Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6464.
HR, 06-02-2026, nr. 25/00184
ECLI:NL:HR:2026:204
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
06-02-2026
- Zaaknummer
25/00184
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:204, Uitspraak, Hoge Raad, 06‑02‑2026; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:699
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2024:6464
ECLI:NL:PHR:2025:699, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 20‑06‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:204
Beroepschrift, Hoge Raad, 02‑12‑2024
- Vindplaatsen
Sdu Nieuws Arbeidsrecht 2026/48
AR-Updates.nl 2026-0218
JAR 2026/70 met annotatie van mr. D. Kuiper
TRA 2026/39 met annotatie van I. Zaal
JAR 2026/70 met annotatie van mr. D. Kuiper
Uitspraak 06‑02‑2026
Inhoudsindicatie
Arbeidsrecht. Ontslag wegens bedrijfseconomische redenen. Overgang van onderneming. Economische, technische of organisatorische redenen. Herplaatsingsplicht.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/00184
Datum 6 februari 2026
BESCHIKKING
In de zaak van
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: de werkneemster,
advocaat: B. Schouten,
tegen
RODEN SUPERMARKT B.V.,
gevestigd te Roden,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de werkgeefster,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikkingen in de zaak 10754603 AR VERZ 23-75 van de rechtbank Noord-Nederland van 29 december 2023 en 22 februari 2024;
b. de beschikking in de zaak 200.341.554/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 oktober 2024.
De werkneemster heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De werkgeefster heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van de werkneemster heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De werkneemster was vanaf juni 1994 in dienst bij (de rechtsvoorganger van) de werkgeefster. De onderneming van de werkgeefster was tot 15 mei 2023 in handen van de vennootschap van [betrokkene 1] (hierna: de franchiseondernemer), die een supermarkt exploiteerde volgens de Jumbo-formule.
(ii) In mei 2022 is de arbeidsomvang van de werkneemster bij de werkgeefster verminderd van 32 uur per week naar acht uur per week en is de benaming van haar functie veranderd in ‘personeelsmedewerker/p&o verantwoordelijke’. De werkneemster werkt sindsdien ook, voor 32 uur in de week, bij een andere werkgever, als HR-adviseur en daarnaast, voor acht uur in de week, voor een stichting als HR-coördinator.
(iii) Voor de franchiseondernemer verrichtte de werkneemster, in haar functie van personeelsmedewerker/p&o verantwoordelijke, ondersteunende werkzaamheden, met name administratieve werkzaamheden zoals de verzuimregistratie en de contracthuishouding binnen de onderneming. Zij was een soort assistent van de franchiseondernemer en de enige die die functie vervulde. Voor die functie is geen beschrijving vastgelegd.
(iv) De franchiseondernemer heeft de supermarkt verkocht aan Jumbo Nederland B.V., die vervolgens de supermarkt heeft doorverkocht aan Maripaan Groep B.V. (hierna: Maripaan). Maripaan is een franchisenemer van Jumbo Nederland met, na de overgang van de onderneming van de werkgeefster, zeventien supermarkten, die alle zelfstandige bedrijfsvestigingen zijn.
(v) Maripaan beschikt over een servicekantoor waar voor alle supermarkten onder meer de HR-administratie wordt verricht door twee medewerkers. Tevens werken daar twee HR-adviseurs en een HR-manager.
(vi) Aan de werkneemster is meegedeeld dat zij als gevolg van overgang van onderneming met ingang van 15 mei 2023 van rechtswege in dienst is bij de werkgeefster in de functie van personeelsmedewerker.
(vii) De werkgeefster en Maripaan hebben na de overname geconcludeerd dat de functie van de werkneemster niet bestaat binnen het organogram van een gemiddelde Jumbowinkel, niet inpasbaar is en overbodig is. Vanaf 17 mei 2023 zijn met de werkneemster gesprekken gevoerd over de (on)mogelijkheden van een voortzetting van het dienstverband in een andere rol of functie, te vervullen op het servicekantoor.
(viii) Op 16 juni 2023 heeft de werkgeefster voor de werkneemster een ontslagaanvraag bij het UWV ingediend wegens bedrijfseconomische redenen, waarna de werkneemster is vrijgesteld van werkzaamheden. Het UWV heeft op 5 september 2023 geweigerd toestemming te verlenen om de arbeidsovereenkomst met de werkneemster op te zeggen.
2.2
In dit geding verzoekt de werkgeefster de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van art. 7:671b BW in verbinding met art. 7:669 lid 3, aanhef en onder a, BW. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ontbonden per 1 april 2024.
2.3
Het hof1.heeft het hoger beroep verworpen. Het heeft daartoe het volgende overwogen.
Het verval van de arbeidsplaats/functie van de werkneemster was noodzakelijk wegens bedrijfseconomische redenen ten behoeve van een doelmatiger bedrijfsvoering, een en ander conform de in art. 4 lid 1 Richtlijn 2001/23/EG bedoelde bescherming. (rov. 4.10)
Van het in art. 7:670 lid 8 BW bedoelde opzegverbod is sprake als de opzegging van de arbeidsovereenkomst is gedaan wegens de overgang van de onderneming van de franchisenemer naar de werkgeefster. Dit verbod staat er echter niet aan in de weg dat de nieuwe werkgever in de situatie na de overgang – en mede in verband daarmee – om economische, technische of organisatorische redenen besluit tot aanpassing (mede) van zijn personeelsbestand. Bij een dergelijke reden gelden voor overgenomen werknemers dan ook de criteria voor een ontslag zoals bedoeld in art. 7:669 lid 3, aanhef en onder a, BW. Naarmate het moment van aanpassing van het personeelsbestand dichter bij het moment van overgang ligt, mag wel van de werkgever worden verwacht dat in het bijzonder het ontbreken van een verband met de overgang van onderneming toereikend wordt toegelicht. (rov. 4.12)
De werkgeefster heeft onbetwist aangevoerd dat zij op het moment van de overgang van de onderneming niet bekend was met hoe deze onderneming was georganiseerd en met name niet wat de functies waren van de overgenomen werknemers, met inbegrip van de inhoud van hun functies. Na de overname heeft zij een analyse gemaakt van de situatie in de supermarkt en heeft zij geconstateerd dat de door de werkneemster verrichte functie van ‘personeelsmedewerker/p&o verantwoordelijke’ niet voorkwam bij de andere door Maripaan geëxploiteerde supermarkten, dat die functie niet paste binnen het systeem van exploitatie en dat een functie in die vorm (als ondersteuner van de manager van de supermarkt) haars inziens overbodig was. Maripaan stond een exploitatie voor waarbij de administratieve verwerking van personeelsgegevens centraal op het servicekantoor werden uitgevoerd en de andere werkzaamheden bij de supermarktmanager en de (assistent)teamleiders zouden worden ondergebracht. De werkgeefster heeft met een en ander voldoende aannemelijk gemaakt dat de na de overgang van onderneming genomen beslissing om de door de ‘personeelsmedewerker/p&o verantwoordelijke’ verrichte werkzaamheden anders te organiseren en daaromtrent een andere werkwijze in te voeren, met als gevolg een verval van de functie van ‘personeelsmedewerker/p&o verantwoordelijke’, daarmee in verband staat en niet getroffen wordt door het verbod van art. 7:670 lid 8 BW. (rov. 4.13)
Art. 7:669 lid 1 BW stelt ook als voorwaarde voor het kunnen beëindigen van de arbeidsovereenkomst dat ‘herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt’. (rov. 4.14)
Uit art. 9 lid 3 Ontslagregeling volgt dat van een passende functie sprake is wanneer deze ‘aansluit bij de opleiding, ervaring en capaciteiten van de werknemer’. (rov. 4.15)
De werkneemster heeft aangevoerd dat de werkgeefster tekort is geschoten in haar herplaatsingsverplichting door onvoldoende onderzoek te doen en alleen maar te denken in onmogelijkheden in plaats van mogelijkheden. (rov. 4.19)
Een werkgever moet serieus onderzoeken of de werknemer is te herplaatsen in een andere passende functie, al dan niet na scholing. Het gaat daarbij niet om een resultaatsverplichting maar om wat in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van de werkgever kan worden gevergd. (rov. 4.20)
De werkneemster heeft geen andere concrete functies genoemd dan die van ‘medewerker medewerkersadministratie’ en ‘HR-adviseur’ die mogelijk geschikt zouden kunnen zijn voor haar herplaatsing. Een eventuele plaatsing in de eerstgenoemde functie is echter in mei/juni 2023 uitvoerig besproken, zodat het verwijt van de werkneemster in zoverre mank gaat. (rov. 4.21)
Wat betreft een herplaatsing van de werkneemster in de functie van ‘HR-adviseur’ heeft de werkgeefster voldoende onderbouwd dat die vanwege de beperkte beschikbaarheid in uren niet in de rede ligt. Gezien de aard van het werk en de noodzaak om i) op de hoogte te blijven van de ontwikkelingen binnen de supermarkten als het gaat om het personeel, het beleid en de projecten, ii) een noodzakelijke relatie op te bouwen en te onderhouden met de managers van de supermarkten en andere leidinggevenden ten behoeve van een adequate advisering en begeleiding, iii) voldoende mogelijkheden te hebben gesprekken in te plannen met die leidinggevenden en werknemers en iv) voortvarend te (kunnen blijven) handelen bij incidenten omtrent werknemers, is acht uur per week daarvoor te beperkt. Een dergelijke beperkte beschikbaarheid en een daaruit volgende noodzakelijke, herhaalde en voortdurende overdracht van werkzaamheden aan één van de twee andere HR-adviseurs en dan weer terug, moeten als weinig efficiënt, tijdrovend en te belastend worden aangemerkt. Dat wordt niet anders als de werkneemster maar één of twee van de supermarkten van Maripaan zou bedienen. De werkgeefster heeft tegen zo’n constructie dan ook een redelijk bezwaar. Anders dan de werkneemster bepleit, hoefde de werkgeefster dit ook niet eerst in de vorm van een proef te onderzoeken. Dat de werkneemster vóór de overgang van onderneming voor één supermarkt voor acht uur per week personeelsgerelateerde (deels administratieve) werkzaamheden verrichtte, maakt dat niet anders. Het gaat immers om een niet daarmee te vergelijken situatie. (rov. 4.22)
3. Beoordeling van het middel
3.1.1
Onderdeel 1.1 van het middel richt zich tegen het oordeel in rov. 4.12 en 4.13 dat het opzegverbod van art. 7:670 lid 8 BW niet aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg staat. Het onderdeel klaagt dat het hof heeft miskend dat in gevallen waarin aan het ontslag economische, technische of organisatorische redenen ten grondslag worden gelegd, het voor de beantwoording van de vraag of het opzegverbod van art. 7:670 lid 8 BW van toepassing is, niet volstaat om te beoordelen of aan de reguliere criteria voor een bedrijfseconomisch ontslag is voldaan. Evenmin volstaat het om te toetsen of aan het ontslag economische, technische of organisatorische redenen ten grondslag liggen. Het hof had, eventueel met toepassing van art. 25 Rv, daarnaast moeten beoordelen of de door de werkgever aangevoerde economische, technische of organisatorische redenen geen intrinsiek verband houden met de overgang van onderneming, zo voert het onderdeel aan.
Onderdeel 1.2 voert aan dat zonder nadere motivering niet valt in te zien hoe de door het hof weergegeven economische, technische of organisatorische redenen geen intrinsiek verband houden met de overgang van onderneming.
3.1.2
Art. 7:669 lid 1 BW bepaalt dat de werkgever de arbeidsovereenkomst kan opzeggen indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Ingevolge art. 7:669 lid 3, aanhef en onder a, BW wordt onder een redelijke grond als bedoeld in lid 1 verstaan: het vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming of het, over een toekomstige periode van ten minste 26 weken bezien, noodzakelijkerwijs vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van het wegens bedrijfseconomische omstandigheden treffen van maatregelen voor een doelmatige bedrijfsvoering. Deze ontslaggrond wordt ook wel aangeduid als ontslag wegens bedrijfseconomische redenen.
3.1.3
Art. 7:671b lid 2 BW bepaalt onder meer dat de kantonrechter een verzoek van de werkgever om de arbeidsovereenkomst te ontbinden als bedoeld in art. 7:671b lid 1 BW slechts kan inwilligen indien aan de voorwaarden voor opzegging van de arbeidsovereenkomst, bedoeld in art. 7:669 BW, is voldaan en er geen opzegverboden als bedoeld in art. 7:670 BW gelden.
Art. 7:670 lid 8 BW bepaalt dat de werkgever de arbeidsovereenkomst met de in zijn onderneming werkzame werknemer niet kan opzeggen wegens de in art. 7:662 lid 2, onderdeel a, BW bedoelde overgang van die onderneming. De in art. 7:662 lid 2, onderdeel a, BW bedoelde overgang van onderneming is de overgang, ten gevolge van een overeenkomst, een fusie of een splitsing, van een economische eenheid die haar identiteit behoudt.
3.1.4
“De overgang van de onderneming, vestiging of onderdeel van de onderneming of vestiging vormt op zichzelf voor de vervreemder of de verkrijger geen reden tot ontslag. Deze bepaling vormt geen beletsel voor ontslagen om economische, technische of organisatorische redenen die wijzigingen voor de werkgelegenheid met zich brengen.”
3.1.5
Richtlijn 2001/23/EG beoogt te verzekeren dat de werknemers bij verandering van ondernemer hun rechten behouden, door het mogelijk te maken dat zij op dezelfde voorwaarden als zij met de vervreemder waren overeengekomen, in dienst van de nieuwe werkgever blijven. Deze richtlijn beoogt zo veel mogelijk een ongewijzigde voortzetting van de arbeidsovereenkomst of arbeidsbetrekking met de verkrijger te verzekeren, teneinde te voorkomen dat de betrokken werknemers uitsluitend ten gevolge van deze overgang in een minder gunstige positie komen te verkeren.3.
3.1.6
Hoewel dit niet met zoveel woorden in art. 7:670 lid 8 BW is opgenomen, moet deze bepaling, gelezen in overeenstemming met art. 4 lid 1 Richtlijn 2001/23/EG, zo worden begrepen dat deze geen beletsel vormt voor ontslagen om economische, technische of organisatorische redenen die wijzigingen voor de werkgelegenheid met zich brengen. Daarbij geldt dat ontslagen in een context van de overgang van een onderneming moeten zijn ingegeven door economische, technische of organisatorische redenen op het gebied van de tewerkstelling die geen intrinsiek verband houden met deze overgang.4.
3.1.7
Dat het moet gaan om economische, technische of organisatorische redenen op het gebied van tewerkstelling die geen intrinsiek verband houden met de overgang van onderneming, betekent niet dat er geen enkel verband mag bestaan tussen de overgang van onderneming en de aan het ontslag ten grondslag gelegde economische, technische of organisatorische redenen. Dat volgt reeds uit het gegeven dat het gaat om ontslagen in de context van een overgang van een onderneming. Aanvullende omstandigheden kunnen maken dat ontslag zich verdraagt met de eis dat sprake is van economische, technische of organisatorische redenen die geen intrinsiek verband houden met de overgang van onderneming.5.Richtlijn 2001/23/EG beoogt in het geval van overgang van een onderneming immers niet alleen de belangen van de werknemers te beschermen, maar wil een billijk evenwicht verzekeren tussen hun belangen en die van de verkrijger. Zij preciseert meer bepaald dat de verkrijger de aanpassingen en veranderingen moet kunnen doorvoeren waartoe de voortzetting van zijn activiteiten noopt.6.
3.1.8
Het hof heeft onder ogen gezien dat het verband tussen de aangevoerde redenen en de overgang van onderneming onderzocht diende te worden. Het heeft immers in rov. 4.12 overwogen dat naarmate het moment van aanpassing van het personeelsbestand dichter bij het moment van overgang ligt, van de werkgever mag worden verwacht dat in het bijzonder het ontbreken van een verband met de overgang van onderneming toereikend wordt toegelicht. Het heeft vervolgens in rov. 4.13 dit verband onderzocht, heeft overwogen dat de functie van ‘personeelsmedewerker/p&o verantwoordelijke’ niet voorkwam bij de andere door Maripaan geëxploiteerde supermarkten, dat die functie niet paste binnen het systeem van exploitatie en dat Maripaan een exploitatie voorstond waarbij de administratieve verwerking van personeelsgegevens centraal op het servicekantoor werd uitgevoerd en de andere werkzaamheden bij de supermarktmanager en de (assistent)teamleiders zouden worden ondergebracht. Het hof is vervolgens tot de conclusie gekomen (rov. 4.13, laatste volzin), dat de werkgeefster voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de na de overgang van de onderneming genomen beslissing om de door de ‘personeelsmedewerker/p&o verantwoordelijke’ verrichte werkzaamheden anders te organiseren en daaromtrent een andere werkwijze in te voeren ‘daarmee in verband staat’, waarmee het hof kennelijk bedoelde dat deze beslissing in verband staat met de omstandigheid dat de functie niet paste binnen de exploitatie die Maripaan voorstond. Aldus is het hof niet uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting en heeft het zijn oordeel toereikend gemotiveerd. De hiervoor in 3.1.1 weergegeven klachten zijn dus tevergeefs voorgesteld.
3.2.1
Onderdeel 1.3 klaagt dat het hof bij de beantwoording in rov. 4.12-4.13 van de vraag of sprake is van het opzegverbod uit art. 7:670 lid 8 BW, ten onrechte niet de vraag heeft betrokken of de werkgeefster alle interne mogelijkheden heeft uitgeput.
Voor het geval die beoordeling besloten ligt in de overwegingen van het hof over de herplaatsingsplicht (rov. 4.14-4.23), klaagt onderdeel 1.4 dat het hof de op de werkgeefster rustende verplichting te beperkt heeft uitgelegd. Indien de toets plaatsvindt in het kader van het ontslagverbod van art. 7:670 lid 8 BW, brengt de uit Richtlijn 2001/23/EG voortvloeiende doelstelling mee dat de inspanningen die de werkgever moet plegen om alle interne mogelijkheden uit te putten, verder gaan dat de algemene inspanningsverplichting van art. 7:669 lid 1 BW, zo voert het onderdeel aan.
3.2.2
De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Het hof heeft, zo blijkt uit rov. 4.20-4.22 van zijn beschikking (zie hiervoor in 2.3), geoordeeld dat herplaatsing in dit geval niet mogelijk was omdat, kort gezegd, de werkneemster met de acht beschikbare uren per week niet inzetbaar was in de functie waarop in hoger beroep in het kader van de herplaatsing de aandacht was gericht. Hierin ligt besloten dat naar het oordeel van het hof de interne mogelijkheden tot herplaatsing in een functie die gelijkwaardig is aan die welke de werkneemster bij de franchiseondernemer vervulde, waren uitgeput. De vraag of de door onderdeel 1.4 verdedigde rechtsopvatting juist is, behoeft daarom geen behandeling.
3.3
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt de werkneemster in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de werkgeefster begroot op nihil.
Deze beschikking is gegeven door de president G. de Groot als voorzitter en de raadsheren F.J.P. Lock, A.E.B. ter Heide, F.R. Salomons en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 6 februari 2026.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 06‑02‑2026
Richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen, PbEG 2001, L 82/16.
HvJEU 16 mei 2019, zaak C-509/17, ECLI:EU:C:2019:424 (Plessers/Prefaco), punt 52.
HvJEU 16 mei 2019, zaak C-509/17, ECLI:EU:C:2019:424 (Plessers/Prefaco), punt 54.
HvJEU 16 oktober 2008, zaak C-313/07, ECLI:EU:C:2008:574 (Kirtruna en Vigano), punt 46; vgl. ook HvJEU 22 juni 2017, zaak C-126/16, ECLI:EU:C:2017:489 (Smallsteps), punt 39.
Vgl. HvJEU 18 juli 2013, zaak C-426/11, ECLI:EU:C:2013:521 (Parkwood), punt 25.
Conclusie 20‑06‑2025
Inhoudsindicatie
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/00184
Zitting 20 juni 2025
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
[verzoekster] ,
verzoekster tot cassatie,
advocaat: B. Schouten,
tegen
Roden Supermarkt B.V.,
verweerster in cassatie,
niet verschenen.
Partijen worden hierna verkort aangeduid als [verzoekster] respectievelijk Roden Supermarkt.
1. Inleiding en samenvatting
1.1
Deze arbeidszaak betreft de reikwijdte van het opzegverbod wegens overgang van onderneming (art. 7:670 lid 8 BW). Meer specifiek is aan de orde de vraag wanneer sprake is van een economische, technische of organisatorische reden (‘eto-redenen’) die na overgang van onderneming wijzigingen voor de werkgelegenheid met zich brengen en daarom genoemd opzegverbod opzij kunnen zetten.
