De grenzen voorbij
Einde inhoudsopgave
De grenzen voorbij (NJV 2019-1) 2019/4.4.6:4.4.6 Meer deals
De grenzen voorbij (NJV 2019-1) 2019/4.4.6
4.4.6 Meer deals
Documentgegevens:
mr. dr. M.H.A. Strik, prof. mr. A.B. Terlouw, datum 01-05-2019
- Datum
01-05-2019
- Auteur
mr. dr. M.H.A. Strik, prof. mr. A.B. Terlouw
- JCDI
JCDI:ADS378816:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Staatsrecht / Algemeen
Internationaal publiekrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Omdat sinds het aannemen van de Verklaring het aantal emigranten vanuit Turkije is verminderd, prijzen Commissie en lidstaten de deal als succesvol.1 Veel lidstaten hinten op de wenselijkheid om soortgelijke deals ook met andere landen te sluiten, waarbij vooral wordt gekeken naar Noord- Afrikaanse landen om zo de irreguliere migratie vanuit die regio te kunnen keren. Omdat het niet reëel is om Libië als veilig derde land te beschouwen, zou loslaten van het idee dat een staat alleen verantwoordelijk kan worden gehouden als een asielzoeker daar eerder is geweest (het doorreiscriterium) een welkom perspectief voor de lidstaten bieden. Zij kunnen derdelanders dan immers overdragen aan een land waar zij nog nooit zijn geweest. Maar ook bij het vervallen van het doorreiscriterium zal de wens om vluchtelingen over te dragen aan landen als Egypte, Tunesië, Marokko of Algerije voorlopig stuiten op de onmogelijkheid en onwil van dergelijke landen om voldoende bescherming te bieden.
Toch zinnen de EU-regeringsleiders op mogelijkheden om migranten en vluchtelingen die zijn onderschept in de Middellandse Zee, te kunnen doorzenden naar een plaats buiten de EU. In juni 2018 spraken ze de ambitie uit om zogenaamde regionale ontschepingsplatforms in te richten, voornamelijk buiten het Europees grondgebied.2 Dit nieuwe concept zou nader moeten worden uitgewerkt in overleg met relevante derde landen en ‘in overeenstemming met het internationaal recht’. Welke standaarden van het internationale recht zij bedoelen, blijkt niet uit de Raadsconclusies. Uit art. 6 en 78 VWEU vloeit voort dat de behandeling en bescherming van migranten in elk geval in overeenstemming moet zijn met de waarborgen van het Vluchtelingenverdrag en het EVRM, als er sprake is van directe of indirecte controle door de EU. Ook als lidstaten de controle uitoefenen, is het beschermingsniveau van deze twee verdragen minimaal vereist. Bovendien biedt het internationale recht een basis om lidstaten aansprakelijk te stellen voor mensenrechtenschendingen, met name als er sprake is van de facto controle of van het doelbewust faciliteren van handelingen die leiden tot een schending.