Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/9.4.6.6
9.4.6.6 Juridische houdbaarheid van het last-sale principe getoetst
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258617:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie onderdeel 4.2.5.
HvJ EU 15 oktober 2014, nr. C-65/13 (Europees Parlement/Europese Commissie), ECLI:EU:C:2014:2289, r.o. 45.
HvJ EG 28 februari 2008, nr. C‑263/06 (Carboni e derivati Srl), ECLI:EU:C:2008:128, r.o. 27.
Commentary 22.1 van de Technische commissie douanewaarde van de WCO voorziet in argumenten waarom het last-sale principe in conformiteit is met de doelstellingen van de CVA (en daarmee mutatis mutandisartikel 70 DWU). Echter, deze argumenten lijken grotendeels niet houdbaar, zie onderdeel 9.6.
De douaneautoriteiten mogen bijvoorbeeld de transactiewaarde van de hand wijzen indien zij gegronde twijfel hebben over de juistheid van de aangegeven transactiewaarde, zie artikel 140 UDWU.
Zie over het bepalen van de douanewaarde onder artikel 128, lid 2, UDWU onderdeel 9.4.3.
HvJ EEG 6 juni 1990, nr. C-11/89 (Unifert Handels GmbH tegen Hauptzollamt Münster), ECLI:EU:C:1990:237, r.o. 11.
Ik meen dat het last-sale principe onder het DWU niet juridisch houdbaar is. De reden hiertoe is dat het last-sale principe is geïntroduceerd in een uitvoeringsverordening. Een uitvoeringsverordening is een handeling met als grondslag artikel 291 Verdrag inzake de werking van de Europese Unie (VwEU).1 Uit voornoemd artikel blijkt dat aan de Europese Commissie uitvoeringsbevoegdheid wordt toegekend indien het nodig is dat juridisch bindende handelingen van de Europese Unie volgens eenvormige voorwaarden moeten worden uitgevoerd. Het is, aldus het Hof van Justitie, echter van belang dat de Europese Commissie bij de uitoefening van zijn uitvoeringsbevoegdheid de wetgevingshandeling (i.c. het DWU) noch wijzigt noch aanvult, zelfs niet indien het de niet-essentiële onderdelen ervan betreft.2 In dat kader moet worden getoetst of artikel 128 UDWU enerzijds de door artikel 70 daarvan nagestreefde algemene hoofddoelen eerbiedigt en artikel 128 UDWU anderzijds noodzakelijk of nuttig is voor de uitvoering van artikel 70 DWU, zonder dat zij deze aanvult of wijzigt.
Het Hof van Justitie heeft in de zaken Unifert Handels GmbH en Carboni e derivati Srl ten aanzien van artikel 3 Verordening (EEG) nr. 1224/80 respectievelijk artikel 29 CDW bepaald dat bij opeenvolgende verkopen de importeur een keuze heeft om een prijs te kiezen. Zoals in de hieraan voorafgaande onderdelen betoogd, volgt een en ander reeds uit de basisverordeningen en dienden de uitvoeringsverordeningen enkel als onderschikkend argument. Zo beschouwd, zou artikel 70 DWU – nu dit artikel qua bewoordingen gelijk is aan de artikelen 3 Verordening (EEG) nr. 1224/80 en artikel 29 CDW – zo moeten worden uitgelegd dat de douanewaarde nog steeds op basis van het first-sale principe kan worden vastgesteld. Artikel 128 UDWU legt echter een beperking aan in de keuzevrijheid van de aangever. In mijn optiek wijzigt het daarmee essentiële delen van de basisverordening (lees: artikel 70 DWU). Ook wordt het algemene hoofddoel van artikel 70 DWU door de aangelegde beperking geschaad. Uit de bewoordingen van deze bepaling en met name uit de woorden “[…] voor uitvoer naar het douanegebied van de Europese Unie worden verkocht […]”, blijkt enkel dat de transactiewaarde moet overeenstemmen met een prijs voor uitvoer naar de Europese Unie.3 Er wordt geen beperking aangelegd welke transactie bij opeenvolgende verkopen, die elk afzonderlijk kwalificeren als verkoop voor uitvoer, moet dienen als grondslag voor het bepalen van de transactiewaarde.4 Ook is een beperking niet noodzakelijk en nuttig voor de uitvoering. Ook bij het in aanmerking nemen van een eerdere of eerste verkoop moet de aangever in staat zijn om voldoende informatie aan de douaneautoriteiten te overleggen voor het verifiëren van de aan de eerdere verkoop voor uitvoer ten grondslag liggende informatie.5 Indien de importeur daarin niet slaagt, moet de douanewaarde overeenkomstig een alternatieve waarderingsmethode worden vastgesteld.
Gelet op voorgaand betoog moet, indien het Hof van Justitie daarnaar wordt gevraagd, artikel 70 DWU zo worden uitgelegd dat een first-sale benadering onder het DWU nog steeds mogelijk is en zal artikel 128 UDWU ongeldig verklaard moeten worden, omdat de Europese Commissie zijn uitvoeringsbevoegdheden oneigenlijk heeft gebruikt. Dit geldt overigens niet alleen voor artikel 128, lid 1, UDWU. Ook bij het tweede lid lijkt de Europese Commissie zijn uitvoeringsbevoegdheden oneigenlijk gebruikt te hebben. Het aanmerken van een transactie in of vanuit tijdelijke opslag of bijzondere regeling als verkoop voor uitvoer lijkt namelijk een wijziging dan wel aanvulling op artikel 70 DWU.6 Immers, een verkoop voor uitvoer veronderstelt naar mijn mening de wetenschap bij partijen dat de goederen vanuit een derde land naar het douanegebied van de Europese Unie zullen worden gebracht.7 Bij een verkoop in of vanuit tijdelijke opslag of bijzondere regeling worden de goederen echter niet meer overgebracht naar het douanegebied van de Europese Unie; ze bevinden zich daar reeds, zij het onder een bijzondere regeling. Met artikel 128, lid 2, UDWU wordt het begrip ‘verkoop voor uitvoer’ uit artikel 70, lid 1, DWU ten onrechte opgerekt. Daarnaast zie ik geen aanknopingspunten in de CVA om een transactie in of vanuit tijdelijke opslag of bijzondere regeling als verkoop voor uitvoer aan te merken.