Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/10.2.1.3
10.2.1.3 Verhoor op het onderzoek ter terechtzitting
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Dit kan van belang zijn voor het oordeel over de kwaliteit van de waarneming van de getuige (Melai-Groenhuijsen, suppl. 88, aant. 2 bij art. 284-oud).
HR 5 december 1927, NJ 1928, p. 5 en Melai-Groenhuijsen, suppl. 88, aant. 2 bij art. 284-oud. Zie ook Tekst & Commentaar: Strafvordering, art. 273, aant. 2.
De getuige hoeft hier echter niet uitdrukkelijk op te worden gewezen (HR 30 augustus 2005, NJ 2005, 543).
Nijboer 2010, § 5.4.
Tekst & Commentaar: Strafvordering, art. 290, aant. 3.
HR 13 mei 1958, NJ 1958, 329 en HR 13 april 1976, NJ 1976, 426.
Melai-Groenhuijsen, suppl. 52, aant. 1 bij art. 285-oud.
Deze bepaling is vooral van belang bij (beperkt) anonieme getuigen, indien vragen worden gesteld die identiteit van betrokkene zou kunnen onthullen (HR 2 maart 1982, NJ 1982, 460).
HR 4 juni 2002, NJ 2002, 603.
Zie in dit verband HR 10 juni 2008, NJ 2008, 346.
De gang van zaken met betrekking tot het verhoor van getuigen ter terechtzitting is te vinden in de artikelen 287-297 van het Wetboek van Strafvordering. Artikel 290 Sv heeft betrekking op de wijze van horen van getuigen: allereerst wordt de getuige gevraagd naar zijn persoonlijke gegevens, zoals zijn naam, geboortedatum, woonplaats, beroep1 en mogelijke verwantschap met de verdachte, daarna wordt de getuige beëdigd dat hij de hele waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen. De vraag naar de persoonlijke gegevens en de beëdiging wordt overigens niet tot het feitelijke verhoor gerekend.2 Het antwoord geldt dan ook niet als een verklaring, maar als een opgave. Ook op het onderzoek ter terechtzitting kan een getuige zich verschonen. De regeling uit het vooronderzoek met betrekking tot het verschoningsrecht is in dit artikel van overeenkomstige toepassing verklaard op het onderzoek ter terechtzitting.3
Als de inhoudelijke ondervraging eenmaal is begonnen, moet de getuige op grond van artikel 291 Sv ‘zo veel mogelijk’ verklaren omtrent hetgeen hij heeft waargenomen en ondervonden en daarbij zijn redenen van wetenschap opgeven. Het doel van deze bepaling is de rechter in staat te stellen de betrouwbaarheid van de verklaring op waarde te schatten.4 Het gaat erom dat de getuige zo veel mogelijk de redenen opgeeft die hem in staat stelden om de waarneming of ondervinding te doen. Omdat het niet altijd eenvoudig is om de gedane waarneming te onderbouwen, is deze eis niet in absolute zin geformuleerd.5 Hoewel van belang voor de beoordeling van de betrouwbaarheid, hoeven de redenen van wetenschap niet afzonderlijk in het proces-verbaal van de terechtzitting of in het vonnis te worden vermeld.6 De getuige zelf mag zich – net als in het vooronderzoek – in beginsel niet bedienen van schriftelijke stukken (art. 290 lid 5 Sv).
De ondervraging van de getuige geschiedt in beginsel door de voorzitter, waarna de bijzitters, de officier van justitie en de verdachte de gelegenheid krijgen tot het stellen van aanvullende vragen (art. 292 lid 1 en 2 Sv). Betreft het een getuige die nog niet eerder is gehoord en op verzoek van de verdachte is verschenen of opgeroepen, dan stelt de wet dat de getuige eerst door de verdachte wordt ondervraagd en daarna pas door de voorzitter en de anderen (art. 292 lid 4 Sv). Er mag van deze volgorde worden afgeweken, maar meestal wordt in de praktijk de wettelijk voorgeschreven volgorde gevolgd.7 De rechtbank kan de getuige op grond van artikel 293 lid 1 Sv beletten om bepaalde vragen te beantwoorden. Dit is bijvoorbeeld het geval als een vraag naar het oordeel van de rechtbank overbodig is of onnodig nadeel aan de getuige berokkent.8 Tot het beletten van vragen kan de rechter ambtshalve overgaan als de officier van justitie of de verdachte zich tegen een bepaalde vraagstelling verzet. In dat kader zijn de officier van justitie en de verdachte ook bevoegd tot het maken van opmerkingen alvorens een specifieke vraag wordt beantwoord (art. 293 lid 2 Sv). Op deze wijze kunnen betrokkenen toelichten waarom zij menen dat een vraag onbeantwoord moet blijven.
Indien de rechtbank besluit over te gaan tot het horen van meerdere personen of getuigen, dan zijn er ook nog enkele bepalingen die zien op de volgorde van de te horen personen en op de maatregelen die de rechter moet nemen om wederzijdse beïnvloeding te voorkomen. In beginsel bepaalt de voorzitter in welke volgorde de aanwezige personen (getuigen, deskundigen, slachtoffers of nabestaanden) zullen worden gehoord (art. 288a Sv). Artikel 289 Sv heeft betrekking op de situatie waarin meerdere getuigen worden gehoord. Ook in dit geval is het de voorzitter die krachtens het vierde lid de volgorde bepaalt. Getuigen worden in beginsel afzonderlijk gehoord en wachten hun verhoor af in een andere ruimte buiten de zittingszaal. Dit om te voorkomen dat zij door de gang van zaken ter zitting of de verklaringen van andere getuigen worden beïnvloed. Echter, niet is uitgesloten dat een getuige die eerder bij verhoren van andere personen in de zittingszaal aanwezig was toch als getuige wordt gehoord.9 Na het afleggen van zijn verklaring verblijft de getuige in de zittingszaal, uitzonderingen daargelaten (art. 296 Sv). Tot slot voorziet artikel 297 Sv nog in een regeling om getuigen met elkaar te confronteren10 of getuigen buiten de tegenwoordigheid van de verdachte te horen.