1.2
[verzoekster] werkte zo’n 30 jaar bij een franchisenemer van Jumbo, laatstelijk voor 8 uur per week als ‘personeelsmedewerker / p&o verantwoordelijke’. Daarnaast had zij ander werk. De supermarkt is verkocht aan Maripaan Groep B.V., een franchisenemer die Jumbo-filialen exploiteert in Noord-Nederland. Met de overgang van de onderneming is [verzoekster] in dienst getreden van Roden Supermarkt, de verkrijgende werkgever.
1.3
De functie die [verzoekster] bij haar oude werkgever had komt niet voor binnen de overige supermarkten van de Maripaan Groep B.V. Gesprekken met [verzoekster] over voortzetting van haar dienstverband in een andere functie hebben niet tot overeenstemming geleid. Roden Supermarkt heeft de functie van [verzoekster] als overbodig laten vervallen.
1.4
Roden Supermarkt heeft het UWV toestemming gevraagd om de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] op te zeggen. Het UWV heeft die toestemming geweigerd. Roden Supermarkt heeft daarop de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische omstandigheden te ontbinden. De kantonrechter heeft dat verzoek toegewezen.
1.5
Het hof heeft het hoger beroep van [verzoekster] verworpen. Volgens het hof is het opzegverbod van art. 7:670 lid 8 BW niet van toepassing, omdat Roden Supermarkt toereikend heeft aangetoond dat zich na die overgang een eto-reden voordoet. De unieke functie van [verzoekster] bij haar vorige werkgever is niet in te passen in de organisatie van de nieuwe werkgever.
1.6
Het cassatieberoep van [verzoekster] draait met name om de vraag of het hof een juiste maatstaf heeft aangelegd bij de vraag of de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen in strijd is met genoemd opzegverbod.
1.7
In de rechtspraak is zowel de verhouding tussen het opzegverbod van art. 7:670 lid 8 BW en de eto-redenen als de verhouding tussen bedrijfseconomische omstandigheden als ontslaggrond en de eto-redenen nog weinig uitgekristalliseerd. Deze zaak biedt uw Raad gelegenheid ten aanzien daarvan meer duidelijkheid te geven.
2. Feiten
2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.1.
2.2
[verzoekster], geboren in 1978, is vanaf 1 juni 1994 in dienst bij (de rechtsvoorganger van) Roden Supermarkt, laatstelijk tegen een brutosalaris van € 823,- per vier weken bij een werkweek van acht uur, exclusief 8% vakantiegeld.
2.3
In een brief van 18 mei 2022, die mede ondertekend is door [verzoekster], staat vermeld dat [verzoekster] haar arbeidsomvang per 23 mei 2022 vermindert van 32 uur naar acht uur per week en dat haar functiebenaming wijzigt in ‘personeelsmedewerker’ / ‘p&o verantwoordelijke’. [verzoekster] werkt sindsdien 32 uur per week bij een andere werkgever (buiten de supermarktbranche) als HR-adviseur, terwijl zij daarnaast acht uur per week werkzaam is voor een stichting (eveneens buiten de supermarktbranche) als HR-coördinator.
2.4
De onderneming van Roden Supermarkt was tot 15 mei 2023 in handen van een vennootschap van [betrokkene 1]. Deze exploiteerde als franchiseondernemer in Roden een supermarkt conform de Jumbo-formule.
2.5
[verzoekster] verrichtte in haar functie van personeelsmedewerker ondersteunende werkzaamheden voor [betrokkene 1], met name administratieve werkzaamheden zoals de verzuimregistratie en de contracthuishouding. Zij was een soort assistent van de franchisenemer. Van haar functie is geen beschrijving vastgelegd.
2.6
[betrokkene 1] heeft zijn onderneming per 15 mei 2023 verkocht aan Jumbo Nederland B.V. (hierna: Jumbo Nederland), die de supermarkt heeft doorverkocht aan de Maripaan Groep B.V. (hierna: Maripaan). Maripaan is een franchisenemer van Jumbo Nederland met (na de overname van Roden Supermarkt) zeventien supermarkten die onder de naam Jumbo opereren in Noord-Nederland. Deze supermarkten zijn zelfstandige bedrijfsvestigingen.2.
2.7
Maripaan beschikt over een servicekantoor, gevestigd in de stad Groningen, waar voor alle supermarkten onder meer de HR-administratie wordt verricht door twee medewerkers (samen 1 fte). Ook werken daar twee HR-adviseurs en een HR-manager.
2.8
Bij brief van 14 mei 2023 is aan [verzoekster] meegedeeld dat zij als gevolg van overgang van onderneming met ingang van 15 mei 2023 van rechtswege in dienst is bij Roden Supermarkt3.in de functie van personeelsmedewerker.
2.9
Maripaan en Roden Supermarkt hebben na de overname geconcludeerd dat de functie van [verzoekster] als zodanig niet bestaat binnen het organogram van een gemiddelde Jumbo-winkel en daarin niet inpasbaar is. De werkzaamheden die zij bij [betrokkene 1] verrichtte zijn bij verschillende functies belegd. Haar oude functie komt daarom te vervallen.
2.10
Vanaf 17 mei 2023 zijn met [verzoekster] gesprekken gevoerd over de (eventuele) voortzetting van het dienstverband in een andere functie, te vervullen op het servicekantoor van Maripaan. Partijen hebben daarover ook schriftelijk met elkaar gecommuniceerd.
2.11
Op 16 juni 2023 heeft Roden Supermarkt voor [verzoekster] bij het UWV een ontslagaanvraag ingediend wegens bedrijfseconomische redenen, waarna [verzoekster] per 17 juni 2023 is vrijgesteld van werkzaamheden. [verzoekster] heeft inhoudelijk verweer gevoerd.
2.12
Het UWV heeft op 5 september 2023 geweigerd toestemming te verlenen om de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] op te zeggen.4.Het UWV overweegt onder meer:
“Wij vinden dat werkgever onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat binnen de Maripaan groep geen functie voorkomt met een vergelijkbare functie-inhoud als de functie van werknemer.
(…)
Wij vinden dan ook dat werkgever onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van technologische of organisatorische redenen op grond waarvan de arbeidsplaats van werknemer moet komen te vervallen. Daarmee is ons eveneens onvoldoende aannemelijk dat de ontslagvoordracht van werknemer in een andere reden is gelegen dan de overgang van onderneming.”
3. Procesverloop
Eerste aanleg
3.1
Bij verzoekschrift van 17 oktober 2023 heeft Roden Supermarkt de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen (hierna: de kantonrechter), verzocht om, uitvoerbaar bij voorraad, de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] op zo kort mogelijke termijn te ontbinden wegens het vervallen van haar arbeidsplaats (bedrijfseconomische omstandigheden zoals bedoeld in art. 7:669 lid 3 sub a BW, hierna: de a-grond).
3.2
[verzoekster] heeft verweer gevoerd en verzocht om afwijzing van het ontbindingsverzoek. Vogens haar was geen sprake van een voldragen a-grond. Bij wijze van tegenverzoek verzocht [verzoekster], uitvoerbaar bij voorraad (samengevat) primair om wedertewerkstelling, op straffe van een dwangsom, en subsidiair om betaling van de transitievergoeding.
3.3
Op 1 december 2023 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Beide partijen hebben gebruik gemaakt van spreekaantekeningen.5.Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
3.4
Bij beschikking van 29 december 20236.(hierna: de tussenbeschikking) heeft de kantonrechter Roden Supermarkt in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de vraag of de functie van HR-adviseur bij de Maripaan Groep (van 28 uur per week) beschikbaar is voor [verzoekster].
3.5
Op 12 januari 2024 heeft Roden Supermarkt een akte genomen, waarna [verzoekster] op 26 januari 2024 een antwoordakte heeft genomen.
3.6
Bij beschikking van 22 februari 20247.(hierna: de eindbeschikking) heeft de kantonrechter geoordeeld dat herplaatsing van [verzoekster] in de functie van HR-adviseur in dit geval niet in de rede ligt. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst per 1 april 2024 ontbonden op grond van een voldragen a-grond en Roden Supermarkt veroordeeld tot betaling van de wettelijke transitievergoeding, uitvoerbaar bij voorraad.
Hoger beroep
3.7
[verzoekster] is op 17 mei 2024 van de tussenbeschikking en de eindbeschikking in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof), onder aanvoering van tien beroepsgronden.
3.8
[verzoekster] verzoekt, kort weergegeven, primair om herstel van de arbeidsovereenkomst, met terugwerkende kracht en met betaling van achterstallig loon, en subsidiair om veroordeling van Roden Supermarkt tot betaling van een billijke vergoeding van € 25.000 bruto.
3.9
Roden Supermarkt heeft een verweerschrift ingediend. Het verweer strekt tot afwijzing van de verzoeken en bekrachtiging van de eindbeschikking, onder verbetering van gronden.8.
3.10
Op 11 september 2024 heeft een meervoudige mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens [verzoekster] is gebruik gemaakt van pleitaantekeningen. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
3.11
Bij beschikking van 21 oktober 20249.(hierna: de bestreden beschikking) heeft het hof het hoger beroep van [verzoekster] verworpen en haar veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep, met afwijzing van wat verder is verzocht.
3.12
Het hof verwerpt hiertoe ten eerste de stelling van [verzoekster] dat zij na de overgang in mei 2023 met Roden Supermarkt een functiewijziging als ‘medewerker medewerkersadministratie’ op het servicekantoor van Maripaan is overeengekomen (rov. 4.2-4.4).
3.13
Vervolgens gaat het hof in op de mogelijkheid de arbeidsovereenkomst te beëindigen op grond van bedrijfseconomische redenen en overweegt als volgt:
“Verval van de arbeidsplaats
4.8
De functie van ‘personeelsmedewerker / p&o verantwoordelijke’ is, zo is tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep gebleken, bij haar toenmalige werkgever voor [verzoekster] gecreëerd op het moment dat zij in mei 2022 deels uit dienst trad om elders HR-adviseur te worden. De door haar benoemde werkzaamheden van de gecreëerde functie (‘recruitment, aan- en afmelden van medewerkers, klaarmaken van pakketten voor nieuwe medewerkers, sleutelregistratie en allerlei in dat verband van belang zijnde administratieve handelingen’) maakten deel uit van de tot 23 mei 2022 door haar beklede functie van ‘teamleider kassa & service’, zo heeft [verzoekster] tijdens de mondelinge behandeling erkend.
4.9
Werkgeefster [Roden Supermarkt B.V., A-G] heeft voldoende toegelicht dat en waarom zij geen behoefte heeft aan een dergelijke, unieke functie. Waar in de oude situatie haar (toenmalige) werkgever voor personeel gerelateerde (ondersteunende) werkzaamheden niet kon terugvallen op ondersteuning door een servicekantoor, is dat in de nieuwe situatie wel zo. Voldoende aannemelijk is geworden dat de administratieve verwerking van veranderingen in het personeelsbestand in de nieuwe situatie via en door het servicekantoor van Maripaan doelmatig is en leidt tot efficiencyvoordelen. Dat die verwerking na mei 2023 bij het servicekantoor is belegd, bestrijdt [verzoekster] maar daarin volgt het hof haar niet, gezien het vaststaande feit dat [verzoekster] zelf op 30 mei 2023 de dossiers van de personeelsleden van werkgeefster aan het servicekantoor heeft overgedragen en de omstandigheid dat met [verzoekster] is gesproken over de functie van ‘medewerker medewerkersadministratie’. Tegen de achtergrond dat [verzoekster] destijds in haar functie van ‘teamleider kassa & service’ zich ook bezighield met recruitment, pakketten voor nieuwe medewerkers, sleutelregistratie e.d., ziet het hof geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de stelling van werkgeefster dat zij dergelijke werkzaamheden (weer) heeft ondergebracht bij de manager en de (assistent) teamleiders van de supermarkt en dat die werkzaamheden niet meer worden verricht in een afzonderlijke functie. (…).
4.10
Het hof heeft dan ook geen twijfel aan de juistheid van de stelling van werkgeefster dat het verval van de arbeidsplaats/functie van [verzoekster] noodzakelijk was wegens bedrijfseconomische redenen ten behoeve van een doelmatiger bedrijfsvoering.”10.
Volgens het hof is er dus een redelijke grond voor ontslag, te weten de a-grond.
3.14
Het hof gaat vervolgens in op de vraag of werkgever op die grond beroep kan doen, of dat dit beroep afketst op het opzegverbod wegens overgang van onderneming:
“Geen opzegverbod
4.11
[verzoekster] stelt verder dat het verval van haar functie en daarmee het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in een rechtstreeks verband staat met de overgang van de onderneming per 14 mei 2023, zodat het in artikel 7:670 lid 8 BW bedoelde opzegverbod aan een beëindiging van haar dienstverband in de weg staat.
4.12
Van zo’n verbod is sprake als de opzegging van de arbeidsovereenkomst is gedaan wegens de overgang van de onderneming van (kort gezegd) [betrokkene 1] naar werkgeefster.11.Dit verbod staat er echter niet aan in de weg dat de nieuwe werkgever in de situatie na de overgang – en mede in verband daarmee – om economische, technische of organisatorische redenen (verder: eto-redenen) besluit tot aanpassing (mede) van zijn personeelsbestand. Bij een eto-reden gelden voor overgenomen werknemers dan ook de criteria voor een ontslag zoals hiervoor aan de orde gesteld. Naar mate het moment van aanpassing van het personeelsbestand dichter bij het moment van overgang ligt, mag wel van de werkgever worden verwacht dat in het bijzonder het ontbreken van een verband met de overgang van onderneming toereikend wordt toegelicht.
4.13
In dit geval heeft werkgeefster onbetwist aangevoerd dat zij op het moment van de overgang van de onderneming niet bekend was met hoe deze onderneming was georganiseerd en met name niet wat de functies waren van de overgenomen werknemers, met inbegrip van de inhoud van hun functies. Na de overname heeft zij een analyse gemaakt van de situatie in de supermarkt, in het kader waarvan zij heeft geconstateerd dat de door [verzoekster] verrichte functie van ‘personeelsmedewerker / p&o verantwoordelijke’ niet voorkwam bij de andere door Maripaan geëxploiteerde supermarkten, dat die functie niet paste binnen het systeem van exploitatie en dat een functie in die vorm (als ondersteuner van de manager van de supermarkt) haars inziens overbodig was. Zoals hiervoor in 4.9 weergegeven stond Maripaan een exploitatie voor waarbij de administratieve verwerking van personeelsgegevens en veranderingen daarin centraal op het servicekantoor werden uitgevoerd en de andere (feitelijke) werkzaamheden (weer) bij de supermarktmanager en de (assistent)teamleiders zouden worden ondergebracht. Werkgeefster heeft met een en ander naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk gemaakt dat de na de overgang van onderneming genomen beslissing om de door de ‘personeelsmedewerker / p&o verantwoordelijke’ verrichte werkzaamheden anders te organiseren en daaromtrent een andere werkwijze in te voeren, met als gevolg een verval van de functie van ‘personeelsmedewerker / p&o verantwoordelijke’, daarmee in verband staat en niet getroffen wordt door het verbod van artikel 7:670 lid 8 BW.12.”
3.15
Ook gaat het hof in op de herplaatsingsplicht van de werkgever:
“Geen schending herplaatsingsplicht
4.14
Naast de aanwezigheid van een redelijke grond voor ontslag stelt artikel 7:669 lid 1 BW ook als voorwaarde voor het kunnen beëindigen van de arbeidsovereenkomst dat ‘herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt’. Uit de toevoeging van de woorden ‘binnen een redelijke termijn’ volgt dat de mogelijkheid van herplaatsing van een werknemer niet alleen moet worden bezien aan de hand van vacatures die er al bij een werkgever zijn, maar ook de vacatures die er mogelijkerwijs binnen afzienbare termijn komen.
(…)
4.20
Een werkgever moet serieus onderzoeken of de werknemer is te herplaatsen in een andere passende functie, al dan niet na scholing. Het gaat daarbij niet om een resultaatsverplichting maar om wat in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van de werkgever kan worden gevergd.13.
4.21
[verzoekster] heeft geen andere concrete functies genoemd dan die van ‘medewerker medewerkersadministratie’ en ‘HR-adviseur’ die mogelijk geschikt zouden kunnen zijn voor haar herplaatsing. Een eventuele plaatsing in de eerstgenoemde functie is echter in mei/juni 2023 uitvoerig door hen besproken, zodat het verwijt van [verzoekster] in zoverre mank gaat.
4.22
Wat betreft een herplaatsing van [verzoekster] in de functie van ‘HR-adviseur’ heeft werkgeefster voldoende onderbouwd dat die vanwege de beperkte beschikbaarheid in uren niet in de rede ligt. Gezien de aard van het werk en de noodzaak om i) op de hoogte te blijven van de ontwikkelingen binnen de supermarkten als het gaat om het personeel, het beleid en de projecten, ii) een noodzakelijke relatie op te bouwen en te onderhouden met de managers van de supermarkten en andere leidinggevenden ten behoeve van een adequate advisering en begeleiding, iii) voldoende mogelijkheden te hebben gesprekken in te plannen met die leidinggevenden en werknemers en iv) voortvarend te (kunnen blijven) handelen bij incidenten omtrent werknemers, deelt het hof het oordeel van de kantonrechter dat acht uur per week daarvoor te beperkt is. Een dergelijke beperkte beschikbaarheid en een daaruit volgende noodzakelijke, herhaalde en voortdurende overdracht van werkzaamheden aan één van de twee andere HR-adviseurs en dan weer terug, moet als weinig efficiënt, tijdrovend en te belastend worden aangemerkt. Dat wordt niet anders als [verzoekster] maar één of twee van de supermarkten van Maripaan zou bedienen. Werkgeefster heeft tegen zo’n constructie dan ook een redelijk bezwaar. Anders dan [verzoekster] bepleit, hoefde werkgeefster dit ook niet eerst in de vorm van een proef te onderzoeken. Dat [verzoekster] vóór de overgang van onderneming voor één supermarkt voor 8 uur per week personeelsgerelateerde (deels administratieve) werkzaamheden verrichtte, maakt dat niet anders. Het gaat immers om een niet daarmee te vergelijken situatie.
(…)”
Cassatie
3.16
[verzoekster] heeft tegen de bestreden beschikking op 20 januari 2025 – tijdig – beroep in cassatie ingesteld.
3.17
Roden Supermarkt heeft geen verweerschrift ingediend.
4. Bespreking van het cassatiemiddel
4.1
Het cassatiemiddel richt zich zowel tegen het oordeel van het hof dat het opzegverbod van art. 7:670 lid 8 BW niet aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg staat (rov. 4.11 e.v.), als tegen het oordeel van het hof dat Roden Supermarkt heeft voldaan aan haar herplaatsingsplicht als bedoeld in art. 7:669 lid 1 BW (rov. 4.14 e.v.).
4.2
Voordat ik overga tot bespreking van de klachten schets ik het juridisch kader, dat deels Unierechtelijk en deels nationaalrechtelijk is.
Juridisch kader ontslagbescherming bij overgang van onderneming
- Opzegverbod bij overgang en eto-redenen
4.3
Werknemers worden bij overgang van een onderneming beschermd tegen het verlies van hun rechten. De eerste Europese richtlijn op dit vlak was Richtlijn 77/187/EEG, gewijzigd bij richtlijn 98/50/EG. Richtlijn 2001/23/EG (hierna: de Richtlijn) vormt de codificatie van Richtlijn 77/187/EEG en is de thans geldende richtlijn.14.
4.4
De Richtlijn beoogt werknemers te beschermen bij overgang van de onderneming waarvoor zij werken. Zij heeft tot doel de ongewijzigde voortzetting van de arbeidsovereenkomst met de verkrijger zoveel mogelijk te verzekeren om te voorkomen dat de betrokken werknemers uitsluitend ten gevolge van de overgang in een minder gunstige positie komen te verkeren.15.
4.5
De Richtlijn beoogt tevens een billijk evenwicht te verzekeren tussen de belangen van de werknemers en de belangen van de verkrijger.16.In dat kader wijst het Hof van Justitie op de vrijheid van ondernemerschap (art. 16 EU-Handvest).17.Dit komt in beeld als de toepassing van de Richtlijn ertoe leidt dat fundamentele rechten van de verkrijger in de kern worden geraak. Toch staat de werknemersbescherming bij overgang van onderneming voorop.18.
4.6
Bij overgang van een onderneming blijven de arbeidsvoorwaarden behouden (art. 3 Richtlijn) en de overgang vormt op zichzelf geen reden tot ontslag, behoudens ontslagen om economische, technische of organisatorische redenen (art. 4 Richtlijn).
4.7
Het komt in deze zaak aan op artikel 4 dat, voor zover hier van belang, als volgt luidt:
1. De overgang van de onderneming, vestiging of onderdeel van de onderneming of vestiging vormt op zichzelf voor de vervreemder of de verkrijger geen reden tot ontslag. Deze bepaling vormt geen beletsel voor ontslagen om economische, technische of organisatorische redenen die wijzigingen voor de werkgelegenheid met zich brengen.
