloos wordt gesteld conform het toepasselijke recht. Dat kan onder omstandigheden ander recht zijn dan dat van het land van het ongeval.5
Zie bijv. art. 4 onderdeel a) van het Haags Verkeersongevallenverdrag: bij een eenzijdig ongeval is het recht van de lidstaat van registratie van toepassing op de op de aansprakelijkheid jegens (onder andere) de passagier, als het land van registratie en dat van de woonplaats van de passagier een andere is dan die van het ongeval. Ook Verordening Rome II kan tot toepasselijkheid van ander recht dan dat van het land van het ongeval leiden, namelijk als de aansprakelijke en de benadeelde beide hun gewone verblijfplaats hebben in hetzelfde land, niet zijnde het land van het ongeval. Zie art. 4 lid 2 Verordening Rome II.
De Overeenkomst erkent in art. 3.5 echter ook dat het regelende schadevergoedingsorgaan feitelijke informatie (onder andere omtrent de toedracht) nodig heeft, alsmede moet worden voorgelicht over de inhoud van het toepasselijke recht. Het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat waar het ongeval plaatsvond is gehouden het regelende schadevergoedingsorgaan op diens verzoek alle advies, hulp en inlichtingen te verschaffen die het nodig heeft om het toepasselijke recht juist toe te passen en alle gegevens over het ongeval toe te sturen waarover het beschikt. Deze verplichting rust ook dan op het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van het ongeval als dat een ander is dan het schadevergoedingsorgaan op wie het regelende schadevergoedingsorgaan verhaal kan nemen.
Als voorbeeld dient een ongeval in België, waarvoor een gewoonlijk in Duitsland gestald en verzekerd motorrijtuig aansprakelijk is en waarbij een inwoner van Nederland schade lijdt. Op het ongeval zal Belgisch aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht toepasselijk zijn. Als de Duitse verzekeraar dan wel zijn schaderegelaar in Nederland ofwel geen gemotiveerd antwoord geeft binnen drie maanden en evenmin binnen twee maanden reageert op de aankondiging dat het Nederlandse schadevergoedingsorgaan 'zal optreden' (dan wel als de Duitse verzekeraar in Nederland geen schaderegelaar heeft aangesteld) zal het Nederlandse schadevergoedingsorgaan het schadegeval regelen naar Belgisch recht. Het Duitse schadevergoedingsorgaan is echter tot restitutie verplicht. In deze situatie is het Belgische schadevergoedingsorgaan gehouden het Nederlandse schadevergoedingsorgaan van de noodzakelijke informatie omtrent het ongeval (bijvoorbeeld een proces-verbaal van politie) en omtrent de juiste toepassing van het Belgische recht te voorzien.
In paragraaf 4.8.2 is de vraag aan de orde gesteld of het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van woonplaats van de benadeelde, dat op grond van de in die lidstaat toepasselijke wetgeving ook uitkeringen heeft moeten doen aan regres-nemende particuliere of sociale verzekeraars (omdat die wetgeving het schadevergoedingsorgaan geen subsidiaire positie heeft gegeven), deze uitkeringen kan verhalen op het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van vestiging van de verzekeringsonderneming (als dat schadevergoedingsorgaan wel subsidiair is). In dit verband is van belang art. 85 van Verordening (EG) 883/2004:
"Rechten van de organen
1. Indien prestaties worden genoten krachtens de wetgeving van een lidstaat naar aanleiding van schade die voortvloeit uit een in een andere lidstaat voorgevallen gebeurtenis, worden de eventuele rechten die het orgaan dat de prestaties verschuldigd is, ten opzichte van een derde die verplicht is de schade te vergoeden als volgt geregeld:
a) indien het orgaan dat de prestaties verschuldigd is krachtens de door dit orgaan toegepaste wetgeving in de rechten treedt die de rechthebbende ten opzichte van die derde heeft, erkent elke lidstaat die subrogatie;
b) indien het orgaan dat de prestaties verschuldigd is, een onmiddellijk recht ten opzichte van de derde heeft, erkent elke lidstaat dat recht."6
Als het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van de woonplaats van de benadeelde optreedt op grond van art. 24 zal ook de verzekeraar onder de derden die verplicht zijn de schade te vergoeden, kunnen worden begrepen; het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van vestiging van de verzekeringsonderneming wordt, aldus de Richtlijn, in de rechten tegen de aansprakelijke en diens verzekeraar gesubrogeerd. Ik zou daarom menen dat een dergelijk regres kan worden uitgeoefend. Het alternatief zou zijn dat het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van woonplaats van de benadeelde zijn verhaal voor wat betreft dit deel van zijn uitkeringen rechtstreeks op de verzekeraar moet uitoefenen en dat lijkt wat omslachtig.
