De grondwetsherzieningsprocedure
Einde inhoudsopgave
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/II.6.8.5:II.6.8.5 De Staatscommissie-Cals/Donner
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/II.6.8.5
II.6.8.5 De Staatscommissie-Cals/Donner
Documentgegevens:
T. van Gennip, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
T. van Gennip
- JCDI
JCDI:ADS284946:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ook de Staatscommissie-Cals/Donner onderzocht de optie van een referendum als alternatief voor de ontbindingsverkiezingen. Zij gaf een aantal bezwaren bij een grondwetsreferendum: ten eerste, de Staatscommissie betwijfelde in het algemeen of een referendum wel paste in een stelsel van representatieve democratie.1 De Staatscommissie erkende – weliswaar in sommige gevallen - de aantrekkelijkheid van een referendum. Het referendum biedt immers directe zeggenschap aan het electoraat. De Staatscommissie aarzelde of het referendum zich zou verdragen met het representatieve stelsel. De Staatscommissie vond niet zonder meer dat beide methoden (een referendum en een representatief stelsel) elkaar uitsluiten.
Een referendum in de grondwetsherzieningsprocedure kon aldus de Staatscommissie tot gevolg hebben dat parlementariërs hun standpunten zouden laten afhangen van de grillen van de publieke opinie. Ten tweede gaf de Staatscommissie met betrekking tot de herzieningsprocedure aan dat veel onderwerpen zich niet lenen voor een referendum. Op basis van een onderzoek naar de grondwetsherzieningen van de afgelopen 50 jaar bleken grondwetsherzieningen vaak technisch van aard of van secundair belang. 2 Ten derde, de Staatscommissie gaf aan dat een referendum bij een integrale grondwetsherziening onwenselijk is. Bij een algehele grondwetsherziening komen er verschillende kwesties aan bod. Van het electoraat kan niet worden gevergd – aldus de Staatscommissie – om hierover één oordeel te geven. Ten vierde achtte de Staatscommissie een referendum bij meer incidentele grondwetsherzieningen bezwaarlijk. Ook een dergelijke grondwetsherziening kan namelijk uit meerdere elementen bestaan. Eenzelfde probleem als bij een algehele grondwetsherziening doet zich dan voor, maar dan - weliswaar - in mindere mate. Interessant is overigens dat de Staatscommissie bij een referendum het gebruik van een gekwalificeerde meerderheid niet wenselijk achtte. Immers, het is moeilijk om aan de kiezer uit te leggen dat de grondwetsherziening bij een gewone meerderheid geen doorgang kan vinden. Kennelijk hechtte de Staatscommissie veel waarde aan de gekwalificeerde meerderheid van twee derden van de stemmen. De wens om dit aspect te behouden verhoudt zich moeilijk met de invoering van een referendum als alternatief voor de tweede lezing.3