(…)
2. (…)
4.8
De ontslagbescherming uit de eerste zin van art. 4 lid 1 is neergelegd in art. 7:670 lid 8 BW:
8. De werkgever kan de arbeidsovereenkomst met de in zijn onderneming werkzame werknemer niet opzeggen wegens de in artikel 662, lid 2, onderdeel a, bedoelde overgang van die onderneming.
De arbeidsovereenkomst kan dus niet door de werkgever worden opgezegd wegens een overgang van onderneming.19.Om die reden kan de arbeidsovereenkomst ook niet worden ontbonden, zo volgt uit art. 7:671b lid 2 BW.
4.9
De in de tweede zin van art. 4 lid 1 van de Richtlijn genoemde uitzondering voor ‘eto-redenen’ is niet in nationale wetgeving geïmplementeerd omdat dit – zoals men vaker ziet bij privaatrechtelijke onderwerpen – niet nodig werd geacht.20.Diverse auteurs hebben aanbevolen dit alsnog te doen, vanwege de verwarring waartoe het ontbreken van de eto-redenen in de wettekst kan leiden.21.Ondanks de onvolledige implementatie wordt algemeen aanvaard dat ook naar Nederlands recht het ontslagverbod niet absoluut is en dat beëindiging van een arbeidsovereenkomst wegens eto-redenen mogelijk is,22.met name door beëindiging op grond van de a-grond. Ik denk dat het aanbeveling verdient de eto-redenen alsnog in de wet te vast te leggen omdat zij, anders dan de a-grond die algemene toepassing heeft, specifiek zien op de situatie na overgang van onderneming. De noodzaak de eto-redenen in de wet vast te leggen lijkt door de onderhavige ontslagzaak te worden geïllustreerd.
4.10
Bij het bepalen van de reikwijdte van de ontslagbescherming bij overgang van onderneming en in verband daarmee de betekenis van de eto-redenen speelt de Europese achtergrond een belangrijke rol. Voor een bron van uitleg moeten we helemaal terug naar het door de Europese Commissie in 1975 ingediende eerste voorstel voor deze richtlijn. Daarin was bepaald dat ontslag in verband met de overdracht van een vestiging (later: overgang van onderneming) slechts op grond van ‘dwingende interne vereisten’ (later: eto-redenen) mogelijk is. Deze vereisten mochten volgens de toelichting op dat voorstel alleen als reden voor ontslag worden aangevoerd indien alle interne mogelijkheden zoals tewerkstelling in een andere passende functie en aanpassings- en omscholingsmaatregelen zijn uitgeput.23.Ik citeer uit deze toelichting de volgende passage (mijn onderstreping hieronder en in de citaten hierna; AG):
“Economisch gezien is het echter volmaakt logisch dat aan het bedrijfshoofd de mogelijkheid wordt gelaten om bij een fusie van vennootschappen of een overdracht van vestigingen over te gaan tot wijzigingen in de organisatie van de onderneming of in de produktie en om in de vestigingen die werden overgenomen maatregelen op het stuk van rationalisatie e.d. door te voeren. Dit zal vooral van belang zijn in die gevallen waarin met de overdracht sanering werd beoogd van ondernemingen die in moeilijkheden verkeren. In dergelijke omstandigheden kunnen hieruit voor de personen die in de getroffen vestigingen werkzaam zijn kwantitatieve of kwalitatieve repercussies voortvloeien en het ontslag van sommige werknemers zou wel eens onvermijdelijk kunnen blijken te zijn. Dit komt tot uitdrukking in de tweede zin van lid 1, op grond waarvan ontslagen welke noodzakelijk zijn wegens dwingende interne vereisten niet vallen onder het hier bedoelde verbod. De auteurs van het voorstel hebben er met opzet van afgezien een opsomming te geven van deze interne vereisten. Deze vereisten kunnen immers naargelang de omstandigheden zo sterk variëren dat een dergelijke opsomming alleen maar verwarrend zou werken. Het ligt primair op de weg van de wetgever en van de rechterlijke instanties in de Lid-Staten aan te geven wat onder dwingende interne vereisten moet worden verstaan. Overeenkomstig hetgeen met het richtlijn-voorstel wordt beoogd, mogen deze interne vereisten echter alleen dan als reden voor ontslag worden aangevoerd, wanneer alle overige mogelijkheden welke de onderneming ter beschikking staan, zoals b.v. een verandering van werkkring, eventueel gepaard gaande met maatregelen inzake aanpassing en omschakeling werden onderzocht.”
4.11
In het slot van deze passage valt dus al de eis van een herplaatsingsplicht en een (bij)scholingsverplicht te ontwaren. Toch ben ik geneigd geen al te groot gewicht toe te kennen aan deze toelichting bij het eerste voorstel voor de Richtlijn. Niet alleen omdat in algemene zin het Hof van Justitie bij de uitleg van een Unierechtelijke wetgevende bepaling gemiddeld genomen duidelijk minder betekenis toekent aan de travaux préparatoires dan de Hoge Raad pleegt toe te kennen aan de parlementaire geschiedenis van een Nederlandse wetsbepaling, maar ook (en vooral) omdat de zojuist geciteerde passage niet de weg heeft gevonden naar de considerans van (de voorganger van) de Richtlijn, waarvan de uiteindelijke tekst afwijkt van dat eerste voorstel.24.Zinvoller is het zich te concentreren op de tekst en de doelstellingen van art. 4 lid 1 van de Richtlijn.
4.12
Art. 4 lid 1 van de Richtlijn bepaalt dat de overgang “op zichzelf”25.geen reden tot ontslag vormt. Overgang van onderneming is dus geen geldige ontslaggrond.26.Voor ontslag is dus méér nodig dan alleen de overgang als zodanig, waarbij dit meerdere vallen onder (een van) de eto-redenen.27.In de rechtspraak van het Hof van Justitie is, steeds in vergelijkbare bewoordingen, geoordeeld dat het criterium ‘op zichzelf’ betekent dat de overgang “de enige reden” is voor het ontslag28., dat het ontslag “niet alleen [is] te wijten aan de overgang van onderneming”29., en dat sprake is van bescherming tegen ontslag “dat louter op basis van die overgang plaatsvindt”.30.In de literatuur is daaruit afgeleid dat het Hof de ontslagbescherming niet ruim opvat.31.Dat lijkt mij juist, niettegenstaande het feit dat ontslagbescherming als doelstelling voorop staat. Zijn er naast de overgang een of meer andere redenen voor ontslag van economische, technische of organisatorische aard, staat het feit dat een overgang van de onderneming heeft plaatsgevonden daarom niet aan beëindiging van de arbeidsovereenkomst in de weg. Het is aan de werkgever om aan te tonen dat er na de overgang van onderneming eto-reden zijn voor het ontslag.32.
4.13
Ik loop nu enkele) Europese arresten langs.
4.14
In het Bork-arrest (1988)33.was een onderneming kort gestaakt geweest, maar oordeelde het Hof dat toch sprake was van een overgang van onderneming in de zin van de Richtlijn. Het Hof overweegt:
“18 (…) Om uit te maken of de overgang, in strijd met voornoemd art. 4 lid 1 de enige reden was voor het ontslag, moet worden gelet op de objectieve omstandigheden waarin het ontslag is gegeven, en in een geval als het onderhavige, meer in het bijzonder op de omstandigheid dat het nagenoeg gelijktijdig met de overgang is ingegaan en dat de betrokken werknemers door de verkrijger opnieuw in dienst zijn genomen.”
Het tijdsverloop tussen de overgang en de beëindiging van de arbeidsovereenkomst kan dus van belang zijn voor de beoordeling. Hoe dichter het gegeven ontslag bij de datum van overgang ligt, des te kritischer men dient te zijn ten aanzien van de door de werkgever opgegeven reden voor het ontslag. Als het ontslag nagenoeg gelijktijdig met de overgang is ingegaan, zal al snel sprake zijn van een ontslag wegens de overgang, aldus Zaal, die dit bevestigd ziet in de (schaarse) Nederlandse feitenrechtspraak.34.Dat klinkt logisch, maar het zal altijd afhangen van de omstandigheden van het concrete geval of dat inderdaad zo is.
4.15
Het Kirtruna-arrest (2008)35.heeft betrekking op een ontruimingsprocedure bij huur van bedrijfsruimte in een geval waarin de koper van winkels geen overeenstemming bereikte met de verhuurder van het pand waar die winkels zijn gevestigd. De Spaanse rechter overweegt dat toewijzing van het ontruimingsverzoek kan betekenen dat de verkrijger haar activiteiten moet staken, wat kan leiden tot beëindiging van de arbeidsovereenkomsten van de aldaar werkzame werknemers. Het Hof oordeelt dat de Richtlijn niet voorziet in de aantasting van rechten van derden die buiten de overgang van onderneming staan (hier: de eigenaren van de bedrijfsruimte). Verder overweegt het Hof onder meer:
“46. In omstandigheden zoals die van het hoofdgeding is de eventuele beëindiging van de arbeidsovereenkomsten niet alleen te wijten aan de overgang van onderneming. Zij wordt veroorzaakt door aanvullende omstandigheden, zoals de omstandigheid dat er tussen de verkrijger en de verhuurders geen overeenstemming bestaat over een nieuwe huurovereenkomst, de onmogelijkheid om een andere bedrijfsruimte te vinden of de onmogelijkheid om het personeel naar andere winkels over te brengen. Die omstandigheden kunnen als economische, technische of organisatorische redenen in de zin van artikel 4, lid 1, worden aangemerkt.”
4.16
Een langer tijdsverloop tussen overgang en ontslagaanvraag is aan de orde in het Colino Sigüenza-arrest (2018).36.De gemeentelijke muziekacademie (Músicos y Escuela) ontslaat haar voltallige personeel, onder andere na de weigering van de gemeente haar toezegging na te komen om in te staan voor een financieel tekort. Enkele maanden later gunt de gemeente het beheer van de muziekacademie aan een andere opdrachtnemer (In-pulso Musical) die dezelfde lokalen en muziekinstrumenten gebruikt. Werknemer Sigüenza meent dat hij door overgang van onderneming bij In-pulso Musical in dienst is getreden. Het Hof ziet ruimte voor toepassing van de eto-redenen:
“53 Of de overgang, in strijd met artikel 4, lid 1, van richtlijn 2001/23, de enige reden was voor het ontslag, moet worden bepaald op basis van de objectieve omstandigheden waarin het ontslag is gegeven (arrest van 15 juni 1988, Bork International e.a., 101/87, EU:C:1988:308, punt 18).
54 In dat verband is in de verwijzingsbeslissing uiteengezet dat het ontslag van Colino Sigüenza plaatsvond geruime tijd voordat de activiteit aan In‑pulso Musical werd overgedragen en dat die onderbreking van de arbeidsbetrekking het gevolg was van het feit dat Músicos y Escuela in de onmogelijkheid verkeerde om haar personeel uit te betalen (…). Die omstandigheden lijken dus te pleiten voor de stelling dat het personeel van Músicos y Escuela is ontslagen om „economische, technische of organisatorische redenen” in de zin van artikel 4, lid 1, van richtlijn 2001/23, mits evenwel de omstandigheden die tot het ontslag van alle werknemers hebben geleid en de tardieve aanwijzing van een nieuwe dienstverlener geen doelbewuste maatregelen zijn die ertoe strekken die werknemers de rechten te ontnemen die zij aan richtlijn 2001/23 ontlenen, wat door de verwijzende rechter dient te worden nagegaan.”
4.17
En tot slot het Plessers-arrest (2019):37.
“53 Vervolgens vormt overeenkomstig artikel 4, lid 1, van richtlijn 2001/23 de overgang van een onderneming op zichzelf voor de vervreemder of de verkrijger geen reden tot ontslag. Deze bepaling vormt evenwel geen beletsel voor ontslagen om economische, technische of organisatorische redenen die wijzigingen voor de werkgelegenheid met zich brengen.
54 Uit de bewoordingen van deze bepaling vloeit voort dat ontslagen in een context van de overgang van een onderneming moeten zijn ingegeven door economische, technische of organisatorische redenen op het gebied van de tewerkstelling die geen intrinsiek verband houden met deze overgang.
55 Zo heeft het Hof geoordeeld dat de omstandigheid dat er tussen de verkrijger en de verhuurders geen overeenstemming bestaat over een nieuwe huurovereenkomst, de onmogelijkheid om een andere bedrijfsruimte te vinden of de onmogelijkheid om het personeel naar andere winkels over te brengen economische, technische of organisatorische redenen in de zin van artikel 4, lid 1, van richtlijn 2001/23 kunnen vormen (zie in die zin arrest van 16 oktober 2008, Kirtruna en Vigano, C‑313/07, EU:C:2008:574, punt 46).”
4.18
In de onderstreepte passage in punt 54 wordt gesproken van ‘ontslagen in de context van de overgang van een onderneming’ (in de Engelse taalversie: “dismissals which occur in the context of the transfer of an undertaking”). Dit bevestigt dat het geven van ontslag op grond aan een eto-reden die samenhangt met de overgang van een onderneming, op zichzelf niet onmogelijk is omdat er dan naast de overgang een aanvullende ontslagreden is. In dat geval is er geen ‘intrinsiek verband’ met de overgang.
4.19
Een overgenomen onderneming of een deel daarvan zal veelal moeten worden geïntegreerd in de onderneming van de verkrijger. Dat kan tot gevolg hebben dat door doublures bepaalde werknemers overtollig worden.38.Het ontslag van werknemers vindt dan weliswaar zijn aanleiding in de overgang van de onderneming, in die zin dat zonder die overgang de overtolligheid niet zou zijn ontstaan, maar de grond voor het ontslag is de overtolligheid of boventalligheid van de betrokken werknemers en niet de overgang van onderneming op zichzelf. Dat is een reden naast de overgang op zichzelf en er is geen ‘intrinsiek verband’ tussen de overgang en het ontslag.39.Kortom, de rechtspraak van het Hof van Justitie sluit niet uit dat interne aangelegenheden van de verkrijger zijn aan te merken als eto-redenen en dat die zwaarder kunnen wegen dan de ontslagbescherming bij overgang van onderneming.
- Richtlijnconforme uitleg als verbinding tussen de a-grond en de eto-redenen
4.20
Deze zaak ziet niet op een faillissement, maar toch maak ik een klein zijstapje naar overgang van ondernemingen in faillissementssituaties.40.Ik wijs op het (herziene) wetsontwerp ‘Wovof-II’41.en de ontwerp memorie van toelichting daarbij. Daarin wordt als uitgangspunt gehanteerd dat de ontslaggrond bedrijfseconomische omstandigheden (de a-grond) kan worden gelijkgesteld met eto-redenen.42.Tegelijkertijd wordt onderkend dat het begrip ‘bedrijfseconomische omstandigheden’ richtlijnconform dient te worden uitgelegd. Bij de invulling daarvan dient acht te worden geslagen op de rechtspraak van het Hof van Justitie over eto-redenen, aldus de regering.43.
4.21
De gelijkstelling van (althans de afstemming tussen) de a-grond en de eto-redenen is in deze zaak een belangrijk thema (zie hierna, de bespreking van subonderdeel 1.1 van het middel). In de literatuur zijn de meningen over een gelijkstelling enigszins verdeeld. Zo schrijven De Weijs & Zwemmer dat het bij eto-redenen gaat om een ander, beperkter criterium dan bij de a-grond als redelijke grond voor ontslag.44.Schaink vermoedt dat bedrijfseconomische omstandigheden en eto-redenen elkaar voldoende overlappen, nu niet blijkt van saillante voorbeelden waaruit zou volgen dat de eto-toets strenger is.45.Bouwens meent dat bedrijfseconomische redenen vereenzelvigd mogen worden met de eto-redenen.46.Zo’n vereenzelviging is (wellicht praktisch, maar) volgens Van der Pijl juist aanvechtbaar.47.Duk meent dat eto-redenen meestal wel samenvallen met de a-grond, maar dat dit niet per definitie het geval is.48.Beltzer meent dat dat het onderscheid tussen de a-grond en eto-redenen inhoudelijk waarschijnlijk gering is, maar ziet wel verschillen in toetsingsintensiteit en acht het mogelijk dat een voldragen a-grond niet als eto-reden geldt.49.Dat de redenen op zichzelf dezelfde zijn, kan ook Zaal volgen, waaraan zij (terecht) toevoegt dat bij de toepassing van bedrijfseconomische redenen als uitzondering op het opzegverbod van art. 7:670 lid 8 BW het extra vereiste geldt dat zij niet (alleen) voortvloeien uit de overgang van onderneming.50.
4.22
Ik wees er al op dat de eto-redenen niet in de Nederlandse wet zijn geïmplementeerd, maar wel als onderdeel van het ontslagrecht worden erkend en toegepast. Om te voorkomen dat art. 4 lid 1, tweede zin, van de Richtlijn rechtstreeks wordt toegepast in de verhouding tussen werkgever en werknemer, wat in beginsel niet mogelijk is in de arbeidsrelatie met niet-publieke werkgevers, dienen zowel art. 7:669 lid 3, onder a, BW (a-grond) als art. 7:670 lid 8 BW (opzegverbod bij overgang van onderneming) conform die richtlijnbepaling te worden uitgelegd. De vraag is vervolgens wat een dergelijke richtlijnconforme uitleg inhoudt.
4.23
Naar mijn mening nodigt de onderhavige zaak er niet toe uit om te proberen die vraag in algemene zin te beantwoorden, omdat het antwoord op die vraag in hoge mate afhangt van de omstandigheden van het individuele geval en mogelijk ook welke van de eto-redenen relevant is. Waar het in deze zaak om gaat is of een werknemer met klein en nogal individueel takenpakket, die door overgang van onderneming in dienst is getreden van de verkrijgende werkgever, moet worden beschermd tegen ontslag indien dat precieze takenpakket binnen de organisatie van de verkrijger al zijn belegd op een wijze waarvoor de verkrijger vóór de overgang om redenen van doelmatigheid heeft gekozen en de werknemer ook niet in een andere functie is in te passen. In deze situatie meen ik dat de a-grond richtlijnconform kan worden uitgelegd, in die zin dat sprake is van een ‘organisatorische reden’ als bedoeld in art. 4 lid 1, tweede zin, van de Richtlijn. Op de a-grond kan dan rechtsgeldig beroep worden gedaan als redelijke grond voor ontslag, met als rechtsgevolg dat het opzegverbod van art. 7:670 lid 8 BW niet van toepassing is.
4.24
Ik vind dit in zijn algemeenheid ook een redelijke uitkomst. Mijns inziens moet een verzoek van een werknemer om in dienst van de verkrijger (grotendeels) dezelfde werkzaamheden te blijven verrichten als voordien in dienst van de vervreemder, zijn in te passen in de organisatie van de verkrijger. Als aan die werkzaamheden bij de verkrijger geen (of minder) behoefte bestaat, of die werkzaamheden wel worden verricht maar reeds zijn ondergebracht bij andere werknemer(s) in de organisatie, dan is er in beginsel een geldige eto-reden voor ontslag. Uitgangspunt dient te zijn dat de overgenomen werknemer in het plaatje van de organisatie van de verkrijger moet zijn in te passen. Van de verkrijger mag weliswaar worden verwacht dat hij zich serieus inspant om daarvoor te zorgen, mede gelet op het herplaatsingsvereiste (zie hierna), maar dat hoeft niet per definitie zo ver te gaan dat de organisatie zou moeten worden aangepast om die werknemer in staat te stellen dezelfde werkzaamheden in dezelfde arbeidstijd te blijven verrichten als voordien in dienst van de vervreemder.
4.25
In zo’n situatie doen zich strikt genomen weliswaar omstandigheden voor die zich (in beginsel) niet zouden voordoen indien de onderneming níet was overgedragen, maar die omstandigheden zijn niet toe te rekenen aan de overgang op zichzelf, maar aan het feit dat er in de onderneming van de verkrijger voor de betrokken werknemer geen, althans onvoldoende, werk is.51.Daartegen kan mijns inziens niet worden ingebracht dat er niettemin een ‘intrinsiek verband’ zou bestaan tussen het ontslagverzoek en de overgang als zodanig, gelet op de wijze waarop de verkrijger heeft besloten om bepaalde overgenomen activiteiten binnen haar organisatie te integreren.52.Juist die beslissing van de verkrijger ten aanzien van de wijze waarop overgenomen activiteiten het best zijn in te passen in zijn organisatie vereist een aanvullende afweging en beslissing, die is te onderscheiden van de overgang op zichzelf.53.Van de verkrijger kan mijns inziens in redelijkheid niet worden verwacht dat hij bepaalde overgenomen activiteiten op precies dezelfde wijze opneemt in zijn eigen organisatie, met mogelijke gevolgen voor andere werknemers vandien.