Daarbij valt er voorts op te wijzen dat de Richtlijn weliswaar in de considerans aanwijzingen geeft dat een dergelijk regres niet de bedoeling van de Europese wetgever is geweest, maar dat de tekst van art. 24 van de Richtlijn veel minder uitgesproken is en ruimte biedt voor een andere uitleg. Ook de tekst van de Overeenkomst van 29 april 2002 dwingt niet tot de conclusie dat partijen een dergelijk regres niet hebben willen toestaan.
Anders kan dit zijn als het schadevergoedingsorgaan optreedt onder art. 25 van de Richtlijn. Zie hierna paragraaf 6333 onder b).
De Overeenkomst voorziet niet in de situatie dat het ongeval in een derde, bij het groenekaartstelsel aangesloten land plaatsvindt. Ook in een dergelijk geval kan, als het aansprakelijke voertuig gewoonlijk gestald en verzekerd is in een andere lidstaat dan die van woonplaats van de benadeelde (en ook dekking heeft in dat derde land) een aanspraak op het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van woonplaats van benadeelde ontstaan, als de verzekeraar of zijn schaderegelaar niet binnen drie maanden gemotiveerd antwoordt of als de verzekeraar geen schaderegelaar heeft aangesteld. In dat geval zal het recht van dat derde land de aansprakelijkheid en de aanspraak op schadevergoeding beheersen. Het ligt voor de hand dat het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van woonplaats van benadeelde dan het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van vestiging van de verzekeraar om de noodzakelijke inlichtingen omtrent de inhoud van dat recht van het derde land vraagt.
c) Verhaal op het betalende schadevergoedingsorgaan: de te verhalen bedragen
De Overeenkomst regelt in sectie III van Deel I het verhaal van het regelende schadevergoedingsorgaan op het schadevergoedingsorgaan in de lidstaat van vestiging van de verzekeraar, als het is opgetreden op grond van een situatie als bedoeld in art. 24 van de Richtlijn.
Het gaat hier om het geval waarin het regelende schadevergoedingsorgaan is opgetreden omdat de verzekeraar ofwel geen schaderegelaar heeft aangesteld, dan wel deze of de verzekeraar niet binnen drie maanden gemotiveerd heeft gereageerd.
Op grond van art. 24 lid 2, tweede alinea van de Richtlijn dient de nationale wetgeving erin te voorzien dat het regelende schadevergoedingsorgaan een regresrecht heeft op het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van vestiging van de verzekeraar, welk orgaan op zijn beurt van rechtswege wordt gesubrogeerd in de rechten van de benadeelde tegen de aansprakelijke en diens aansprakelijkheidsverzekeraar. Strikt genomen heeft het verhaalrecht van het regelende schadevergoedingsorgaan op dat van de lidstaat van vestiging van de verzekeraar alleen betrekking op de bedragen waarop de benadeelde of diens rechtverkrijgenden zelf aanspraak kunnen maken en dus niet op eventueel door het regelende schadevergoedingsorgaan gemaakte externe kosten en op een eventueel schaderegelingshonorarium. Zie de woorden van art. 24 lid 2, tweede alinea van de Richtlijn, dat spreekt van verhaal van de uitbetaalde vergoeding. Recht op restitutie van de externe kosten die het regelende schadevergoedingsorgaan heeft moeten maken en van het schadevergoedingshonorarium moet dus op de overeenkomst tussen de schadevergoedingsorganen worden gebaseerd. Of deze kosten en dit honorarium vervolgens op de verzekeraar kunnen worden verhaald, moet worden bepaald op grond van het recht dat op de verhouding tussen het schadevergoedingsorgaan en de verzekeraar van toepassing is.
De Overeenkomst regelt hoofdzakelijk twee aspecten: de vraag op welke bedragen het regelende schaderegelingsorgaan aanspraak kan maken en de voorwaarden waaraan dat orgaan moet voldoen om deze aanspraak veilig te stellen.
Voor wat betreft de bedragen waarvan het regelende schadevergoedingsorgaan restitutie kan verlangen heeft de Overeenkomst inspiratie gezocht bij de Internal Regulations. Het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van vestiging van de dekking gevende verzekeraar heeft te restitueren:
"4.1.1 the amount paid in compensation to the injured party or his/her beneficiaries, specifying the amounts paid as material damage and as bodily injury;
4.1.2 the sums paid for external services — such as, for example, experts, lawyers' or doctors' fees inherent in the instruction and the in or out-of-court settlement of the claim
4.13 the handling fees covering all other expenses as defied by Clause 4.3 hereof.
4.3 The handling fees referred to under Clause 4.1.3 cover all costs regardless of the number of injured parties compensated following the same accident. They shall be calculated at the rate of 15% of the total of the sums mentioned in Clause 4.1.1 subject to a minimum and maximum amount the level of which is determined by a decision of the Compensation Bodies (...)."
