Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden
Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/4.2.14:4.2.14 Onverschuldigde betaling
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/4.2.14
4.2.14 Onverschuldigde betaling
Documentgegevens:
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS296954:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wat het leerstuk van onverschuldigde betaling betreft, merk ik allereerst op dat een beroep daarop niet is beperkt tot onverschuldigd betaald geld of onverschuldigd geleverde goederen. De onverschuldigde betaling strekt zich ook uit tot onverschuldigd verrichte diensten.1 Daaraan kan nog worden toegevoegd dat naar Nederlands recht dwaling niet een vereiste is voor een succesvol instellen van de condictio indebiti. In de parlementaire geschiedenis wordt bovendien opgemerkt dat het begrip prestatie ruim opgevat dient te worden: een beoogde (of gewilde) prestatie is niet noodzakelijk. Het gaat erom of hetgeen in concreto is gebeurd als een prestatie kan worden aangemerkt2 De kern blijft echter de onverschuldigdheid van de prestatie. Dit betekent enerzijds dat er op het moment van presteren geen rechtsverhouding aanwezig mag zijn maar anderzijds betekent het ook dat een prestatie die zonder enige verplichting en slechts in de hoop en verwachting dat een gedane offerte zal worden geaccepteerd, is verricht, niet als onverschuldigd in de zin van art. 6:203 kan worden gekwalificeerd. Anders gezegd: wij spreken thans over de situatie waarin er nog geen totstandkomingsvertrouwen is in het welslagen van de onderhandelingen en wie onder die omstandigheden bij zijn volle verstand een investering pleegt, dient zich per definitie te realiseren dat de betreffende investering onverschuldigd geschied en kan zich vervolgens, wanneer de onderhandelingen in het hier bedoelde stadium worden afgebroken, er zich niet op beroepen dat hij via de weg van de onverschuldigde betaling voor de betreffende investering gecompenseerd dient te worden. In zekere zin speelt deze zelfde redenering bij het leerstuk van de ongerechtvaardigde verrijking ook voor wat betreft het begrip "ongerechtvaardigd" in art. 6:212 lid 1 BW. De omstandigheid dat men er toch toe overgaat om een additionele investering te plegen kan onder omstandigheden (vide hetgeen hierboven naar voren is gebracht met betrekking tot onrechtmatige daad) reden zijn voor een vordering uit hoofde van art. 6:162 BW, maar m.i. niet uit hoofde van art. 6:203 BW