4.26
In het geval van overgang van onderneming dient de a-grond dus te worden uitgelegd in overeenstemming met de eto-redenen.
4.27
Daarmee ben ik aanbeland bij de bespreking van de klachten.
Bespreking van de cassatieklachten
4.28
Met onderdeel 1 bestrijdt [verzoekster] het oordeel van het hof dat het opzegverbod uit art. 7:670 lid 8 BW niet in de weg staat aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Het onderdeel omvat zes subonderdelen en richt zich tegen rov. 4.11-4.15 en 4.20-4.22.54.
4.29
Subonderdeel 1.1 bevat twee rechtsklachten.55.Ten eerste de klacht dat het hof in rov. 4.12 en 4.13 heeft miskend dat in gevallen waarin eto-redenen aan het ontslag ten grondslag worden gelegd, het voor de beantwoording van de vraag of het opzegverbod van art. 7:670 lid 8 BW van toepassing is, niet volstaat om te beoordelen of aan alle reguliere criteria voor een bedrijfseconomisch ontslag is voldaan. Ten tweede klaagt het middel dat het hof, bij de beantwoording van de vraag of het opzegverbod van toepassing is, niet alleen dient te toetsen of eto-redenen aan het ontslag ten grondslag liggen, maar ook dient te beoordelen (eventueel met toepassing van art. 25 Rv) of de door de werkgever aangevoerde eto-redenen geen intrinsiek verband houden met de overgang van onderneming. Het hof heeft dat onderdeel van de toets ten onrechte niet (kenbaar) in zijn beoordeling betrokken en daarmee blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
4.30
De eerste rechtsklacht faalt. Het hof komt in rov. 4.5-4.10 tot het oordeel dat het verval van de arbeidsplaats/functie van [verzoekster] noodzakelijk was wegens bedrijfseconomische redenen ten behoeve van een doelmatiger bedrijfsvoering. Vervolgens komt het hof in rov. 4.11-4.13 tot het oordeel dat het opzegverbod uit art. 7:670 lid 8 BW niet aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg staat. Het hof overweegt in rov. 4.12, met juistheid, dat genoemd verbod er niet aan in de weg staat dat de nieuwe werkgever in de situatie ná de overgang - en mede in verband daarmee - om eto-redenen besluit tot aanpassing (mede) van zijn personeelsbestand. Daarop laat het hof volgen: “Bij eto-redenen gelden voor overgenomen werknemers dan ook de criteria voor een ontslag zoals hiervoor aan de orde gesteld.” Anders dan de lezing die de eerste klacht kennelijk hanteert, moet deze overweging niet geïsoleerd worden gelezen, als zou voor toetsing aan de eto-redenen volgens het hof volstaan dat aan de voorwaarden van de a-grond is voldaan.
4.31
Zoals hiervoor toegelicht, moet ingevolge art. 4 lid 1, tweede zin, van de Richtlijn het verzoek om beëindiging van de arbeidsovereenkomst van een meegekomen werknemer zijn gebaseerd op (een of meer) eto-redenen en niet op de overgang van onderneming op zichzelf. Ik twijfel er niet aan dat het hof dat hier zo heeft bedoeld, al staat het er misschien wat summier. Ik baseer die lezing zowel op de zin die aan de in het vorige randnummer geciteerde zin uit rov. 4.12 voorafgaat, waar het hof verwijst naar de eto-redenen als grond voor het besluit van Roden Supermarkt tot aanpassing van haar personeelsbestand. Ik verwijs ook naar de zin die direct op de geciteerde zin uit rov. 4.12 volgt: “Naar mate het moment van aanpassing van het personeelsbestand dichter bij het moment van overgang ligt, mag wel van de werkgever worden verwacht dat in het bijzonder het ontbreken van een verband met de overgang van de onderneming toereikend wordt toegelicht.” Deze verwijzing naar het moment van en het verband met de overgang van onderneming maakt mijns inziens duidelijk dat het hof onder ogen heeft gezien dat omstandigheden die een a-grond opleveren niet per definitie eto-redenen zijn en dat het hof dan ook niet heeft bedoeld dat het voor toetsing aan en toepassing van eto-redenen zou volstaan te beoordelen of is voldaan aan de criteria van art. 7:669 lid 3, onder a, BW. Om die redenen meen ik dat het hof het onderscheid tussen eto-redenen en de a-grond niet heeft miskend.
4.32
Over de vraag in welke opzichten eto-redenen kunnen worden gelijkgesteld met de a-grond (dat er tussen beide een bepaalde overlap bestaat is duidelijk) valt in zijn algemeenheid zeker meer te zeggen, maar dat kan hier in het midden blijven. Het door het hof gegeven oordeel is in (en voor) deze zaak juist.
4.33
De tweede rechtsklacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft beoordeeld of de door de werkgever aangevoerde eto-redenen intrinsiek verband houden met de overgang van onderneming. Dat volgt met name uit de laatste zin van rov. 4.13:
“Werkgeefster heeft met een en ander naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk gemaakt dat de na de overgang van onderneming genomen beslissing om de door de ‘personeelsmedewerker / p&o verantwoordelijke’ verrichte werkzaamheden anders te organiseren en daaromtrent een andere werkwijze in te voeren, met als gevolg een verval van de functie van ‘personeelsmedewerker / p&o verantwoordelijke’, daarmee [d.w.z. de exploitatie die Maripaan voorstond; AG] in verband staat en niet getroffen wordt door het verbod van artikel 7:670 lid 8 BW.”
4.34
Subonderdeel 1.2 bevat een motiveringsklacht, voor het geval het oordeel van het hof geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Dat de door het hof weergegeven eto-redenen (kort gezegd: de functie van [verzoekster] paste niet in het systeem van exploitatie dat Maripaan voorstond en Roden Supermarkt mocht deze functie daarom laten vervallen) geen intrinsiek verband houden met de overgang van onderneming, valt zonder nadere motivering niet in te zien, aldus het subonderdeel.
4.35
De klacht faalt. Inderdaad was de aanpassing van de organisatie van de werkzaamheden van [verzoekster] alleen noodzakelijk doordat de supermarkt in Roden als gevolg van de overgang van onderneming onderdeel was geworden van Maripaan, die een eigen systeem van exploitatie voorstond. Het oordeel van het hof dat de eto-redenen geen intrinsiek verband houden met de overgang van onderneming vergde echter geen nadere motivering om begrijpelijk te zijn. Het subonderdeel berust op de onjuiste opvatting dat reeds sprake is van een ontoelaatbaar intrinsiek verband tussen de overgang van onderneming en het daaropvolgende ontslag wanneer zonder de overgang de bedrijfseconomische redenen zich niet zouden voordoen.
4.36
Subonderdeel 1.3 klaagt dat het hof ten aanzien van de vraag of het opzegverbod uit art. 7:670 lid 8 BW van toepassing is, op basis van de stellingen van [verzoekster], waar nodig moet toepassing van art. 25 Rv, had moeten onderzoeken of Roden Supermarkt intern en in groepsverband alle interne mogelijkheden “heeft uitgeput”. Door dit niet te doen heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Deze klacht richt zich tegen de rov. 4.12 en 4.13 (onder het kopje ‘Geen opzegverbod’) van de bestreden beschikking, en niet tegen rov. 4.14 e.v. (onder het kopje ‘Geen schending herplaatsingsplicht’).
4.37
Subonderdeel 1.4 klaagt in het verlengde dat het hof de omvang van de op de werkgever rustende verplichting te beperkt heeft uitgelegd, indien de bestreden beschikking aldus moet worden begrepen dat de beoordeling of Roden Supermarkt alle interne mogelijkheden heeft uitgeput besloten ligt in rov. 4.14 e.v., waar het hof oordeelt over de herplaatsingsplicht. Weliswaar is het hof in rov. 4.21 en 4.22 uitgegaan van het juiste rechtskader dat geldt bij de algemene toepassing van art. 7:669 lid 1 BW, maar gelet op de doelstelling om bij overgang van onderneming zoveel mogelijk een ongewijzigde voortzetting van de arbeidsovereenkomst met de verkrijger te verzekeren, heeft de werkgever in geval van een voorgenomen ontslag bij een overgang van onderneming een verdergaande verplichting dan die algemene inspanningsverplichting die voortvloeit uit art. 7:669 lid 1 BW. Ter onderbouwing van die stellingname verwijst het middel naar de toelichting bij het eerste Commissievoorstel voor de voorloper van de Richtlijn en naar het arrest Klarenberg/Ferrotron van het Hof van Justitie. Alleen als het ‘volstrekt niet mogelijk is’ de betrokken werknemer binnen de organisatiestructuur een functie aan te bieden, kan de arbeidsovereenkomst worden beëindigd.56.De conclusie dat na overgang van een onderneming de nieuwe werkgever alle overgekomen werknemers moet plaatsen “tenzij tewerkstelling van de werknemer volstrekt niet mogelijk is”57.zou volgen uit de doelstelling van art. 4 lid 1 van Richtlijn. Het subonderdeel bevat tot slot nog een rechtsklacht voor het geval de maatstaf inhoudelijk niet afwijkt van de algemene maatstaf van art. 7:669 lid 1 BW. In dat geval heeft het hof miskend dat het bij de beantwoording van de vraag wat in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van de werkgever kan worden gevergd, had moeten betrekken (al dan niet met toepassing van art. 25 Rv) dat het ontbindingsverzoek (mede) verband houdt met een overgang van onderneming.
4.38
Ik bespreek beide subonderdelen gezamenlijk. Daarbij stel ik voorop dat de vraag of de (nieuwe) werkgever voldoende inspanningen heeft geleverd om een overgenomen werknemer te herplaatsen een andere is dan de vraag of het verzochte ontslag in strijd is met het opzegverbod van art. 7:670 lid 8 BW. Er is strijd met het opzegverbod als ontslag wordt aangevraagd wegens de overgang op zichzelf. Voor zover het middel tot uitgangspunt neemt dat het verrichten van onvoldoende inspanningen erop zou wijzen dat het ontslag wegens de overgang wordt gegeven, gaat het uit van een onjuiste rechtsopvatting.
4.39
Art. 4 lid 1, eerste zin, van de Richtlijn en art. 7:670 lid 8 BW vermelden niet een inspanningsverplichting tot herplaatsing van elke werknemer. Dat de toelichting bij het eerste richtlijnvoorstel (met de passage dat de mogelijkheden voor tewerkstelling moeten zijn uitgeput) niet tot een ander oordeel leidt heb ik in het juridisch kader toegelicht (zie 4.11). Voorts heb ik toegelicht waarom in dit verband het arrest Klarenberg/Ferrotron geen betekenis toekomt (zie 4.25 en voetnoot 51).
4.40
Art. 7:669 lid 1 BW vermeldt wél een herplaatsingsverplichting, die ook geldt voor andere redelijke gronden van ontslag (en niet enkel voor de a-grond). Deze herplaatsingsverplichting is ook van toepassing als een ontslagverzoek wordt ingediend na de overgang van een onderneming. Daarin ligt een belangrijk stuk ontslagbescherming. Nu de a-grond moet worden uitgelegd in overeenstemming met de eto-redenen zal die herplaatsingsverplichting in de genoemde omstandigheden feitelijk ook gelden voor de eto-redenen. Een mooi voorbeeld dus van wisselwerking tussen het Unierecht en het nationaal recht.
4.41
Ook de subsidiaire klacht van subonderdeel 1.4 zie ik niet slagen. Voor de werkgever geldt een inspanningsverplichting: hij moet doen wat in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van hem kan worden verwacht, zoals het hof terecht overweegt in rov. 4.20, onder verwijzing naar de SIEP-beschikking van de Hoge Raad.58.Vanzelfsprekend kan het feit dat de voorgenomen beëindiging in enigerlei mate verband houdt met een overgang van onderneming gewicht in de schaal leggen bij de vraag of herplaatsing in de gegeven omstandigheden niet in de rede ligt. Uit het feit dat het hof deze omstandigheid niet noemt in rov. 4.14, 4.15 en 4.20-4.22, kan echter niet zonder meer worden afgeleid dat het hof dit zou hebben miskend.
4.42
Subonderdeel 1.5 bevat (overwegend) motiveringsklachten. Indien het hof in rov. 4.14, 4.15 en 4.20-4.22 geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, is het oordeel van het hof onbegrijpelijk, dan wel ontoereikend gemotiveerd om meerdere, op zichzelf staande en in onderlinge samenhang te beoordelen, redenen.
4.43
Alinea’s i) en ii) betreffen de functie van ‘medewerker medewerkersadministratie’; alinea’s iii) en iv) zien op de functie van HR-adviseur.
4.44
Onder i) constateert het subonderdeel dat het hof in rov. 4.21 oordeelt dat het verwijt van [verzoekster] dat Roden Supermarkt onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar herplaatsingsmogelijkheden mank gaat ten aanzien van de functie van ‘medewerker medewerkersadministratie’, omdat partijen deze functie in de maanden mei/juni 2023 uitvoerig hebben besproken. Geklaagd wordt dat het hof niet kenbaar bij zijn beoordeling heeft betrokken de stellingen van [verzoekster] dat – samengevat – de situatie ten tijde van de ontbindingsprocedure bij de kantonrechter niet meer hetzelfde was als in mei/juni 2023, dat uit de overgelegde e-mailcorrespondentie juist blijkt dat [verzoekster] flexibel was en in dat kader ook bereid was om opnieuw met haar andere werkgever in overleg te treden om aanwezig te zijn op bepaalde tijdstippen, en dat Roden Supermarkt dit had kunnen weten als zij met [verzoekster] het gesprek was aangegaan.59.
4.45
Onder ii) wordt geklaagd dat het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, voor zover het hof niet heeft onderzocht of Roden Supermarkt op terechte gronden heeft geconcludeerd dat tewerkstelling in de functie van ‘medewerker medewerkersadministratie’ (volstrekt) niet mogelijk was, dan wel in redelijkheid niet van haar kon worden gevergd. Voor zover het hof deze vraag wel heeft beoordeeld, wordt geklaagd dat dit oordeel onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd is. De steller van het middel wijst erop dat het enkele feit dat een functie tussen partijen is besproken nog niet betekent dat de werkgever de mogelijkheden voor plaatsing in die functie heeft uitgeput, en dat de gesprekken daarover (kort gezegd) zouden zijn stukgelopen op de werktijden op vrijdagmiddag (welke stelling het hof onbesproken heeft gelaten).60.
4.46
Onder iii) klaagt [verzoekster] dat het hof een aantal stellingen61.in rov. 4.22 niet kenbaar bij de beoordeling heeft betrokken, waardoor zijn oordeel onbegrijpelijk is. Genoemd wordt dat [verzoekster] in hoger beroep heeft gesteld dat Roden Supermarkt niet nader heeft onderzocht op welke wijze haar inzet in de functie van HR-adviseur – ondanks haar beperktere beschikbaarheid in uren – wel mogelijk kan worden gemaakt, dat [verzoekster] heeft gesteld dat zij flexibel is en ook bereid is met haar andere werkgever in overleg te treden over werktijden, dat [verzoekster] heeft gewezen op de eventuele mogelijkheid (die niet door Roden Supermarkt is onderzocht) van hybride werken en (deels) werken buiten de reguliere kantoortijden, dat meerdere werknemers op het hoofdkantoor van Maripaan functies vervullen voor slechts acht uur per week en dat om die reden niet kan worden gevolgd dat een beperkte beschikbaarheid in uren leidt tot onvoldoende kennis over het reilen en zeilen binnen de organisatie en/of (personele) ontwikkelingen.
4.47
Onder iv) wordt bestreden het oordeel van het hof in rov. 4.22 dat herplaatsing in de passende functie van HR-adviseur vanwege de beperkte beschikbaarheid van [verzoekster] niet in de rede ligt, gelet op de stellingen onder iii), de vaststelling van het hof in rov. 4.17 dat die functie beschikbaar en passend was, en de in subonderdeel 1.4 besproken vergaande verplichting van de werkgever om de interne mogelijkheden uit te putten.
4.48
De klachten onder i) en ii) falen. Het feitelijke oordeel van het hof acht ik voldoende begrijpelijk. De klacht onder ii) is gestoeld op de opvatting dat beëindiging van de arbeidsovereenkomst na een overgang van onderneming pas mogelijk zou zijn indien de werkgever “de mogelijkheden heeft uitgeput om de werknemer in de functie van ‘medewerker medewerkersadministratie’ tewerk te stellen”. Die opvatting is die onjuist (zie mijn bespreking van subonderdeel 1.3 en 1.4). Voorts zijn de stellingen onder i) ingenomen in het kader van de functie als HR-adviseur, zodat zij reeds om die reden geen nadere motivering vergden van het in de klacht bestreden oordeel.
4.49
De klachten onder iii) en iv) falen eveneens. Het hof komt in rov. 4.22 tot het oordeel dat herplaatsing in de functie van HR-adviseur in dit geval niet in de rede ligt (ook al is [verzoekster] op zich geschikt voor die functie, zie rov. 4.17), vanwege de beperkte beschikbaarheid in uren van [verzoekster]. Het hof motiveert dit oordeel uitvoerig. Het moge zo zijn dat [verzoekster] meent dat zij wél als HR-adviseur kan worden ingezet, ondanks haar beperkte beschikbaarheid, maar het hof maakt duidelijk dat acht uur per week nu eenmaal te beperkt is in het licht van de noodzaak om op de hoogte te blijven van de ontwikkelingen binnen de supermarkten (personeel, beleid, projecten), om relaties op te bouwen en te onderhouden met de supermarktmanagers en andere leidinggevenden, om voldoende beschikbaarheid te hebben om gesprekken in te plannen, en om voortvarend te (kunnen blijven) handelen bij incidenten omtrent werknemers. Het hof is kortom van oordeel dat in acht uur per week, ondanks de door [verzoekster] gestelde flexibiliteit, niet kan worden voldaan aan deze noodzakelijke onderdelen van de functie. Dat is bepaald niet onbegrijpelijk. Hieraan doet niet af dat enkele andere medewerkers op het servicekantoor ook acht uur per week werken, want dat betreft niet de functie van HR-adviseur maar andere functies waarbij genoemde noodzaak kennelijk niet aanwezig is. Wat betreft de verwijzing onder iv) naar de vereiste uitputting van mogelijkheden uit subonderdeel 1.4, volsta ik met te verwijzen naar mijn bespreking daarvan.
4.50
Subonderdeel 1.6 ten slotte betoogt dat de in rov. 4.22 gegeven motivering van het oordeel dat aan [verzoekster] niet de functie van HR-adviseur diende te worden aangeboden op gespannen voet zou staan met art. 2 lid 2, aanhef en onder a, van de Richtlijn, waarin is bepaald dat lidstaten werknemers niet van de werkingssfeer van de Richtlijn mogen uitsluitend, enkel op grond van het gewerkte aantal uren. [verzoekster] zou als gevolg van het (kleine) aantal door haar gewerkte uren worden uitgesloten van de bescherming die art. 4 lid 1 van de Richtlijn biedt.
4.51
De klacht faalt. Art. 2 lid 2 van de Richtlijn bepaalt onder meer dat de lidstaten van de werkingssfeer van de Richtlijn geen arbeidsovereenkomsten mogen uitzonderen enkel op grond van het aantal gewerkte of te werken uren. De Nederlandse wet doet dat niet, ook niet daar waar herplaatsingsinspanningen moeten worden beoordeeld in het licht van de concrete omstandigheden van het geval. Bij deze stand van zaken kan in het midden blijven of [verzoekster] zich tegenover Roden Supermarkt rechtstreeks op genoemde richtlijnbepaling kan beroepen.
4.52
Daarmee slaagt geen van de in onderdeel 1 aangevoerde klachten. Anders dan het middel aanvoert, is rechtens niet vereist dat de werkgever alle interne mogelijkheden tot plaatsing van die werknemer heeft uitgeput voordat deze op grond van eto-redenen de arbeidsovereenkomst van die werknemer kan beëindigen.
4.53
Onderdeel 2 wordt voorgesteld voor het geval het recht zó moet worden uitgelegd dat de uit art. 4 lid 1 van de Richtlijn voortvloeiende verplichting van de werkgever om alle interne mogelijkheden uit te putten, naar nationaal recht niet moet worden beoordeeld in het kader van art. 7:670 lid 8 BW, maar in het kader van art. 7:669 lid 1 BW.
4.54
Voor dat geval bevat subonderdeel 2.1 meerdere rechts- en motiveringsklachten, die erop neerkomen dat het hof in het kader de herplaatsingsplicht heeft nagelaten te beoordelen of de werkgever alle interne mogelijkheden heeft uitgeput en de verplichting van de werkgever aldus te beperkt heeft uitgelegd.