De formulering moge iets afwijken van die in de Internal Regulations, de uitkomst is dezelfde. Niet alleen zijn de te verhalen posten dezelfde, ook de berekening van het schaderegelingshonorarium vindt op dezelfde wijze plaats. Het minimum- en het maximumbedrag van het schaderegelingshonorarium bedraagt, evenals in de verhoudingen tussen de Bureaus, op 1 januari 2010 € 200, respectievelijk € 3.500. Een louter 'pro forma' geopend dossier geeft geen recht op het (minimum)schaderegelingshonorarium. Onder een 'pro forma' geopend dossier wordt blijkens art. 4.8, tweede alinea van de Overeenkomst verstaan een dossier dat het schadevergoedingsorgaan alleen aanlegt omdat het door een benadeelde wordt benaderd, zonder dat deze daadwerkelijk een claim indient en zonder dat het schadevergoedingsorgaan tot inhoudelijke behandeling van het dossier behoeft over te gaan. In dergelijke gevallen zal het dossier aan de (schaderegelaar van de) verzekeraar worden toegezonden, die het schadegeval, na ontvangst van de claim van de benadeelde, zal hebben te behandelen.
d) Verhaal op het betalende schadevergoedingsorgaan: beperkingen en procedure
De condities waaronder het aangesproken schadevergoedingsorgaan restitutie kan betwisten of weigeren, wijken af van die in het kader van het groenekaartstelsel. In de relatie tussen de Bureaus bestaat deze mogelijkheid tot betwisting maar heel beperkt, hetgeen valt te verklaren uit de omstandigheid dat het 'regelend' Bureau de schade (doorgaans) behandelt op basis van het recht van het land waar dat Bureau is gevestigd. De schadevergoedingsorganen behandelen de schade op grond van voor hen vreemd recht. Clause 4.2 van de Overeenkomst beperkt om te beginnen de mogelijkheid om het gevorderde bedrag te betwisten tot de situatie waarin het regelende schadevergoedingsorgaan
"has ignored objective material information given to it or has not observed the rules of applicable law."
Het valt op dat deze clausule niet slechts ziet op 'objective material information' waarom het regelende schadevergoedingsorgaan heeft gevraagd, noch het recht om te betwisten beperkt tot situaties waarin het betalende schadevergoedingsorgaan of dat van de lidstaat van het ongeval informatie heeft verstrekt over het toe te passen recht. Dat leidt tot de conclusie dat het regelende schadevergoedingsorgaan, wil het zijn aanspraken op restitutie veilig stellen, de noodzakelijke informatie en uitleg eigener beweging dient op te vragen, een consequentie die niet onlogisch is.
Art. 4.3, tweede alinea van de Overeenkomst bevat een beperking van het recht op restitutie als het regelende schadevergoedingsorgaan heeft nagelaten de verzekeraar of het schadevergoedingsorgaan in de lidstaat van vestiging van die verzekeraar ervan op de hoogte te stellen dat het een verzoek om schadevergoeding heeft ontvangen. In dat geval zal het slechts de helft van de anders te ontvangen bedragen mogen vorderen. Gezien het belang dat de Richtlijn er kennelijk aan hecht dat de verzekeraar in de gelegenheid wordt gesteld de schaderegeling zelf weer ter hand te nemen lijkt dit een tamelijk genereuze oplossing. Het informeren van verzekeraar en betalend schadevergoedingsorgaan, waardoor de verzekeraar in staat wordt gesteld binnen twee maanden alsnog een gemotiveerd antwoord aan de benadeelde te verstrekken, kan als een zo wezenlijke procedurele bepaling worden gezien, dat het volledig ontzeggen van de aanspraak op restitutie evenzeer te verdedigen zou zijn geweest.
De Overeenkomst bevat in art. 4.5 een expliciete bepaling die het regelende schadevergoedingsorgaan de mogelijkheid geeft tussentijds te declareren. Dat kan als de aan benadeelde of diens rechtverkrijgenden betaalde schadevergoeding ten minste € 5.000 bedraagt. Anders dan in de relaties tussen de Bureaus ontstaat een recht op schaderegelingshonorarium, bilaterale afwijkende afspraken buiten beschouwing gelaten, pas als het dossier volledig is afgesloten.
Eveneens in afwijking van de afspraken tussen de Bureaus bedraagt de betalingstermijn geen twee maanden maar 30 dagen. Bij overschrijding van deze termijn verbeurt het betalende schadevergoedingsorgaan - evenals onder deze omstandigheden het Bureau in het kader van de Internal Regulations - van rechtswege moratoire interessen ter hoogte van 12% per jaar. Zie art. 4.6 van de Overeenkomst.