De grondwetsherzieningsprocedure
Einde inhoudsopgave
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/II.6.8.8:II.6.8.8 De Nationale Conventie
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/II.6.8.8
II.6.8.8 De Nationale Conventie
Documentgegevens:
T. van Gennip, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
T. van Gennip
- JCDI
JCDI:ADS285029:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De verkiezingen van de Tweede Kamer in 2006 leidden tot het kabinet-Balkenende IV waarin het CDA, de PvdA en de ChristenUnie deelnamen.
Eindrapport Nationale Conventie 2006.
Zie bijvoorbeeld: Hoogers, RegelMaat 2007/3, p. 112-114.
Zie: Broeksteeg 2008, p. 327.
Broeksteeg 2008, p. 330.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Minister Pechtold (D66) voor Bestuurlijke vernieuwing en Koninkrijksrelaties stelde op 1 jan. 2006 de Nationale Conventie in. Het doel van deze Conventie was aanbevelingen te doen voor - uiteraard - bestuurlijke vernieuwingen. In september 2006 kwam deze Conventie met aanbevelingen. Echter, vlak voor het zomerreces viel het kabinet-Balkenende II, want het verloor de steun van D66 n.a.v. de kwestie Verdonk. Het kabinet-Balkenende III ging vervolgens vanaf 7 juli 2006 verder als rompkabinet. Op 22 november 2006 volgden verkiezingen1 met een fikse nederlaag voor D66. Bestuurlijke vernieuwing was vooral een prioriteit van D66, dus met het vallen van het kabinet-Balkenende II en even later de slechte verkiezingsuitslag van D66, werd een belangrijke impuls achter deze plannen weggenomen. Desalniettemin verdient het plan over de grondwetsherzieningsprocedure aandacht. Wat was de aanbeveling van de Nationale Conventie op het punt van de grondwetsherzieningsprocedure? De Nationale Conventie stelde een verstrekkende wijziging van de herzieningsprocedure voor. Belangrijk uitgangspunt hierbij is de versterking van de maatschappelijke betekenis van de Grondwet. In grote lijnen trachtte de Nationale Conventie dit doel te bewerkstelligen door de eerste lezing te laten plaatsvinden met een gekwalificeerde meerderheid van twee derden. Vervolgens dient de kiezer het voorstel aan te nemen met een gewone meerderheid in een obligatoir (correctief) referendum.2 Dat zou een radicale wending betekenen in het grondwettelijk stelsel, waarin het primaat bij de totstandbrenging van wetten bij regering en parlement ligt. De plannen van de Nationale Conventie zijn kritisch ontvangen.3 Dit plan is om een voor de hand liggende reden onwenselijk. Bij een deel van de grondwetsherzieningen gaat het om technische, weinig fundamentele of weinig controversiële aangelegenheden (denk aan de schrapping van additionele bepalingen).4 Ook het kabinet bezigde in een reactie dit argument: veel voorstellen tot herziening van de Grondwet zijn niet referendabel. 5 Broeksteeg doet de suggestie dat technisch-juridische onderwerpen samen met meer aansprekende onderwerpen kunnen worden gecombineerd in een bindend referendum.6
Een dergelijk kritiekpunt kan ook opgelost worden met een facultatief bindend referendum. In een dergelijk voorstel bevat de procedure één lezing, waarin de Tweede en Eerste Kamer met een gekwalificeerde meerderheid beslissen. Dan kan er nog een referendum door de burger geïnitieerd worden. Bij dit idee weegt het uitgangspunt van flexibiliteit boven het uitgangspunt van zorgvuldigheid en stabiliteit. De opzet van twee lezingen ter voorkoming van overijling en (parlementaire) heroverweging zou hiermee in mijn ogen te veel worden losgelaten.