4.55
Voor dat geval klaagt subonderdeel 2.2 dat de bestreden beschikking blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van art. 2 lid 2 sub a van de Richtlijn om de redenen genoemd in subonderdeel 1.6, nu het hof in rov. 4.22 oordeelt dat herplaatsing in de beschikbare en op zichzelf passende functie van HR-adviseur niet in de rede ligt in verband met de beperkte beschikbaarheid van [verzoekster].
4.56
Het onderdeel faalt reeds omdat de voorwaarde waarvan het uitgaat niet is vervuld. Uit art. 4 lid 1 van de Richtlijn vloeit immers niet een verplichting voort om alle interne mogelijkheden uit te putten. Zie mijn bespreking van de subonderdelen 1.3 en 1.4.
4.57
Onderdeel 3 bevat diverse voortbouwklachten.
4.58
Deze voortbouwklachten falen in het kielzog van de onderdelen 1 en 2.
4.59
Tot slot bevat de procesinleiding nog een aanvullende opmerking (onder D), waarmee de Hoge Raad in overweging wordt gegeven om een aspect te verduidelijken dat in de cassatieprocedure niet aan de orde komt, met het oog op de eventuele procedure na vernietiging en verwijzing.62.
4.60
Deze kwestie laat ik onbesproken, indachtig de voorgestelde verwerping van het beroep.
5. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 20‑06‑2025
Ontleend aan de bestreden beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6464, rov. 3.1-3.10.
Roden Supermarkt B.V. valt onder Maripaan Groep B.V. Vóór de overname was [verzoekster] in dienst van Jumbo Roden B.V., kennelijk een vennootschap van [betrokkene 1] (zie productie D bij het verweerschrift in eerste aanleg).
Productie 10 bij inleidend verzoekschrift.
Zie de in de volgende voetnoot genoemde tussenbeschikking van de kantonrechter onder 1.1. Deze pleitnota’s bevinden zich niet in het procesdossier dat [verzoekster] in cassatie heeft overgelegd (het enige procesdossier, nu de werkgever niet is verschenen in de cassatieprocedure).
Ktr. Groningen 29 december 2023, zaak-/rekestnr. 10754603 AR VERZ 23-75 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).
Ktr. Groningen 22 februari 2024, zaak-/rekestnr. 10754603 AR VERZ 23-75 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).
Roden Supermarkt heeft hiermee het oog op de beslissing van de kantonrechter met betrekking tot het moment waarop de redelijke termijn voor herplaatsing is aangevangen (verweerschrift in hoger beroep, nrs. 5, 37 en 38).
Hof Arnhem-Leeuwarden 21 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6464, TRA 2025/5, m.nt. I. Zaal, RAR 2025/3.
Voetnoot 7 in origineel: De beroepsgronden 2 en 5 falen.
Voetnoot 9 in origineel: Beroepsgrond 4 faalt.
Voetnoot 11 in origineel: zie o.m. HR 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:64.
Richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen, Pb. 2001, L 82/16. Deze Richtlijn is sindsdien enkel gewijzigd m.b.t. zeevarenden, hier niet aan de orde (Richtlijn (EU) 2015/1794, Pb. 2015, L 263/1, art. 5).
Vaste rechtspraak. Zie bijv. HvJ 7 augustus 2018, C-472/16, ECLI:EU:C:2018:646, JAR 2018/225 m.nt. C.L. Waterman, TRA 2018/103 m.nt. H.H. Voogsgeerd (Colino Sigüenza), punt 48, met verwijzingen naar HvJ 17 december 1987, C-287/86, ECLI:EU:C:1987:573, NJ 1989/674 (Ny Mølle Kro), punt 25, HvJ 26 mei 2005, C-478/03, ECLI:EU:C:2005:321, NJ 2006/27 m.nt. M.R. Mok, JAR 2005/205 m.nt. R.M. Beltzer, Ondernemingsrecht 2005/198 m.nt. A. Gremmen (Celtec), punt 26, HvJ 27 november 2008, C-396/07, ECLI:EU:C:2008:656NJ 2009/134, JAR 2009/20 m.nt. E. Knipschild, TRA 2009/40 m.nt. A.G. Veldman (Juuri), punt 28 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
Zie o.a. HvJ 24 juni 2021, C-550/19, ECLI:EU:C:2021:514, JIN 2021/115 m.nt. S. Palm (Obras y Servicios Públicos en Acciona Agua), punt 103, en HvJ 26 maart 2020, C-344/18, EU:C:2020:239, JAR 2020/110 m.nt. M.L.G. Otto, TRA 2020/58 m.nt. N. Gundt (ISS/Govaerts), punt 26.
Zie HvJ 27 april 2017, C-680/15 en C-681/15, ECLI:EU:C:2017:317, NJ 2019/258, JAR 2017/152 m.nt. R.M. Beltzer & B.C.L. Kanen, TRA 2017/77 m.nt. H.H. Voogsgeerd (Asklepios), in het kader van een ‘dynamisch contractueel beding’.
Zie A-G Hartlief in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2024:41) voor HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1068, TRA 2024/81 m.nt. D.J. Buijs, TAC 2024/3 m.nt. N. Jansen (FNV/ID Logistics), nrs. 3.43-3.50.
Dat het opzegverbod per abuis nog verwijst naar art. 7:662 lid 2onder a BW hangt samen met de hernummering na het schrappen van het voormalige lid 1 in verband met de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (Stb. 2017/123; Stb. 2019/173; Stb. 2019/385) per 1 januari 2020.
Zie Kamerstukken II 1979/80, 15 940, nr. 3, p. 8, waarin de regering in het kader van de implementatie van Richtlijn 77/187/EEG opmerkt dat art. 4 Richtlijn (in zijn geheel) geen nadere uitwerking in het wetsontwerp behoeft, omdat het enkele feit van de overgang niet mag worden beschouwd als gewichtige reden voor ontbinden of als grond voor toestemming tot opzegging (zie ook de brief van de Minister van SZW aan de Tweede Kamer: Kamerstukken II 1980/81, 15 940, nr. 13, p. 2). Dat argument kon m.i. alleen opgaan voor de eerste zin van art. 4 lid 1 Richtlijn. Na verloop van tijd achtte de regering het juister om art. 4 Richtlijn wél uitdrukkelijk te implementeren, wat per 1 juli 2002 heeft geleid tot invoering van het opzegverbod van art. 7:670 lid 8 BW (zie Kamerstukken II 2000/01, 27 469, nr. 3, p. 15). Dat betrof dus nog steeds alleen de eerste zin. De memorie van toelichting verklaart niet de afwezigheid van implementatie van de uitzondering van eto-redenen (aldus ook J.H. Even, 'Ontslagbescherming bij overgang van onderneming', in: Het reorganiserend vermogen van het arbeidsrecht in beweging, Den Haag: Sdu 2017, par. 2.1, p. 40).
Zie bijv. R.M. Beltzer, Overgang van onderneming, Amsterdam: COREL 2023, par. 6.3.1, p. 210-211, J.H. Even, o.c. vorige voetnoot, par. 2.1, p. 42, en I.A. Haanappel-van der Burg, Grensoverschrijdende overgang van onderneming vanuit rechtsvergelijkend en conflictenrechtelijk perspectief (diss. Amsterdam, UvA) (MSR nr. 69), Deventer: Wolters Kluwer 2015, par. 9.2.7, p. 283-284.
Zie bijv. I.A. Haanappel-van der Burg, in: T&C BW, aant. 8 bij art. 7:663 BW (online, bijgewerkt t/m 1 maart 2025), en C.P. Robben, in: Arbeidsovereenkomst, aant. 7.4 bij art. 7:663 BW (online, bijgewerkt t/m 11 juli 2023) met verwijzingen aldaar, waaraan sindsdien o.a. valt toe te voegen R.M. Beltzer, o.c. vorige voetnoot, par. 6.2-6.4, en E.M. Hoogeveen & I. Lintsen, ‘Overgang van onderneming’, in: L.G. Verburg (red.), Arbeidsrechtelijke aspecten van reorganisatie (MSR nr. 31), Deventer: Wolters Kluwer 2025, par. 5.7.2.
Commissie van de Europese Gemeenschappen, Brussel 25 juli 1975, COM(75)429 def., en Commissie van de Europese Gemeenschappen, Brussel 29 mei 1974, COM(74)351 def/2. Zie bijv. ook de noot van I. Zaal bij de bestreden beschikking in TRA 2025/5, par. 6, waarin zij onder verwijzing naar de toelichting schrijft dat een beroep op eto-redenen alleen mogelijk is indien de herplaatsingsmogelijkheden zijn uitgeput. Zie over deze toelichting van de Europese Commissie ook de procesinleiding, nrs. 23-24 en 33-34.
In plaats van genoemde ‘dwingende interne vereisten’ spreekt de Richtlijn dus van eto-redenen. De reden hiervoor is dat de aanvankelijk voorgestelde tekst teveel ruimte voor interpretatie zou hebben gelaten (zie bijv. J.H. Even, o.c. voetnoot 20, par. 1.1, p. 29; R.M. Beltzer, o.c. voetnoot 21, par. 6.2.1, p. 203-205). Niet is echter uitgesloten dat zich bij de eto-redenen vergelijkbare verschillen in interpretatie voordoen. In die zin: R.M. Beltzer & B.C.L. Kanen, 'Ontslag en wijziging van arbeidsvoorwaarden na overgang: no hay mayor dificultad quela poca voluntad', ArA 2019/3, par. 3.1, p. 75, noot 30.
Andere taalversies: ‘shall not in itself constitute’; ‘ne constitue pas en lui-même’; ‘stellt als solcher.’
Zie ook HR 29 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1943, NJ 1996/418, m.nt. P.A. Stein (Buyck/Van den Ameele), rov. 3.4, waarin de Hoge Raad acht slaat op art. 4 lid 1 van (de voorganger van) de Richtlijn, hoewel het ontslagverbod destijds niet was gecodificeerd in de Nederlandse wet (zoals hiervoor aan bod kwam).
Zo ook J.H. Even, o.c. voetnoot 20, par. 1.3(d), p. 37.
Zie reeds HvJ 15 juni 1988, C-101/87, ECLI:EU:C:1988:308, NJ 1990/247(Bork), punt 18; herhaald in o.a. HvJ 7 augustus 2018, C-472/16, ECLI:EU:C:2018:646, JAR 2018/225 m.nt. C.L. Waterman, TRA 2018/103 m.nt. H.H. Voogsgeerd (Colino Sigüenza), punt 53.
HvJ 16 oktober 2008, C-313/07, ECLI:EU:C:2008:574, JAR 2008/295 (Kirtruna en Vigano), punt 46.
HvJ 22 juni 2017, C-126/16, ECLI:EU:C:2017:489, NJ 2017/369 m.nt. F.M.J. Verstijlen, punt 39.
Zie: J.H. Even, o.c. voetnoot 20, par. 1.3(a), p. 35 en R.M. Beltzer, o.c. voetnoot 21, par. 6.3, p. 207.
Vgl. HvJ 16 mei 2019, C-509/17, ECLI:EU:C:2019:424 (Plessers), punt 56-59; zie ook F.M.J. Verstijlen in zijn noot bij deze uitspraak in NJ 2020/89.
HvJ 15 juni 1988, C-101/87, ECLI:EU:C:1988:308, NJ 1990/247 (Bork).
I. Zaal, ‘De (on)mogelijkheid van ontslag en wijziging bij een pre-pack overgang’, TvI 2018/5, par. 3.3.
HvJ EG 16 oktober 2008, C-313/07, ECLI:EU:C:2008:574, JAR 2008/295 (Kirtruna en Vigano).
HvJ EU 7 augustus 2018, C-472/16, ECLI:EU:C:2018:646, RvdW 2018/1263, JAR 2018/225, m.nt. C.L. Waterman, TRA 2018/103, m.nt. H.H. Voogsgeerd (Colino Sigüenza).
HvJ EU 16 mei 2019, C-509/17, ECLI:EU:C:2019:424, NJ 2020/89, m.nt. F.M.J. Verstijlen, TRA 2019/90, m.nt. H.H. Voogsgeerd, JOR 2019/210, m.nt. I. Spinath (Plessers).
Zie bijv. J.H. Even, o.c. voetnoot 20, par. 3(d), p. 48-51.
Vgl. ook R.M. Beltzer, o.c. voetnoot 21, par. 6.3.1, p. 211, dat “rationalisatie” meebrengt dat men niet dubbelfuncties behoeft te laten bestaan.
Ingevolge art. 7:666 onder a BW is de ontslagbescherming bij overgang van onderneming dan onder voorwaarden niet van toepassing. Over de vraag of een prepack onder de faillissementsuitzondering valt gaan HvJ 22 juni 2017, C-126/16, ECLI:EU:C:2017:489, NJ 2017/369 m.nt. F.M.J. Verstijlen, JOR 2017/217 m.nt. L.G. Verburg, TRA 2017/95 m.nt. M. Kullmann, JAR 2017/189 m.nt. E. Loesberg (Smallsteps) en HvJ 28 april 2022, C-237/20, ECLI:EU:C:2022:321 (FNV/Heiploeg). Zie verder o.a. mijn conclusies in de zaken FNV/Vleems (ECLI:NL:PHR:2021:1114) en FNV/Heiploeg (ECLI:NL:PHR:2019:1237 en PHR:2023:368). Zie sindsdien en eveneens met verdere verwijzingen, bijv. J.T. Jol, K.A Messelink & R.H.W.A. Verhoeven, ‘De positie van werknemers bij doorstarts vanuit faillissement’, in: Het belang van Van Galen (Liber Amicorum), Den Haag: Boom 2025, p. 137-167, en P.R.W. Schaink Arbeidsovereenkomst en insolventierecht (R&P nr. InsR4), Deventer: Wolters Kluwer 2024, hoofdstuk 11, p. 165-210.
KetenID 9361, zie https://www.internetconsultatie.nl/positie_werknemers_in_faillissement/b1 (laatstelijk geraadpleegd op 12 juni 2025). De internetconsulatie heeft in 2024 plaatsgevonden. Zie voor een greep uit de consultatiereacties: P.R.W. Schaink, ‘Who is afraid of de Wovof?’, FIP 2025/57.
Concept-MvT bij Wetsontwerp Wovof-II, p. 9-11.
Concept-MvT bij Wetsontwerp Wovof-II, p. 11.
R.J. de Weijs & J.P.H. Zwemmer, ‘Wovof II als pleister naast de zere plek. Het fundamentele onderscheid tussen pre-packs met zittende aandeelhouders en met externe partijen’, TvI 2024/20, par. 2, noot 19.
P.R.W. Schaink, ‘Who is afraid of de Wovof?’, FIP 2025/57, p. 20. Zie ook N. Jansen, 'Overgang, ontslag en wijziging in de greep van de rechtspraak (deel 1: ontslag)', ArbeidsRecht 2019/3, par. 3.1, die meent dat de bedrijfseconomische redenen uit art. 7:669 lid 3 sub a BW kunnen worden aangemerkt als nationale uitwerking van het Europeesrechtelijke begrip eto-redenen.
W.H.A.C.M. Bouwens, ‘Het voorontwerp Wof en het ontslagverbod van artikel 4 Richtlijn 2001/23/EG’, in: Ph.W. Schreurs e.a. (red.), De Curator en het Faillissements(proces)recht (Insolad Jaarboek 2020), Deventer: Wolters Kluwer 2020, hfst. 18, par. 5, p. 334-335. Een vergelijkbaar standpunt is te vinden in L.G. Verburg, ‘Kanttekeningen bij het voorontwerp Wet overgang van onderneming in faillissement’, nr. 10, p. 343, in dezelfde bundel.
Zie het slot van de noot van J.N. van der Pijl bij het Plessers-arrest in JAR 2019/170.
R.A.A. Duk, ‘‘A giant step for mankind’? Hm…’, TAC 2019, nr. 2/3, p. 29. Zie bijv. ook J. Boot & J. Ipenburg, ‘Wet overgang van onderneming in faillissement: wat heeft de werknemer eraan?’, TvO 2020/1, par. 3.3, p. 13, dat eto-redenen een strikter begrip zijn dan de a-grond.
Zie R.M. Beltzer, ‘De LAT-relatie tussen ETO- en bedrijfseconomische redenen’, TRA 2010/77. Aldaar wordt o.a. erop gewezen dat het bestaan van eto-redenen een andere achtergrond heeft dan de bedrijfseconomische redenen voor ontslag, en dat de bescherming van werknemers bij overgang van onderneming behoorlijk zou worden uitgehold indien ook daar zou worden uitgegaan van de reguliere ‘managerial prerogative’ van de werkgever bij bedrijfseconomische redenen voor ontslag.
Zie de noot van I. Zaal bij de bestreden beschikking in TRA 2025/5, par. 4.
De procesinleiding verwijst in nr. 34 naar HvJEU 12 februari 2009, C-466/07, ECLI:EU:C:2009:85 (Klarenberg/Ferrotron). In die zaak wilde de betrokken werknemer ook zijn plaats behouden in de nieuwe organisatie. De prejudiciële vraag die aan het Hof van Justitie was voorgelegd had echter geen betrekking op de uitleg van art. 4 lid 1 van de Richtlijn, maar op de vraag of sprake was van overgang van onderneming in de zin van art. 1 lid 1, sub a en sub b, in een situatie waarin het overgedragen onderdeel van de onderneming niet als organisatorische eenheid bleef bestaan, maar er wel functionele banden waren tussen de verschillende overgegane productiefactoren om dezelfde of een soortgelijke economische activiteit voort te zetten. Dat is duidelijk een andere problematiek dan hier aan de orde is, nu dit arrest niet in de sleutel staat van de ontslagbescherming op grond van art. 4 lid 1 van de Richtlijn.
Vgl. in die zin de procesinleiding, nr. 30.
Vgl. bijv. J.H. Even, o.c. voetnoot 20, par. 3(d), p. 48: “Uit niets valt af te leiden dat een ontslag dat mede met de overgang van onderneming heeft te maken niet voor inwilliging in aanmerking kan komen. Sterker, in artikel 4 lid 1 Richtlijn, alsmede in de hier behandelde uitspraken van het HvJ, komt naar voren dat als het ontslag niet alleen is gebaseerd op de overgang van onderneming, maar ook op andere gronden, dat ontslag zeer wel door de beugel kan. Die andere gronden moeten dan wel eto-gronden zijn.”
Anders dan wordt aangekondigd in procesinleiding, nr. 36, maar dat terzijde.
Procesinleiding, nr. 38. In nr. 37 constateert de steller van het middel dat het hof in rov. 4.12 voorop heeft gesteld dat het opzegverbod als bedoeld in art. 7:670 lid 8 BW er niet aan in de weg staat dat de nieuwe werkgever in de situatie na de overgang – en: mede in verband daarmee – om eto-redenen besluit tot aanpassing (mede) van zijn personeelsbestand, waarbij voor overgenomen werknemers dan ook de criteria voor een ontslag gelden zoals eerder in de bestreden beschikking aan de orde gesteld (zie rov. 4.5-4.10, waarin is getoetst aan de reguliere criteria voor ontslag op de a-grond), welke toets het hof vervolgens in rov. 4.13 ook toepast.
Procesinleiding nrs. 41-44.
Procesinleiding nr. 45
HR 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:64, NJ 2019/56, JAR 2019/54 m.nt. H.H.M.A. Foesenek, TRA 2019/49 m.nt. J.J.M. de Laat (SIEP), rov. 3.4.2.
Procesinleiding, nr. 48 onder i) verwijst naar de akte van [verzoekster] in eerste aanleg van 26 januari 2024, nr. 19, en naar haar beroepschrift, nr. 37.
Procesinleiding, nr. 48 onder ii) verwijst naar de pleitaantekeningen zijdens [verzoekster] in hoger beroep, nr. 17, en naar het p-v van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 3.
Procesinleiding, nr. 48 onder iii) verwijst naar het beroepsschrift, nrs. 37, 39 en 41.
Het gaat hier om de vraag of het verwijzingshof – indien het opzegverbod aan ontbinding in de weg zou staan – de mogelijkheid heeft om een billijke vergoeding toe te kennen aan [verzoekster], of dat een redelijke wetsuitleg meebrengt dat een ontbinding in strijd met het opzegverbod van art. 7:670 lid 8 BW zoveel als mogelijk teniet moet worden gedaan. Dat laatste zou volgens de steller van het middel betekenen dat het verwijzingshof de arbeidsovereenkomst (met terugwerkende kracht tot de datum van ontbinding) dient te herstellen.
