Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/4.26
4.26 Bedrijfswaarde en verbreking fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS345534:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Resolutie van 30 september 1991, nr. DB 9/2310, Stcrt. 189, BNB 1991/ 329.
Zie ook W Brink /J.C.M. van Sonderen, Vordering/ schuldverhouding binnen fiscale eenheid, Weekblad 1991/5965, blz. 811-819.
Overigens heeft de Hoge Raad op 6 september 1995 (nr. 30 244, met conclusie plv. P-G Van Soest, BNB 1996/16 met noot van A.H.M. Daniëls) geoordeeld dat het verlies voortvloeiend uit verkoop van een waardeloos geworden vordering op een fiscaal gevoegde dochtermaatschappij aan een derde, niet ten laste van het resultaat van de fiscale eenheid kan worden gebracht.
Zie in dit verband tevens standaardvoorwaarde 2a betreffende de fiscale eenheid (resolutie van 30 september 1991, nr. DB91/2309, BNB 1991/329) alsmede standaardvoorwaarde 2a betreffende de juridische fusie (resolutie van 1 augustus 1994, nr. DB94/ 2107 M, BNB 1994/ 284). Op grond van deze voorwaarde dienen vorderingen van een in de combinatie begrepen lichaam c.q. het fuserend lichaam op een ander zodanig lichaam, daaronder die welke zijn belichaamd in obligaties, voor de bepaling van de winst van de crediteur over het laatste jaar vóór het verenigingstijdstip c.q. het fusietijdstip te worden gewaardeerd op bedrijfswaarde, doch niet hoger dan de nominale waarde. Voor de bepaling van de winst van de debiteur over het laatste jaar vóór het verenigingstijdstip c.q. fusietijdstip worden tegenover vorenbedoelde vorderingen staande schulden gewaardeerd op het be
HR 29 juni 1988, nr. 25 363, met conclusie A-G Verburg, BNB 1988/264.
Hof Amsterdam 18 augustus 1992, nr. 89/ 1689, V-N 1992 blz. 3661-3666.
Ingevolge toepassing art. 15 Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (fiscale eenheid) zijn door de staatssecretaris zogenaamde standaardvoorwaarden opgesteld en in de Staatscourant gepubliceerd12 In één van deze standaardvoorwaarden wordt het begrip bedrijfswaarde als waarderingsvoorschrift uitdrukkelijk genoemd en wel in het kader van de splitsing van de fiscale eenheid.
De (thans) dertiende standaardvoorwaarde luidt:
`Vorderingen van een lichaam op een ander lichaam waarmede het tot het splitsingstijdstip voor de heffing van de vennootschapsbelasting was verenigd, worden per dat tijdstip niet gewaardeerd boven de bedrijfswaarde (cursivering GM) en evenmin boven de nominale waarde:
Het doel van deze dertiende standaardvoorwaarde is dubbele verliesneming te voorkomen want het verlies van de dochtermaatschappij zou zonder deze voorwaarde zowel in het combinatieverlies als in de vorm van een afwaarderingsverlies op de vordering na verbreking van de fiscale eenheid tot uitdrukking komen3.4
De jurisprudentie aangaande de dertiende standaardvoorwaarde is beperkt. Op 29 juni 19885 oordeelt de Hoge Raad dat bij verbreking van een fiscale eenheid de bedrijfswaarde van een renteloze, niet direct opeisbare vordering op de voorheen gevoegde dochtermaatschappij op de contante waarde daarvan kan worden gesteld. Dit resulteert in een vordering van nominaal f 10 000 000 waarvan de bedrijfswaarde op het van derden ontvangen bedrag, zijnde f 6 000 000 kan worden gesteld. Toepassing van de dertiende standaardvoorwaarde voorkomt dat in casu na splitsing van de fiscale eenheid bij cessie van de vordering een verlies van f 4 000 000 zou worden genomen.
Tot slot een voorbeeld waarbij er géén sprake is van een lagere bedrijfswaarde van een vordering op een voorheen gevoegde dochtermaatschappij op het moment van splitsing.
Casus
Het Hof Amsterdam oordeelt op 18 augustus 19926 over splitsing van een fiscale eenheid naar de situatie per 1 januari 1982 waarbij de fiscale eenheid tussen dochter (belanghebbende) en kleindochter (E BV) door verkoop van alle aandelen in de kleindochter wordt verbroken. Op dat moment heeft belanghebbende een vordering op E BV van in totaal f 6 074 846. Een akte van 8 juli 1982 vermeldt onder meer dat de lening met f 600 000 per jaar zal worden afgelost en dat 10% rente per jaar verschuldigd is. De resultaten van E BV over 1981 respectievelijk 1982 belopen negatief f 303 925 (na verliesverrekening) en negatief f 525 624. Het verlies over 1981 is negatief beïnvloed door een buitengewoon verlies op debiteuren van f 634 958. In 1982 is het normale bedrijfsresultaat verslechterd. Per 31 december 1982 bedraagt de vordering van belanghebbende op E BV f 5 400 000. In 1983 vindt een fusie/reorganisatie plaats waarbij de vordering tot een bedrag van f 2 000 000 wordt overgedragen, een bedrag van f 2 000 000 wordt omgezet in een nieuwe achtergestelde lening, een bedrag van f 570 000 door E BV wordt afgelost, waarna de restantvordering op E BV groot f 830 000 wordt omgezet in aandelen E BV tot een nominaal bedrag van f 830 000. In haar aangifte vennootschapsbelasting 1983 vermeldt belanghebbende een verlies op de vordering op E BV van f 830 000 minus f 1 = f 829 999.
In geschil is de aftrekbaarheid van de afboeking op de vordering op E BV ten bedrage van f 829 999.
Het Hof overweegt:
`5.7. De inspecteur stelt voorts terecht dat bij het verbreken van de fiscale eenheid tussen belanghebbende en E per 1 januari 1982 de bedrijfswaarde van de vordering op die datum moet worden vastgesteld en dat een daarbij optredend verlies krachtens de elfde standaardvoorwaarde (thans dertiende standaardvoorwaarde GM) aan de fiscale eenheid moet worden toegekend.
Belanghebbende heeft dienaangaande echter voldoende aannemelijk gemaakt, dat het resultaat uit de normale bedrijfsuitoefening in 1981, het eerste jaar dat A X de scepter over E zwaaide en het jaar waarin een omvangrijke verhuizingsoperatie plaatsvond, niet negatief was en dat het verlies was terug te voeren op een incidenteel, aanzienlijk verlies op nieuwe debiteuren. Voorts heeft belanghebbende voldoende aannemelijk gemaakt dat het in 1982 te lijden bedrijfsverlies van E naar de toestand per 1 januari 1982 nog niet werd voorzien. Daarbij zij opgemerkt dat E ook nog per ultimo 1982 aan haar rente- en aflossingsverplichting uit hoofde van de geldlening heeft voldaan.
Aldus was belanghebbende naar de toestand per 1 januari 1982, zoals die op balansdatum kon worden beoordeeld, nog niet gerechtigd, laat staan verplicht de bedrijfswaarde van haar vordering op E op een lager bedrag dan het nominale bedrag te stellen.'
Conclusie: Vraagstukken betreffende de waardering van een vordering op lagere bedrijfswaarde in verbinding met toepassing van de dertiende standaardvoorwaarde onderscheiden zich niet van die met betrekking tot de algemene bedrijfswaardeproblematiek. Uit de schaarse jurisprudentie komt een beeld naar voren waarbij in beginsel de bedrijfswaarde van een vordering met de waarde in het economische verkeer kan worden vereenzelvigd.