Beroepschrift 02‑12‑2024
PROCESINLEIDING VERZOEKPROCEDURE BIJ DE HOGE RAAD
Verzoekster in cassatie is mevrouw [verzoekster] (hierna: ‘[verzoekster]’), wonende te ([postcode]) [woonplaats] aan het adres [adres], in deze zaak woonplaats kiezende te (1083 HJ) Amsterdam aan het adres De Boelelaan 28 ten kantore van Boontje Advocaten & Mediators, van welk kantoor advocaat bij de Hoge Raad mr. B. Schouten haar zal vertegenwoordigen in deze cassatieprocedure;
Verweerster in cassatie is de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Roden Supermarkt B.V. (hierna: ‘Roden Supermarkt’), gevestigd en kantoorhoudende te (9301 AX) Roden aan het adres Westerbaan 1, voor wie in hoger beroep als advocaat optrad mr. D. Kuijken, kantoorhoudende te (9701 BC) Groningen aan het adres Springerlaan 9E, ten kantore van PlasBossinade Advocaten N.V.;
[verzoekster] stelt beroep in cassatie in tegen de beschikking van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 oktober 2024, gewezen onder zaaknummer 200.341.554/01, hierna: ‘de bestreden beschikking’;
[verzoekster] voert tegen de bestreden beschikking het volgende middel van cassatie aan:
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt, doordat het hof heeft geoordeeld als vermeld in de bestreden beschikking, zulks ten onrechte om de navolgende, mede in onderling verband en samenhang in aanmerking te nemen redenen.
A. Inleiding
1.
[verzoekster] is op 1 juni 1994 in dienst getreden bij de rechtsvoorganger van Roden Supermarkt. Tot de datum waarop de kantonrechter de arbeidsovereenkomst heeft ontbonden, had zij bij deze supermarkt een dienstverband van bijna 30 jaar. Laatstelijk werkte [verzoekster] bij Roden Supermarkt in de functie van ‘personeelsmedewerker/p&o verantwoordelijke’. In deze functie verrichtte [verzoekster] vooral administratieve werkzaamheden, zoals de verzuimregistratie en de contracthuishouding binnen de onderneming.
2.
Tot 15 mei 2023 was [verzoekster] in dienst van de vennootschap van de heer [betrokkene 1]. Deze vennootschap heeft de onderneming verkocht aan Jumbo Nederland B.V., die de onderneming direct heeft doorverkocht aan Maripaan Groep B.V., een franchisenemer van Jumbo Nederland B.V. Als gevolg van deze transacties is [verzoekster] per 15 mei 2023 op grond van een overgang van onderneming als bedoeld in art. 7:662 e.v. BW van rechtswege in dienst getreden van Roden Supermarkt.
3.
Roden Supermarkt maakt aldus onderdeel uit van het concern van Maripaan Groep B.V. (hierna: ‘Maripaan’). Anders dan gebruikelijk was bij de onderneming van de heer [betrokkene 1] worden administratieve werkzaamheden, zoals de verzuimregistratie en de contracthuishouding, voor de gehele groep door het servicekantoor van Maripaan verricht. De werkzaamheden die [verzoekster] verrichtte in haar functie van ‘personeelsmedewerker/p&o verantwoordelijke’ waren volgens Maripaan vergelijkbaar met de functie van ‘medewerker medewerkersadministratie’ op het service kantoor van Maripaan (productie 8 bij verzoekschrift in eerste aanleg). Vanaf 17 mei 2023 zijn met [verzoekster] ook gesprekken gevoerd over de invulling van de functie ‘medewerker medewerkersadministratie’ op het servicekantoor van Maripaan.
4.
Op 5 juni 2023 heeft Roden Supermarkt de conclusie getrokken dat de arbeidsovereenkomst tussen Roden Supermarkt en [verzoekster] zou moeten worden beëindigd. Toen partijen geen beëindigingsovereenkomst konden sluiten, heeft Roden Supermarkt het UWV verzocht toestemming te verlenen de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Het UWV heeft deze toestemming in de beslissing van 5 september 2023 onthouden, samengevat omdat Roden Supermarkt onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat binnen Maripaan geen functie voorkomt met een vergelijkbare functie-inhoud als de functie van [verzoekster].
Verloop van het geding
5.
Hierop heeft Roden Supermarkt de kantonrechter bij verzoekschrift van 17 oktober 2023 verzocht de arbeidsovereenkomst tussen haar en [verzoekster] te ontbinden wegens bedrijfseconomische redenen als bedoeld in art. 7:669 lid 3, aanhef en onder a, BW. Bij beschikking van 22 februari 2024 heeft de kantonrechter het ontbindingsverzoek van Roden Supermarkt toegewezen, op grond waarvan de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 april 2024 is ontbonden.
6.
Met het beroepschrift van 17 mei 2024 is [verzoekster] van deze beschikking in hoger beroep gekomen. In hoger beroep heeft [verzoekster] zich op het standpunt gesteld dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen ten onrechte heeft ontbonden. Bij wijze van primair verzoek heeft [verzoekster] het hof verzocht de arbeidsovereenkomst tussen partijen zelf te herstellen op grond van art. 7:683 lid 3 BW en de datum van herstel te bepalen op 1 april 2024, althans een door het hof in goede justitie te bepalen datum. Tevens heeft [verzoekster] het hof samengevat verzocht Roden Supermarkt te veroordelen tot wedertewerktstelling, betaling van het salaris, inclusief emolumenten, vanaf de datum van herstel, te vermeerderen met wettelijke verhoging en wettelijke rente en waar nodig een voorziening te treffen als bedoeld in art. 7:683 lid 4 BW jo. 7:682 lid 6 BW. Bij wijze van subsidiair verzoek heeft [verzoekster] het hof verzocht haar ten laste van Roden Supermarkt een billijke vergoeding toe te kennen. In de bestreden beschikking heeft het hof het beroep van [verzoekster] verworpen en de uitspraak van de kantonrechter bekrachtigd.
Bestreden oordelen
7.
Het onderhavige beroep in cassatie richt zich tegen twee oordelen van het hof in de bestreden beschikking, namelijk (i) het oordeel in rov. 4.11 e.v. dat het opzegverbod van art. 7:670 lid 8 BW niet aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg staat en (ii) het oordeel in rov. 4.14 e.v. dat Roden Supermarkt aan haar herplaatsingsplicht heeft voldaan als bedoeld in art. 7:669 lid 1 BW.
8.
[verzoekster] heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst in eerste aanleg ten onrechte heeft ontbonden, omdat het opzegverbod bedoeld in art. 7:670 lid 8 BW aan ontbinding in de weg stond. Artikel 7:670 lid 8 BW bepaalt dat de werkgever de arbeidsovereenkomst niet kan opzeggen wegens een overgang van onderneming als bedoeld in art. 7:662 lid 1, aanhef en onder a, BW. Het hof heeft over het standpunt van [verzoekster] in rovv. 4.12 en 4.13, in samenhang met rov. 4.9, van de bestreden beschikking samengevat het volgende geoordeeld:
- i)
Het opzegverbod bedoeld in art. 7:670 lid 8 BW staat er niet aan in de weg dat de verkrijger na — en mede in verband met — een overgang van onderneming om economische, technische of organisatorische redenen (hierna: ‘eto-redenen’) besluit tot aanpassing (mede) van zijn personeelsbestand (rov. 4.12).
- ii)
Als sprake is van eto-redenen geldt voor overgenomen werknemers het reguliere toetsingskader voor ontslag wegens bedrijfseconomische redenen (‘de criteria voor ontslag zoals hiervoor aan de orde gesteld’) (rov. 4.12).
- iii)
Van de werkgever mag naar mate het moment van aanpassing van het personeelsbestand dichter bij het moment van de overgang ligt, wel worden verwacht dat in het bijzonder het ontbreken van een verband met de overgang van onderneming wordt toegelicht (rov. 4.12).
- iv)
De door Roden Supermarkt aangevoerde eto-redenen zijn in dit geval de volgende (rov. 4.13, in samenhang met rov. 4.9):
- —
Roden Supermarkt heeft geconstateerd dat de functie van ‘personeelsmedewerker/p&o verantwoordelijke’ bij de andere door Maripaan geëxploiteerde supermarkten niet voorkomt (rov. 4.13);
- —
De functie van ‘personeelsmedewerker/p&o verantwoordelijke’ paste niet binnen het systeem van exploitatie en de functie was in die vorm (als ondersteuner van de manager van de supermarkt) volgens Roden Supermarkt overbodig (rov. 4.13);
- —
Maripaan staat een exploitatie voor waarbij de administratieve verwerking van personeelsgegevens en veranderingen daarin centraal op het niveau van het servicekantoor worden uitgevoerd en de andere (feitelijke) werkzaamheden (weer) bij de supermarktmanager en de (assistent)teamleiders zouden worden ondergebracht (rov. 4.13);
- —
Voldoende aannemelijk is geworden dat de administratieve verwerking van veranderingen in het personeelsbestand via en door het servicekantoor van Maripaan doelmatig is en leidt tot efficiencyvoordelen (rov. 4.9);
- —
Deze werkzaamheden zijn na mei 2023 door [verzoekster] overgedragen aan het servicekantoor van Maripaan (rov. 4.9).
- v)
Roden Supermarkt heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de beslissing om de functie van ‘personeelsmedewerker/p&o verantwoordelijke’ te laten vervallen in verband staat met deze eto-redenen en niet wordt getroffen door het verbod van artikel 7:670 lid 8 BW.
9.
[verzoekster] heeft zich in hoger beroep bovendien op het standpunt gesteld dat Roden Supermarkt niet aan haar herplaatsingsplicht op grond van art. 7:669 lid 1 BW heeft voldaan. In dat verband heeft het hof in rovv. 4.17 en 4.20 t/m 4.22 van de bestreden beschikking samengevat het volgende geoordeeld:
- i)
Een werkgever moet de mogelijkheid van herplaatsing, al dan niet na scholing, serieus onderzoeken, waarbij het erom gaat wat in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van de werkgever kan worden gevergd (rov. 4.20);
- ii)
[verzoekster] heeft in dit verband gewezen op de functies van ‘medewerker medewerkersadministratie’ en de functie van ‘HR-adviseur’ (rov. 4.21);
- iii)
De functie van ‘medewerker medewerkersadministratie’ is in mei/juni 2023 door partijen besproken zodat het verwijt dat Roden Supermarkt onvoldoende onderzoek naar herplaatsingsmogelijkheden heeft gedaan en vooral in onmogelijkheden heeft gedacht mank gaat (rov. 4.21);
- iv)
De functie van HR-adviseur, waarvoor mevrouw [verzoekster] op zich geschikt was, is relevant in verband met een mogelijke herplaatsing, omdat die beschikbaar kwam binnen de ‘redelijke termijn’ waarbinnen de mogelijkheid van herplaatsing moet worden onderzocht (rov. 4.17);
- v)
Plaatsing in de functie van HR-adviseur ligt niet in de rede vanwege de beperkte beschikbaarheid van [verzoekster], daarbij wijzend op de onmogelijkheid om op de hoogte te blijven van ontwikkelingen, de noodzaak om een relatie op te bouwen met de managers, de beperkte beschikbaarheid om gesprekken in te plannen en de voortvarendheid waarmee moet worden gehandeld, alsook de inefficiëntie die gepaard gaat met de noodzaak om steeds werkzaamheden over te dragen (rov. 4.22);
- vi)
Dat [verzoekster] voor de overgang voor één supermarkt voor 8 uur per week personeelsgerelateerde werkzaamheden verrichtte, doet hieraan niet af, omdat de situaties niet vergelijkbaar zijn (rov. 4.22).
10.
Deze oordelen zullen met de navolgende klachten worden bestreden. Hierna volgen eerst enkele inleidende opmerkingen over het toepasselijke juridische kader, waarop in de toelichting op de cassatieklachten zal worden teruggegrepen.
B. Betoog ten aanzien van het juridisch kader
11.
De regels die gelden bij een overgang van onderneming zijn afkomstig uit Richtlijn 2001/23/EG (hierna: ‘de Richtlijn’) en geïmplementeerd in art. 7:662 e.v. BW. Op basis van vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie is het doel van de regels bij overgang van onderneming om bij een dergelijke overgang zo veel mogelijk een ongewijzigde voortzetting van de arbeidsovereenkomst met de verkrijger te verzekeren, om te voorkomen dat de betrokken werknemers uitsluitend ten gevolge van deze overgang in een minder gunstige positie komen te verkeren.1. Om dat te realiseren moet het niet mogelijk zijn voor de vervreemder en de verkrijger om de arbeidsovereenkomst vanwege de overgang van onderneming te beëindigen.
12.
In artikel 4 lid 1 van de Richtlijn is daarom het volgende bepaald:
‘De overgang van de onderneming, vestiging of onderdeel van de onderneming of vestiging vormt op zichzelf voor de vervreemder of de verkrijger geen reden tot ontslag. Deze bepaling vormt geen beletsel voor ontslagen om economische, technische of organisatorische redenen die wijzigingen voor de werkgelegenheid met zich brengen.’
Dit ontslagverbod is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in het opzegverbod van art. 7:670 lid 8 BW. De implementatie is onvolledig, omdat de uitzondering op het ontslagverbod bij eto-redenen niet in de wettekst is opgenomen. Richtlijnconforme interpretatie van het opzegverbod brengt evenwel mee dat deze uitzondering ook op Nederlandse situaties van toepassing is.
De uitzondering bij ‘eto-redenen’
13.
De uitzondering op het ontslagverbod bij eto-redenen geldt tegen de achtergrond van het feit dat de Richtlijn niet uitsluitend de belangen van de werknemers beschermt. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie beoogt de Richtlijn een billijk evenwicht te verzekeren tussen de belangen van de werknemers en die van de verkrijger.2. Dit betekent dat de verkrijger na de overgang de aanpassingen en veranderingen moet kunnen doorvoeren waartoe de voortzetting van zijn activiteiten noopt.3.
14.
In de Nederlandse literatuur wordt de reikwijdte van het opzegverbod wegens overgang van onderneming over het algemeen gerelativeerd. Volgens Beltzer en Kanen laat de ontstaansgeschiedenis van de Richtlijn zien dat het de bedoeling is geweest dat de werkgever zijn onderneming kan ‘rationaliseren’, hetgeen tot een niet al te ruim te interpreteren ontslagbescherming dient te leiden.4. Jansen meent dat het opzegverbod slechts van toepassing is als de overgang de reden van het ontslag is. Als er andere objectieve omstandigheden aan het ontslag ten grondslag worden gelegd die het ontslag kunnen dragen, dan kan volgens hem niet gezegd worden dat sprake is van een ontoelaatbaar ontslag.5. Lintsen ontleent aan de rechtspraak van het Hof van Justitie en de ontstaansgeschiedenis van de Richtlijn de opvatting dat het ontslagverbod uit art. 4 lid 1 van de Richtlijn beperkt moet worden uitgelegd, in de zin dat het ontslagverbod alleen van kracht is als een ontslag ‘louter’ op basis van de overgang plaatsvindt. De uitzondering op het ontslagverbod bij eto-redenen zou volgens haar juist ruim moeten worden uitgelegd, in de zin dat het bestaan ervan niet afhankelijk is van een saneringsnoodzaak, maar ook kan voortvloeien uit de wens tot een efficiëntere bedrijfsvoering.6.
15.
Er klinken echter ook tegengeluiden. Zo schrijven Beltzer en Kanen dat het alleen maar willen afslanken van de onderneming, zonder saneringsnoodzaak, weliswaar een a-grond kán vormen, maar geen eto-reden zal vormen.7. Ook Even maakt onderscheid tussen enerzijds extra besparingen op personeelskosten die financieel gezien prettig (en op de langere termijn uitlegbaar) zijn en anderzijds besparingen die noodzakelijk zijn voor het voortbestaan van de onderneming.8. Alleen in het tweede geval kwalificeert de reorganisatie als een eto-reden. In het eerste geval zou het ontslag juist haaks staan op de beschermingsgedachte van de Richtlijn en om die reden niet zijn toegestaan.
16.
De enige relevante uitspraak van de Hoge Raad in dit verband is het Buyk-arrest.9. Over de reikwijdte van het opzegverbod van art. 7:670 lid 8 BW en de uitzondering hierop bij eto-redenen geeft dit arrest echter weinig inzicht. Uit dit arrest volgt niet meer dan dat een overgang van een onderneming ‘geen geldige ontslaggrond’ is.
17.
Het ontslagverbod van art. 4 lid 1 van de Richtlijn is door Hof van Justitie wel in enkele arresten inhoudelijk aan de orde gesteld. Zo viel het ontslag van een werknemer na de overgang van een winkel onder het bereik van de uitzondering bij eto-redenen, omdat de verkrijger het huurcontract van de vervreemder niet kon overnemen.10. Het Hof van Justitie overwoog dat de eventuele beëindiging van de arbeidsovereenkomsten van de werknemers in dit scenario niet alleen te wijten was aan de overgang van onderneming. De ontslagen zouden worden veroorzaakt door aanvullende omstandigheden, zoals de omstandigheid dat er tussen de verkrijger en de verhuurders geen overeenstemming bestond over een nieuwe huurovereenkomst, de onmogelijkheid om een andere bedrijfsruimte te vinden of de onmogelijkheid om het personeel naar andere winkels over te brengen. Die omstandigheden konden volgens het Hof van Justitie worden aangemerkt als eto-redenen in de zin van art. 4 lid 1 van de Richtlijn.
18.
In een andere zaak had een muziekschool door betalingsonmacht haar activiteiten gestaakt en haar personeel ontslagen, waarna de activiteiten (enkele maanden later) aan een andere muziekschool werden overgedragen.11. Het Hof van Justitie overwoog dat de vraag of de overgang, in strijd met het ontslagverbod, de enige reden was voor het ontslag, wordt bepaald op basis van de objectieve omstandigheden waarin het ontslag is gegeven. In dit geval vond het ontslag plaats geruime tijd voordat de activiteit aan de nieuwe muziekschool werd overgedragen en was het ontslag het gevolg van het feit dat de eerste muziekschool in de onmogelijkheid verkeerde om haar personeel uit te betalen. Bij die situatie leek volgens het hof van Justitie sprake te zijn van eto-redenen in de zin van art. 4 lid 1 van de Richtlijn.
19.
In het arrest Plessers/Prefaco laat het Hof van Justitie zich meer in algemene zin uit over het ontslagverbod van art. 4 lid 1 van de Richtlijn. Volgens het Hof van Justitie vloeit uit de bewoordingen van artikel 4 lid 1 van de Richtlijn voort dat ontslagen in een context van de overgang van een onderneming moeten zijn ingegeven door economische, technische of organisatorische redenen op het gebied van de tewerkstelling die ‘geen intrinsiek verband houden’ met deze overgang.12. Het Hof van Justitie maakt aldus onderscheid tussen eto-redenen die wel en geen intrinsiek verband houden met de overgang. Alleen op de laatste categorie van eto-redenen kan een uitzondering op het ontslagverbod worden gebaseerd. Tot een vergelijkbare constatering komt A-G Szpunar in zijn conclusie voor het arrest Plessers/Prefaco:13.
‘Uit de rechtspraak van het Hof vloeit eveneens voort dat het niet volstaat om aan te tonen dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst te wijten is aan economische, technische of organisatorische redenen. Daarnaast moet nog worden aangetoond dat deze redenen niet, in strijd met artikel 4, lid 1, van richtlijn 2001/23, rechtstreeks voortvloeien uit de overgang van de onderneming.’
20.
Relevant is daarmee de vraag wanneer eto-redenen ‘intrinsiek verband houden’ met de overgang van onderneming. In het hiervoor aangehaalde arrest Kirtruna en Virgano was sprake van een uitzondering op het ontslagverbod, omdat de eto-redenen waren gelegen in de omstandigheid dat de verkrijger er niet in slaagde om een huurovereenkomst te sluiten met een verhuurder, waardoor het de verkrijger ontbrak aan een geschikte bedrijfsruimte voor de exploitatie van de overgenomen activiteiten. In het arrest Colino Siguënza/Valladolid was sprake van betalingsonmacht bij de vervreemder, doordat de het gemeentebestuur van Valladolid de overeenkomst met de vervreemder niet was nagekomen. Beide omstandigheden hebben met elkaar gemeen dat zij een extrinsiek karakter hebben, in de zin dat sprake is van omstandigheden die buiten de overgang van onderneming gelegen zijn en die de werkgever dwingen om maatregelen te nemen op het gebied van werkgelegenheid.
21.
Daar komt bij dat eto-redenen die geen intrinsiek verband houden met de overgang, op grond van art. 4 lid 1 van de Richtlijn slechts een uitzondering op het ontslagverbod vormen, als deze noodzakelijkerwijs en systematisch wijzigingen voor de werkgelegenheid met zich brengen. Zo heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat als een onderneming in financiële moeilijkheden verkeert, die omstandigheid niet noodzakelijkerwijs en systematisch wijzigingen voor de werkgelegenheid mee hoeft te brengen in de zin van artikel 4, lid 1 van de Richtlijn.14.
Reikwijdte van het ontslagverbod van art. 4 lid 1 richtlijn en e uitzondering bij eto-redenen
22.
Er zijn voldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat het ontslagverbod van art. 4 lid 1 Richtlijn ruimer moet worden uitgelegd dan door in randnummer 14 aangehaalde auteurs wordt betoogd. Ten eerste heeft geen van deze auteurs het arrest Plessers/Prefaco kenbaar bij zijn of haar analyse betrokken (of kunnen betrekken). Uit de overweging dat ontslagen in een context van de overgang van een onderneming volgens het Hof van Justitie moeten zijn ingegeven door eto-redenen op het gebied van de tewerkstelling die ‘geen intrinsiek verband houden’ met deze overgang, vloeit voort dat het ontslagverbod niet gereserveerd is voor de zeldzame situatie dat de werkgever de werknemer ontslaat louter omdat sprake is van een overgang van onderneming.
23.
Ook de toelichting op de (eerste versie van) de Richtlijn geeft aanknopingspunten voor een ruimere uitleg van het ontslagverbod:15.
‘De met dit richtlijnvoorstel beoogde bescherming van verworven rechten zou kunnen worden omzeild doordat de cedent of de verwerver de werknemers op grond van de overdracht van de vestiging ontslaat. In een aantal Lid-Staten is dit weliswaar op grond van het geldende recht verboden. In andere kan echter in zo een geval tot ontslag worden overgegaan. Daarom als eenvormige regeling moeten worden bepaald dat ontslag in verband met de overdracht van een vestiging slechts op grond van dwingende interne vereisten is geoorloofd.
Deze beperking ligt economisch bezien voor de hand. Zij dient de ondernemer de mogelijkheid te laten bij overdracht van een vestiging veranderingen in de organisatie en produktie aan te brengen en maatregelen te treffen voor de rationalisatie e.d. Dit kan b.v. van belang zijn in gevallen dat de overdracht met het oog op de sanering van economisch zwakke ondernemingen geschiedt. Dan kunnen hieruit voor de in de betrokken vestigingen werkzame personen kwantitatieve en kwalitatieve repercussies voortvloeien en kan ook ontslag van werknemers onvermijdelijk blijken te zijn. (…)’
24.
Het begrip ‘dwingende interne vereisten’ is in de definitieve versie van de Richtlijn vervangen door ‘economische, technische of organisatorische redenen’. Dat de Europese Commissie in eerste instantie de term ‘dwingend’ gebruikte, wijst erop dat terughoudend moet worden omgegaan met de uitzondering op het ontslagverbod. Dat het mogelijk moet zijn om maatregelen te treffen voor ‘rationalisatie e.d.’ zou kunnen pleiten voor een ruimere uitleg van de uitzondering op het ontslagverbod. Echter, blijkens de toelichting wordt daarbij vooral gedoeld op ‘sanering van economische zwakke ondernemingen’, waaruit kwantitatieve en kwalitatieve repercussies alsook ontslag kunnen voortvloeien. Dit voorbeeld kan goed worden verenigd met hetgeen hiervoor is betoogd, namelijk dat eto-redenen die een uitzondering op het ontslagverbod kunnen vormen een extrinsiek karakter moeten hebben.
25.
Ook het arrest Klarenberg/Ferrotron is in dit verband van belang.16. In dit arrest was de vraag aan de orde of sprake kon zijn van ‘behoud van identiteit’ en daarmee van een overgang van onderneming, als de onderneming bij de verkrijger niet als ‘organisatorische eenheid’ bleef bestaan. In deze zaak had de verkrijger de onderneming opgenomen in de eigen organisatorische structuur. De werknemers werden na de overname in de verschillende afdelingen van de verkrijger geïntegreerd en de overgenomen taken werden verricht in het kader van een andere organisatorische structuur. Volgens het Hof van Justitie zouden, als het identiteitsbehoud alleen afhankelijk zou zijn van het behoud van de organisatorische eenheid, de betrokken werknemers geen gebruik kunnen maken van de door de Richtlijn geboden bescherming, enkel omdat de verkrijger besluit om het onderdeel van een onderneming of vestiging te ontbinden en in zijn eigen structuur te integreren. Dit zou het nuttig effect van de Richtlijn deels ongedaan maken. Om die reden oordeelde het Hof van Justitie dat ook sprake kan zijn van identiteitsbehoud, als de organisatorische eenheid verloren gaat, maar de functionele band tussen de overgegane productiefactoren behouden blijft. Later heeft het Hof van Justitie verduidelijkt dat hetzelfde geldt als delen van de onderneming van de vervreemder worden geïntegreerd in een structuur bestaande uit verschillende ondernemingen, bijvoorbeeld als (zoals in het geval van Roden Supermarkt/Maripaan) sprake is van een concern.17.
26.
Bij iedere overgang van onderneming zal de verkrijger zich moeten buigen over de vraag hoe de overgenomen activiteiten in zijn eigen organisatie kunnen worden geïntegreerd. Daarbij zullen de functies van de overgenomen onderneming meestal niet (volledig) gelijk zijn aan de functies binnen zijn eigen organisatiemodel. Dat de verkrijger organisatorische wijzigingen moet doorvoeren om de overgenomen onderneming in zijn eigen onderneming te integreren, is daarom inherent aan (vrijwel) iedere overgang van onderneming. Hoewel dergelijke organisatorische wijzigingen kunnen worden aangemerkt als eto-redenen, houden de wijzigingen intrinsiek verband met de overgang en worden daarmee getroffen door het ontslagverbod van art. 4 lid 1 van de Richtlijn. Een andere conclusie zou betekenen dat, hoewel wijzigingen in de organisatorische structuur van de verkrijger de beschermende werking van de Richtlijn niet in de weg staan, diezelfde organisatorische wijzigingen er juist de reden van zijn dat werknemers eenvoudig kunnen worden ontslagen. Hierdoor zou het nuttig effect van de Richtlijn alsnog deels ongedaan worden gemaakt. Dat geldt zeker als wordt bedacht dat een verkrijger betrekkelijk eenvoudig de beschermende werking van de Richtlijn zou kunnen omzeilen, door de wijze waarop hij (op ‘slimme’ wijze) besluit de overgenomen onderneming (stapsgewijs) in zijn organisatie te integreren.
27.
Overigens geeft ook het Hof van Justitie in het arrest Klarenberg/Ferrotron aandacht aan precies dit probleem:
- ‘51.
Ten slotte moet worden geantwoord op het door verweerster in het hoofdgeding aangevoerde argument dat ingeval de overgedragen economische eenheid niet als organisatorische eenheid blijft bestaan, de continuïteit van de arbeidsbetrekkingen welke richtlijn 2001/23 beoogt te garanderen, hoe dan ook niet kan worden verzekerd, aangezien voorde vroegere functie van Klarenberg als afdelingshoofd, geen enkele gelijkwaardige functie kan worden gevonden in de door de verkrijger gecreëerde nieuwe organisatie van de werkzaamheden.
- 52.
Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat een eventuele verplichting om bij overgang van de activiteit op een publiekrechtelijke rechtspersoon de privaatrechtelijke arbeidsovereenkomsten op te zeggen, conform artikel 4, lid 2, van richtlijn 2001/23 moet worden aangemerkt als een aanmerkelijke wijziging van de arbeidsvoorwaarden ten nadele van de werknemer die rechtstreeks het gevolg is van de overgang, zodat die arbeidsovereenkomsten in dat geval moeten worden geacht te zijn verbroken door toedoen van de werkgever (arrest [naam 1], reeds aangehaald, punt 56). Wanneer het eventueel volstrekt niet mogelijk is om bij een overgang een werknemer in de door de verkrijger ingevoerde organisatorische structuur een functie aan te bieden die gelijkwaardig is aan die welke hij bij de vervreemder vervulde, en deze situatie leidt tot een aanmerkelijke wijziging van de arbeidsvoorwaarden ten nadele van de werknemer, moet zij eveneens worden gelijkgesteld met een verbreking van de arbeidsovereenkomst door toedoen van de werkgever in de zin van deze bepaling.’
28.
Het arrest [naam 1], waarnaar het Hof van Justitie in rov. 52 verwijst, had betrekking op een situatie waarin de verkrijger een publiekrechtelijke rechtspersoon was, die naar nationaal recht geen werknemers in dienst kon hebben op basis van een privaatrechtelijke arbeidsovereenkomst.18. Om die reden was het noodzakelijk om de privaatrechtelijke arbeidsovereenkomst te beëindigen. In een dergelijke situatie is volgens het Hof van Justitie art. 4 lid 2 van de Richtlijn van toepassing. In Klarenberg/Ferrotron oordeelt het Hof van Justitie dat art. 4 lid 2 van de Richtlijn eveneens van toepassing is als het eventueel volstrekt onmogelijk is om bij een overgang een werknemer in de door de verkrijger ingevoerde organisatorische structuur een functie aan te bieden die gelijkwaardig is aan die welke hij bij de vervreemder vervulde.
29.
Opvallend is dat het Hof van Justitie de mogelijkheid van verbreking van de arbeidsovereenkomst in een dergelijke situatie verbindt aan de eventuele volstrekte onmogelijkheid om de overgekomen werknemer een plaats te bieden in zijn organisatiestructuur. Het Hof van Justitie wijst in deze context uitdrukkelijk niet naar de mogelijkheid van ontslag door de verkrijger op grond van de in art. 4 lid 1 van de Richtlijn bedoelde eto-redenen. Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat de uitzondering op het ontslagverbod bij eto-redenen niet voor deze situatie is bedoeld.
Toepassing op het onderhavige geding
30.
Naar de overtuiging van [verzoekster] is van eto-redenen met een ‘extrinsiek’ karakter, althans van etoredenen die geen intrinsiek verband houden met de overgang, in de onderhavige kwestie geen sprake. De eto-redenen die Roden Supermarkt aan het ontslag ten grondslag heeft gelegd, hielden namelijk verband met de wijze waarop zij heeft besloten de overgenomen activiteiten binnen haar organisatie te integreren. Roden Supermarkt heeft de functie van ‘personeelsmedewerker/p&o verantwoordelijke’ binnen Roden Supermarkt immers niet laten vervallen omdat aan deze werkzaamheden als zodanig geen behoefte bestaat, maar omdat deze werkzaamheden elders zijn ondergebracht, namelijk vooral bij het servicekantoor van Maripaan.
31.
De wijze waarop de werkzaamheden van [verzoekster] in de bestaande organisatie van Roden Supermarkt/Maripaan zijn geïntegreerd zijn daarmee vergelijkbaar met de situatie die speelde in het arrest Klarenberg/Ferrotron. Ook in het onderhavige geval heeft Roden Supermarkt/Maripaan ervoor gekozen om de organisatorische eenheid tussen de onderneming en de werkzaamheden van [verzoekster] te doorbreken. De werkzaamheden van [verzoekster] houden niet op te bestaan maar zijn (voor het overgrote deel) overgedragen aan het servicekantoor van Maripaan, waardoor de functie van [verzoekster] in die vorm bij Roden Supermarkt komt te vervallen. De functionele band tussen de werkzaamheden en de onderneming van Roden Supermarkt blijft evenwel behouden, omdat het servicekantoor de overgedragen administratieve werkzaamheden ook verricht voor Roden Supermarkt.
32.
Zoals hierna zal worden betoogd had het hof in de bestreden beschikking moeten oordelen dat het opzegverbod aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg stond. Althans, het hof had aan de hand van een andere maatstaf moeten beoordelen of dat het geval was.
Uitputting van interne mogelijkheden
33.
Uit de toelichting op de Richtlijn blijkt bovendien dat de ontslagbescherming die de overgekomen werknemer op grond van art. 4 lid 1 Richtlijn geniet niet ophoudt bij het enkele bestaan van eto-redenen. De werkgever kan namelijk pas tot ontslag overgaan als hij alle interne mogelijkheden heeft uitgeput:
‘Overeenkomstig hetgeen met het richtlijnvoorstel wordt beoogd, mogen deze dwingende interne vereisten alleen dan als reden voor ontslag worden aangevoerd, wanneer alle interne mogelijkheden zoals tewerkstelling in een andere passende functie, alsook aanpassings- en omscholingsmaatregelen zijn uitgeput. (…. .19.
34.
Dat de verplichting van de werkgever tot uitputting van alle interne mogelijkheden ver gaat, zeker in het geval als in het onderhavige geding aan de orde is, kan ook worden afgeleid uit het arrest Klarenberg/Ferrotron. Volgens dit arrest komt een verbreking van de arbeidsovereenkomst pas aan de orde als het eventueel volstrekt onmogelijk is om de werknemer een functie aan te bieden die gelijkwaardig is aan die welke hij bij de vervreemder vervulde. Hieruit volgt dat de werkgever zeer ver moet gaan in zijn inspanningen om de werknemer en arbeidsplaats te bieden binnen zijn organisatiestructuur. Dit vereist een actieve en adaptieve opstelling van de werkgever.
35.
Zoals hierna zal worden betoogd had het hof in het onderhavige geval moeten oordelen dat Roden Supermarkt niet aan haar plicht heeft voldaan om alle interne mogelijkheden uit te putten. Althans, het hof had aan de hand van een andere maatstaf moeten beoordelen of Roden Supermarkt aan deze plicht heeft voldaan.
C. Cassatieklachten
36.
Dit cassatiemiddel komt met drie onderdelen op tegen de bestreden beschikking. Onderdeel 1 richt zich tegen het oordeel van het hof in rovv. 4.11 t/m 4.13 van de bestreden beschikking, waarin het hof samengevat oordeelt dat het in art. 7:670 lid 8 BW bedoelde opzegverbod niet aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg stond. Onderdeel 2 richt zich tegen rovv. 4.14 t/m 4.23 van de bestreden beschikking, waarin het hof samengevat oordeelt dat Roden Supermarkt heeft voldaan aan haar herplaatsingsplicht als bedoeld in art. 7:669 lid 1 BW. Onderdeel 3 bevat enkele voortbouwklachten.
Onderdeel 1 : ontbinding niet mogelijk door opzegverbod
Subonderdeel 1.1.: rechtsklacht; intrinsiek verband van eto-redenen met de overgang
37.
Het hof heeft in rov. 4.12 vooropgesteld dat het opzegverbod als bedoeld in art. 7:670 lid 8 BW er niet aan in de weg staat dat de nieuwe werkgever in de situatie na de overgang en mede in verband met eto-redenen, besluit tot aanpassing (mede) van zijn personeelsbestand. Bovendien heeft het hof voorop gesteld dat bij eto-redenen voor ontslag van overgenomen werknemers de criteria gelden zoals eerder in de beschikking aan de orde gesteld. Daarbij doelt het hof op rov. 4.5 t/m 4.10, waar het hof toetst aan de reguliere criteria die gelden bij een bedrijfseconomisch ontslag. Blijkens rov. 4.13 heeft het hof deze maatstaf ook toegepast.
38.
Het hof heeft met zijn oordeel in rov. 4.12 en 4.13 miskend dat in gevallen waarin aan het ontslag economische, technische of organisatorische redenen ten grondslag worden gelegd, het voor de beantwoording van de vraag of het opzegverbod van art. 7:670 lid 8 BW van toepassing is, niet volstaat om te beoordelen of aan alle reguliere criteria voor een bedrijfseconomisch ontslag is voldaan. Het hof heeft bovendien miskend dat het voor de beantwoording van deze vraag niet volstaat om te toetsen of aan het ontslag economische, technische of organisatorische redenen ten grondslag liggen. Het hof had, eventueel met toepassing van art. 25 Rv, daarnaast moeten beoordelen of de door de werkgever aangevoerde eto-redenen geen intrinsiek verband houden met de overgang van onderneming. Het hof heeft dit onderdeel van de toets ten onrechte niet (kenbaar) in zijn beoordeling betrokken en daarmee blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
Subonderdeel 1.2: motiveringsklacht
39.
Indien het oordeel van het hof geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting is het onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd. In rov. 4.13 heeft het hof geoordeeld dat Roden Supermarkt na de overgang een analyse heeft gemaakt van de situatie in de supermarkt en tot de conclusie kwam — samengevat — dat de functie van ‘personeelsmedewerker/p&o verantwoordelijke’ binnen Maripaan niet voorkwam en niet paste in het systeem van exploitatie dat Maripaan voorstond. Daarmee zou Roden Supermarkt voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de beslissing om de functie van ‘personeelsmedewerker/p&o verantwoordelijke’ te laten vervallen in verband stond met de aanpassing van de organisatie van de werkzaamheden aan het systeem van exploitatie van Maripaan. Hieruit volgt dat de aanpassing van de organisatie van de werkzaamheden alleen noodzakelijk was, doordat Roden Supermarkt als gevolg van de overgang van onderneming onderdeel was geworden van Maripaan, die een eigen systeem van exploitatie voorstond. Zonder nadere tivering van het hof, die in de bestreden beschikking ontbreekt, valt niet in te zien hoe deze eto-redenen geen intrinsiek verband houden met de overgang van onderneming.
Subonderdeel 1.3: rechtsklacht; niet onderzocht of interne mogelijkheden zijn uitgeput
40.
[verzoekster] heeft zich in hoger beroep met (haar toelichting op) beroepsgronden 7 en 8 op het standpunt gesteld dat Roden Supermarkt — samengevat — onvoldoende inspanningen heeft gepleegd om [verzoekster] te herplaatsen. Desondanks heeft het hof in rov. 4.12 en 4.13 van de bestreden beschikking bij de beantwoording van de vraag of sprake is van het opzegverbod uit art. 7:670 lid 8 BW niet de vraag betrokken of Roden Supermarkt alle interne mogelijkheden heeft uitgeput. Die vraag maakt echter wel onderdeel uit van de toets of de uitzondering op het ontslagverbod als bedoeld in artikel 4 lid 1 van de Richtlijn zich voordoet. Richtlijnconforme uitleg van art. 7:670 lid 8 BW brengt mee dat het hof de vraag of alle interne mogelijkheden zijn uitgeput ook had moeten betrekken bij de toepassing van art. 7:670 lid 8 BW. Tot dergelijke interne mogelijkheden behoren tewerkstelling in een andere passende functie, alsook aanpassings- en omscholingsmaatregelingen. Op basis van deze stellingen had het hof, waar nodig met toepassing van art. 25 Rv, moeten onderzoeken of Roden Supermarkt intern en in groepsverband alle interne mogelijkheden heeft uitgeput. Door dit niet te doen heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
Subonderdeel 1.4: rechtsklacht; het hof heeft de verplichting van de werkgever te beperkt uitgelegd
41.
Indien de bestreden beschikking aldus moet worden begrepen, dat de beoordeling of Roden Supermarkt alle interne mogelijkheden heeft uitgeput besloten ligt in rovv. 4.14 t/m 4.23, waar het hof oordeelt over de herplaatsingsplicht, heeft het hof de omvang van de op de werkgever rustende verplichting te beperkt uitgelegd.
42.
Het hof heeft in rov. 4.14 voorop gesteld dat ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van art. 7:669 lid 1 BW alleen mogelijk is als ‘herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt’. Verder stelt het hof in rov. 4.15 voorop dat de duur van de ‘redelijke termijn’ op grond van art. 10 lid 1 Ontslagregeling gelijk is aan de voor de werkgever geldende opzegtermijn. Bovendien stelt het hof in rov. 4.20 voorop dat de werkgever serieus moet onderzoeken of de werknemer is te herplaatsen in een andere passende functie, al dan niet na scholing, maar dat het daarbij niet gaat om een resultaatsverplichting. Het gaat er volgens het hof om wat in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van de werkgever kan worden gevergd.20.
43.
Hoewel het hiervoor weergegeven en door het hof in rov. 4.21 en 4.22 toegepaste toetsingskader bij de algemene toepassing van art. 7:669 lid 1 BW juist is, geldt dat niet indien de toets plaatsvindt in het kader van het ontslagverbod van art. 4 lid 1 van de Richtlijn en het opzegverbod van art. 7:670 lid 8 BW. De richtlijn beoogt zo veel mogelijk een ongewijzigde voortzetting van de arbeidsovereenkomst met de verkrijger te verzekeren, om te voorkomen dat de betrokken werknemers uitsluitend ten gevolge van deze overgang in een minder gunstige positie komen te verkeren. Deze uit de Richtlijn voortvloeiende doelstelling brengt mee, dat als de werkgever een beroep doet op de uitzondering op het opzegverbod van art. 7:670 lid 8 BW, de inspanningen die de werkgever moet plegen om alle interne mogelijkheden uit te putten, verder gaan dan de algemene inspanningsverplichting die voortvloeit uit art. 7:669 lid 1 BW.
44.
Dit vloeit in de eerste plaats voort uit de toelichting op het ontslagverbod van art. 4 lid 1 van de Richtlijn. Hieruit blijkt dat eto-redenen alleen dan als reden voor ontslag kunnen worden aangevoerd, wanneer alle interne mogelijkheden zoals tewerkstelling in een andere passende functie, alsook aanpassings- en omscholingsmaatregelen zijn uitgeput.21. Ook volgt dit uit het arrest Klarenberg/Ferrotron.22. Uit dit arrest kan worden afgeleid dat op de verkrijger de verplichting rust om in de door hem ingevoerde organisatiestructuur een functie aan te bieden die gelijkwaardig is aan die welke de werknemer bij de vervreemder vervulde. Alleen als dat volstrekt niet mogelijk is, zou de arbeidsovereenkomst kunnen worden beëindigd.
45.
De toets of ‘tewerkstelling in de organisatiestructuur van de verkrijger volstrekt niet mogelijk is’, kan niet worden gelijkgesteld aan de reguliere maatstaf of ‘herplaatsing in redelijkheid van de werkgever kan worden gevergd’. Zo ligt niet direct voor de hand dat de verplichting van de werkgever bij de eerstgenoemde maatstaf per definitie wordt begrensd door de (nationaalrechtelijke) ‘redelijke termijn’. Daarnaast lijkt de eerstgenoemde maatstaf niet te worden begrensd door hetgeen is bepaald in art. 10 lid 1 Ontslagregeling, namelijk dat voor de beoordeling of binnen de onderneming van de werkgever een passende functie beschikbaar is, alleen arbeidsplaatsen worden betrokken waarvoor een vacature bestaat, of waarvoor binnen de redelijke termijn een vacature zal ontstaan, dan wel arbeidsplaatsen waarop flexibele arbeidskrachten werkzaam zijn. In het kader van art. 4 lid 1 van de richtlijn wordt van de werkgever een actievere en adaptievere opstelling gevraagd, teneinde de werknemer, eventueel met behulp van aanpassings- en omscholingsmaatregelen, binnen de ingevoerde organisatiestructuur tewerk te stellen. Dat zou ook kunnen betekenen dat de tewerkstelling moet plaatsvinden buiten opengestelde vacatures of reeds door flexibele arbeidskrachten ingevulde arbeidsplaatsen. Een en ander tenzij tewerkstelling van de werknemer volstrekt niet mogelijk is.
46.
Het hof had, zoals hiervoor betoogd en eventueel met toepassing van art. 25 Rv, de omvang van de verplichting van de werkgever om de interne mogelijkheden uit te putten ruimer moeten uitleggen dan het blijkens rovv. 4.14, 4.15 en 4.20 t/m 4.22 heeft gedaan. Aldus heeft het hof in deze rechtsoverwegingen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
47.
Indien het recht aldus moet worden uitgelegd, dat ook voor de beantwoording van de vraag of de werkgever in het kader van art. 4 lid 1 Richtlijn alle interne mogelijkheden heeft uitgeput, moet worden beoordeeld wat in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van de werkgever kan worden gevergd (waarmee de maatstaf inhoudelijk niet afwijkt van de algemene maatstaf van art. 7:669 lid 1 BW), geldt het volgende. In dat geval had het hof bij de beantwoording van de vraag wat in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van de werkgever kan worden gevergd, eventueel met toepassing van art. 25 Rv, in zijn beoordeling de omstandigheid moeten betrekken dat het ontbindingsverzoek (mede) verband houdt met een overgang van onderneming. Aangezien het hof deze omstandigheid niet (kenbaar) bij zijn beoordeling heeft betrokken, geeft het oordeel in rovv. 4.14, 4.15 en 4.20 t/m 4.22 blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Onderdeel 1.5: motiveringsklacht
48.
Indien het hof in rovv. 4.14, 4.15 en 4.20 t/m 4.22 geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, is het oordeel van het hof onbegrijpelijk, dan wel ontoereikend gemotiveerd. Zulks om de volgende, op zichzelf staande en in onderlinge samenhang te beoordelen redenen.
- i)
In rov. 4.21 heeft het hof geoordeeld dat het verwijt van [verzoekster] dat Roden Supermarkt onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar herplaatsingsmogelijkheden mank gaat ten aanzien van de functie van ‘medewerker medewerkersadministratie’, omdat partijen deze functie in de maanden mei/juni 2023 uitvoerig hebben besproken. Het hof heeft echter niet kenbaar bij zijn beoordeling betrokken de stelling van [verzoekster] dat — samengevat — de situatie ten tijde van de ontbindingsprocedure niet meer hetzelfde was als in mei/juni 2023, dat uit de overgelegde e-mailcorrespondentie juist blijkt dat [verzoekster] flexibel was en in dat kader ook bereid was om opnieuw met haar andere werkgever in overleg te treden om aanwezig te zijn op bepaalde tijdstippen, en Roden Supermarkt dit had kunnen weten als zij met [verzoekster] het gesprek was aangegaan (akte van 26 januari 2024, randnummer 19 en beroepschrift, randnummer 37). Daarmee is het oordeel onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd.
- ii)
Bovendien betekent het enkele feit dat een functie tussen partijen is besproken, nog niet dat de werkgever de mogelijkheden heeft uitgeput om de werknemer in de functie van ‘medewerker medewerkersadministratie’ tewerk te stellen. Het hof had moeten onderzoeken of Roden Supermarkt op terechte gronden heeft geconcludeerd dat een dergelijke tewerkstelling (volstrekt) niet mogelijk was, dan wel in redelijkheid niet van haar kon worden gevergd. Voor zover het hof die vraag niet heeft onderzocht, geeft zijn oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het hof die vraag wel heeft beoordeeld, is zijn oordeel onbegrijpelijk, althans onvoldoende toereikend gemotiveerd. Dat geldt zeker in het licht van de door het hof ten onrechte onbesproken gelaten stelling van [verzoekster], dat de gesprekken over de functie van ‘medewerker medewerkersadministratie’ uiteindelijk (om onbekende redenen) zijn stukgelopen op het feit dat zij op vrijdagmiddag niet om 13.00 maar om 14.00 uur kon beginnen en [verzoekster] volgens Roden Supermarkt niet tot 18.00 mocht doorwerken (zie pleitaantekeningen in hoger beroep zijdens [verzoekster], randnummer 17 en p. 3 van het proces-verbaal in hoger beroep).
- iii)
[verzoekster] heeft in hoger beroep gesteld dat Roden Supermarkt niet nader heeft onderzocht op welke wijze de inzet van [verzoekster] in de functie van HR-adviseur — ondanks haar beperktere beschikbaarheid in uren — wel mogelijk kan worden gemaakt (randnummer 37 beroepschrift). Ook heeft [verzoekster] gesteld dat zij flexibel is en ook bereid is met haar andere werkgever in overleg te treden over werktijden. Daarnaast heeft [verzoekster] gewezen op de eventuele mogelijkheid (die niet door Roden Supermarkt is onderzocht) van hybride werken en (deels) werken buiten de reguliere kantoortijden (randnummer 39 beroepschrift). Ook heeft [verzoekster] gesteld dat meerdere werknemers op het hoofdkantoor van Maripaan functies vervullen voor slechts 8 uur per week en om die reden niet kan worden gevolgd dat een beperkte beschikbaarheid in uren leidt tot onvoldoende kennis over van het reilen en zeilen binnen de organisatie en/of (personele) ontwikkelingen (randnummer 41 beroepschrift). Het hof heeft deze stellingen in rov. 4.22 niet kenbaar bij zijn beoordeling betrokken. Daarmee is het oordeel onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd.
- iv)
Bovendien kon het hof bij een juiste rechtsopvatting zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet in rov. 4.22 de conclusie trekken dat herplaatsing in de passende functie van HR-adviseur vanwege de beperkte beschikbaarheid van [verzoekster] niet in de rede ligt. Zulks gelet op (i) de hiervoor onder iii) opgesomde stellingen van [verzoekster]; (ii) het feit dat het hof in rov. 4.17 heeft vastgesteld dat de functie van HR-adviseur beschikbaar en passend was voor [verzoekster] en
- (iii)
de in subonderdeel 1.4 besproken vergaande verplichting van de werkgever om de interne mogelijkheden uit te putten. Het oordeel van het hof is ook om die reden onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd.
Onderdeel 1.6: rechtsklacht; oordeel over herplaatsing in strijd met art. 2 lid 2 sub a Richtlijn
49.
In rov. 4.22 oordeelt het hof dat Roden Supermarkt de beschikbare en op zichzelf passende functie van HR-adviseur niet aan [verzoekster] hoefde aan te bieden, omdat herplaatsing in deze functie niet in de rede ligt in verband met de beperkte beschikbaarheid van [verzoekster]. Dit in verband met de aard van het werk en — samengevat — de noodzakelijke, herhaalde en voortdurende overdracht van werkzaamheden aan één van de twee andere HR-adviseurs en dan weer terug, die volgens het hof als weinig efficiënt, tijdrovend en te belastend moet worden aangemerkt.
50.
Het oordeel van het hof staat op gespannen voet staat met art. 2 lid 2, aanhef en onder a van de Richtlijn, waarin is bepaald dat lidstaten werknemers niet van de werkingssfeer van de Richtlijn mogen uitsluiten, enkel op grond van het aantal gewerkte of te werken uren.23. Aangenomen moet worden dat bij deeltijddienstverbanden werkoverdracht in veel gevallen noodzakelijk zal zijn en dat een zekere mate van inefficiëntie daarmee inherent is aan deeltijdwerk. Desondanks biedt artikel 2 lid 2, aanhef en onder a, Richtlijn deeltijdwerknemers dezelfde bescherming als voltijdwerknemers. Dit betekent dat als [verzoekster] voor de overgang al de deeltijdfunctie van HR-adviseur, of een daarmee vergelijkbare functie, had vervuld, het op grond van de Richtlijn niet mogelijk was geweest om de arbeidsovereenkomst wegens de eventuele uit het deeltijddienstverband voortvloeiende inefficiënties te beëindigen. Het ligt daarom niet in de rede om aan te nemen dat de verkrijger wegens diezelfde inefficiënties kan rechtvaardigen dat hij een beschikbare en op zichzelf passende en functie niet als ‘interne mogelijkheid’ aanbiedt, terwijl op hem de plicht rust om alle interne mogelijkheden uit te putten. Een andere conclusie zou betekenen dat de werknemer — in dit geval [verzoekster] — als gevolg van het aantal gewerkte of te werken uren wordt uitgesloten van de bescherming die art. 4 lid 1 van de Richtlijn biedt.
51.
Op grond van het voorgaande, alsook in samenhang met de vergaande verplichting van de werkgever om alle interne mogelijkheden uit te putten, zoals betoogd in subonderdeel 1.4, heeft het hof in rov. 4.22 blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
Onderdeel 2: herplaatsingsplicht niet nageleefd
52.
Indien het recht zo moet worden uitgelegd, dat de uit art. 4 lid 1 Richtlijn voortvloeiende verplichting van de werkgever om alle interne mogelijkheden uit te putten, naar nationaal recht niet moet worden beoordeeld in het kader van art. 7:670 lid 8 BW, maar in het kader van art. 7:669 lid 1 BW, werpt [verzoekster] de volgende klachten op.
Subonderdeel 2.1: rechtsklacht en/of motiveringsklacht; het hof heeft de verplichting van de werkgever te beperkt uitgelegd
53.
Zoals hiervoor in subonderdeel 1.4 beschreven, heeft het hof in rovv. 4.14, 4.15 en 4.20 van de bestreden beschikking het algemene beoordelingskader dat geldt bij de toepassing van art. 7:669 lid 1 BW voorop gesteld. Het hof heeft bij de toets of Roden Supermarkt aan de in art. 7:669 lid 1 BW voorgeschreven herplaatsingsplicht heeft voldaan, geen kenbare aandacht besteed aan de omstandigheid dat de ontbinding wordt verzocht kort na en mede ten gevolge van een overgang van onderneming als bedoeld in art. 7:662 e.v. BW.
54.
Daarmee heeft het hof miskend dat hij bij de beantwoording van de vraag of de werkgever heeft voldaan aan zijn herplaatsingsplicht als bedoeld in art. 7:669 lid 1 BW, hij in het onderhavige geding had moeten beoordelen of alle interne mogelijkheden zoals tewerkstelling in een andere passende functie, alsook aanpassings- en omscholingsmaatregelen, zijn uitgeput. Zoals reeds in subonderdeel 1.4 betoogd brengt de uit de Richtlijn voortvloeiende bescherming mee dat van de werkgever een actievere en adaptievere opstelling wordt gevraagd, teneinde de werknemer, eventueel met behulp van aanpassings- en omscholingsmaatregelen, binnen de ingevoerde organisatiestructuur tewerk te stellen. Dat zou ook kunnen betekenen dat de tewerkstelling moet plaatsvinden buiten opengestelde vacatures of reeds door flexibele arbeidskrachten ingevulde arbeidsplaatsen. Een en ander tenzij tewerkstelling van de werknemer volstrekt niet mogelijk is.
55.
Indien het recht aldus moet worden uitgelegd, dat voor de beantwoording van de vraag of de werkgever in het kader van art. 4 lid 1 Richtlijn alle interne mogelijkheden heeft uitgeput, moet worden beoordeeld wat in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van de werkgever kan worden gevergd, geldt hetgeen [verzoekster] hiervoor in randnummer 47 heeft betoogd.
56.
Door de reikwijdte van de verplichting van de werkgever om de interne mogelijkheden uit te putten te miskennen, althans door aan deze verplichting geen kenbare aandacht te besteden, heeft het hof in rovv. 4.14, 4.15 en 4.20 t/m 4.22 blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
57.
Indien het oordeel niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting is het onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd, op grond van de in subonderdeel 1.5 aangevoerde redenen.
Subonderdeel 2.2: rechtsklacht; strijdigheid met art. 2 lid 2 sub a Richtlijn
58.
In rov. 4.22 oordeelt het hof dat Roden Supermarkt de beschikbare en op zichzelf passende functie van HR-adviseur niet aan [verzoekster] hoefde aan te bieden, omdat herplaatsing in deze functie niet in de rede ligt in verband met de beperkte beschikbaarheid van [verzoekster]. Dit in verband met de aard van het werk en — samengevat — de noodzakelijke, herhaalde en voortdurende overdracht van werkzaamheden aan één van de twee andere HR-adviseurs en dan weer terug, die volgens het hof als weinig efficiënt, tijdrovend en te belastend moet worden aangemerkt.
59.
Dit oordeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, op grond van de in subonderdeel 1.6 aangevoerde redenen.
Onderdeel 3: voortbouwklachten
60.
Het slagen van een of meerdere klachten in onderdelen 1 en 2 vitieert ook rovv. 4.24 t/m 4.25, waarin het hof samengevat oordeelt dat de verzochte ontbinding kon worden toegewezen, de door [verzoekster] verzochte wedertewerkstelling om die reden moest werd afgewezen en de handelwijze van Roden Supermarkt de ‘arbeidsrechtelijke toets’ doorstaat.
61.
Het slagen van een of meerdere in onderdelen 1 en 2 geformuleerde klachten vitieert ook rov. 4.26 en 4.28 (proceskosten), alsook onderdelen 5.1 t/m 5.3 (dictum).
D. Aanvullende opmerking
62.
Indien de Hoge Raad oordeelt dat de bestreden beschikking wordt vernietigd, geeft [verzoekster] de Hoge Raad in overweging te verduidelijken hoe het verwijzingshof kan of moet oordelen, als het opzegverbod inderdaad aan ontbinding in de weg stond. Duidelijkheid over die vraag zou een eventuele tweede cassatieprocedure over die vraag kunnen voorkomen.
63.
[verzoekster] heeft het hof in hoger beroep primair verzocht de arbeidsovereenkomst zelf te herstellen, met terugwerkende kracht tot de datum van de ontbinding. Art. 7:683 lid 3 BW biedt het hof echter ook de mogelijkheid om (anders dan de werknemer heeft verzocht) aan de werknemer een billijke vergoeding toe te kennen. De vraag is echter of het hof die mogelijkheid ook heeft als het oordeelt dat een opzegverbod aan ontbinding in de weg stond. In dat geval was immers sprake van een omstandigheid waarin de mogelijkheid van ontslag categorisch is uitgesloten, omdat de werknemer bijzondere bescherming geniet. [verzoekster] stelt zich op het standpunt dat die bijzondere bescherming tegen ontslag niet verenigbaar is met de mogelijkheid van een vervangende billijke vergoeding, welke mogelijkheid alleen ontstaat doordat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat geen opzegverbod aanwezig was.
64.
Dit geldt in het bijzonder voor het opzegverbod van art. 7:670 lid 8 BW. De Hoge Raad heeft eerder in het Buyk-arrest geoordeeld dat als de arbeidsovereenkomst in strijd met het ontslagverbod uit de art. 4 lid 1 van de Richtlijn wordt opgezegd, de werknemer ondanks het ontslag wordt geacht ‘nog steeds in dienst van de onderneming te zijn’.24. Om die reden was een nadere handeling van de werknemer niet nodig en was ook de vervaltermijn van art. 9 lid 2 BBA (oud) voor het inroepen van de nietigheid niet van toepassing. Mede gelet op deze uitspraak zou een redelijke wetsuitleg moeten meebrengen dat een ontbinding in strijd met het opzegverbod van 7:670 lid 8 BW zoveel als mogelijk teniet moet worden gedaan, wat onder het huidige ontslagrecht betekent dat het hof de arbeidsovereenkomst (met terugwerkende kracht tot de datum van de ontbinding) moet herstellen.
Conclusie
[verzoekster] verzoekt de Hoge Raad op grond van dit middel de bestreden beschikking te vernietigen en verder te beslissen zoals hij passend acht, met veroordeling van Roden Supermarkt in de kosten van het geding, het salaris van de gemachtigde daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na de datum van de in deze te wijzen beschikking.
mr. B. Schouten
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 02‑12‑2024
Zie onder andere HvJ EG 17 december 1987, ECLI:EU:C:1987:573 (Ny Mølle Kro) en meer recent HvJ EU 26 maart 2020, ECLI:EU:C:2020:239 (ISS Logistics/Govaerts).
Zie onder andere HvJ EU 18 juli 2013, ECLI:EU:C:2013:521 (Alemo-Herron e.a.); HvJ EU 24 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:514 (Obras y Servicios Públicos en Acciona Agua).
HvJ EG 9 maart 2006, ECLI:EU:C:2006:168 (Werhof); HvJ EU 27 april 2017, ECLI:EU:C:2017:317 (Asklepios).
R.M. Beltzer & B.C.L. Kanen, ‘Ontslag en wijziging van arbeidsvoorwaarden na overgang: ‘no hay mayor dificultad que la poca voluntad’, ArA 2019/13, p. 65–92.
N. Jansen, ‘Overgang, ontslag en wijziging in de greep van de rechtspraak (deel 1: ontslag)’, ArbeidsRecht 2019/3.
I. Lintsen, De continuïteit van de arbeidsrelatie bij aanbestedingen, Kluwer 2022, par. 5.2.1.1 & 5.2.1.2.
R.M. Beltzer & B.C.L. Kanen, ‘Ontslag en wijziging van arbeidsvoorwaarden na overgang: ‘no hay mayor dificultad que la poca voluntad’, ArA 2019/13, p.
J.H. Even, ‘Ontslagbescherming bij overgang van onderneming’, in: Het reorganiserend vermogen van het arbeidsrecht in beweging, Den Haag: Sdu Uitgevers 2017, p. 50.
HR 29 december 1995, NJ 1996, 418 (Buyk/Van den Ameele).
HvJ EG 16 oktober 2008, ECLI:EU:C:2008:574 (Kirtuna en Virgano).
HvJ EU 7 augustus 2018, ECLI:EU:C:2018:646 (Colino Siguënza/Valladolid).
HvJ EU 16 mei 2019, ECLI:EU:C:2019:424 (Plessers/Prefaco), rov. 54.
Conclusie van 23 januari 2019, ECLI:EU:C:2019:50, par. 76.
HvJ 11 juni 2009, ECLI:EU:C:2009:363 (Commissie/ltalië).
Commissie van de Europese Gemeenschappen, Brussel 25 juli 1975, COM(75)429 def., p. 8–9 (Nederlandstalige versie).
HvJ EG 12 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:85 (Klarenberg/Ferrotron).
HvJ EU 20 juli 2017, ECLI:EU:C:2017:574 (Piscaretta Ricardo).
HvJ EG 26 september 2000, ECLI:EU:C:2000:505 ([naam 1]).
Commissie van de Europese Gemeenschappen, Brussel 25 juli 1975, COM(75)429 def., p. 9 (Nederlandstalige versie).’
Vgl. HR 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:64.
Commissie van de Europese Gemeenschappen, Brussel 25 juli 1975, COM(75)429 def., p. 9 (Nederlandstalige versie).
HvJ EG 12 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:85 (Klarenberg/Ferrotron).
Zie in dit verband ook HvJ EU 26 maart 2020, ECLI:EU:C:2020:239 (ISS Facility Services/Govaerts), rov. 33.
HR 29 december 1995, NJ 1996, 418 (Buyk/Van den Ameele), rov. 3.4. Dit in navolging van HvJ EG 15 juni 1988, ECLI:EU:C:1988:308(Bork), rov. 18.