Einde inhoudsopgave
De grenzen voorbij (NJV 2019-1) 2019/4.4.5
4.4.5 Turkije een veilig derde land?
mr. dr. M.H.A. Strik, prof. mr. A.B. Terlouw, datum 01-05-2019
- Datum
01-05-2019
- Auteur
mr. dr. M.H.A. Strik, prof. mr. A.B. Terlouw
- JCDI
JCDI:ADS376363:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Staatsrecht / Algemeen
Internationaal publiekrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Europese Raad 18 maart 2016, ‘EU-Turkey statement’(bit.ly/ 2oCM2IP).
UNHCR States Parties to the 1951 Convention relating to the Status of Refugees and the 1967 Protocol, p. 3, Unhcr.org.
Zie o.a. Resolutie 2109 van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa (20 april 2016), The situation of refugees and migrants under the EU-Turkey Agreement of 18 March 2016’; Zie ook het bijbehorende rapport, nr. 14028.
Zie o.a. Resolutie 2228 (2018) en Rapport nr. 1575 van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa (13 juni 2018), Human rights impact of the “external dimension” of European Union asylum and migration policy: out of sight, out of rights?
EHRM 21 januari 2011, nr. 30696/09 (M.S.S. t. België en Griekenland). Zie ook UNHCR (recommendations) 6 april 2015, ‘Greece as a Country of Asylum’; Toelichting bij UNHCR, ‘Recommendations for Greece in 2017’, to the Committee of Ministers in the context of the latter’s supervision of the execution of the relevant judgments of the European Court of Human Rights, H-DD(2017)435 en DH-DD(2017)84; Amnesty International 2017-1; Human Rights Watch 15 maart 2017, ‘Greece: A Year of Suffering for Asylum Seekers’; COM(2017)470, 6 september 2017, Zevende verslag over de vooruitgang bij de uitvoering van de verklaring EU-Turkije.
Raad van State Griekenland 22 september 2017, nr. 2347/2017 en 2348/2017. Zie Asylum Information Database (AIDA) 4 oktober 2017, ‘Greece: The Ruling of the Council of State on the Asylum Procedure Post EU-Turkey Deal’, Asylumineurope.org.
Raad van State Griekenland 22 september 2017, nr. 2347/2017 en 2348/2017, par. 58.
Gerecht EU 28 februari 2017, T-193/16, ECLI:EU:T:2017:129(NG t. Europese Raad); Gerecht EU 28 februari 2017, T-257/16, ECLI:EU: T:2017:130 (NM t. Europese Raad).
Zie ook De Waele 2017. Op 12 september 2018 verklaarde het HvJ EU de hoger beroepen tegen de uitspraak van het Gerecht in deze drie zaken manifestly inadmissible, zie HvJ EU 12 september 2018, C-208/17 (NF e.a. t. Europese Raad).
De lakmoesproef voor een effectieve toepassing van het ‘veilig derde landen’-concept vormt de EU-Turkije Verklaring. Deze ‘deal’ sloten de EU-regeringsleiders in maart 2016 met de premier van Turkije om de irreguliere migratie vanuit Turkije via de zogenaamde Balkanroute naar Noord-Europa een halt toe te roepen.1 Op grond van deze verklaring accepteerde Turkije de overname van migranten die vanuit Turkije Griekenland op irreguliere wijze waren binnen gereisd. In ruil daarvoor zou Turkije financiële ondersteuning voor de opvang van vluchtelingen krijgen en een versnelling van visavrijstelling voor Turkse burgers en van het toetredings proces. Ook de één-op-éen afspraak is vermeldenswaard: voor elke Syriër die vanaf de Griekse eilanden naar Turkije wordt teruggestuurd, zal een andere Syriër vanuit Turkije naar de EU worden overgebracht.
Turkije heeft weliswaar het Vluchtelingenverdrag en het Protocol uit 1967 geratificeerd, maar expliciet vastgehouden aan de geografische limiet.2 In Turkije kunnen daarom nog steeds alleen asielzoekers uit een land van de Raad van Europa een vluchtelingenstatus verkrijgen. Dit maakt de toepassing van het ‘veilige derde landen’-concept op Turkije omstreden.3 Syrische vluchtelingen komen er in aanmerking voor tijdelijke bescherming. Ze worden in principe niet teruggestuurd naar Syrië, hebben recht op medische zorg en onderwijs voor kinderen. Omdat hun toegang tot de arbeidsmarkt zeer beperkt is, leven veel vluchtelingen in Turkije onder de armoedegrens. Niet-Syrische asielzoekers kunnen formeel een asielverzoek indienen, maar zij moeten eindeloos wachten op de behandeling daarvan, terwijl hen geen opvang wordt geboden. Als wordt bepaald dat ze recht hebben op asiel, worden ze gedoogd totdat UNHCR hen kan hervestigen in een land dat wel partij is bij het Vluchtelingenverdrag.4
Met de EU-Turkijedeal werd Griekenland feitelijk opgedragen om Turkije als een veilig derde land te behandelen, op een moment dat het Griekse asiel- en opvangsysteem nog zoveel gebreken vertoonde dat EU- lidstaten op grond van EHRM-jurisprudentie geen asielzoekers mochten terugsturen naar Griekenland (zie verder hoofdstuk 5).5 Na veel procedures oordeelde de Griekse Raad van State in september 2017 ten aanzien van een aantal individuele zaken dat Turkije een veilig derde land is.6 De Raad van State hechtte geen waarde aan het afwijkende standpunt van UNHCR omdat het verdrag UNHCR niet de bevoegdheid toekende om een ‘authentieke interpretatie’ te geven en zijn opinies evenmin op grond van het Unierecht bindend zijn.7
De erbarmelijke omstandigheden op de Griekse eilanden voor de ongeveer 19.000 daar aanwezige asielzoekers (zie daarover verder hoofdstuk 5) brachten enkelen van hen in 2016 tot het indienen van een beroepschrift bij het Gerecht van de EU waarin ze verzochten de overeenkomst tussen de Europese Raad en Turkije nietig te verklaren.8 Het Gerecht verklaarde zich echter onbevoegd om de beroepen te behandelen omdat de deal tussen de EU en Turkije, officieel aangeduid als een ‘Verklaring’, volgens het Gerecht niet een handeling betrof van een EU- instelling. Het Gerecht overwoog dat als het al om een bindende internationale overeenkomst zou gaan, deze is gesloten door de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten van de Unie enerzijds en de Turkse premier anderzijds, en niet door de EU als zodanig.9 Deze uitspraak laat zien dat informalisering van externe samenwerking niet alleen een bedreiging vormt voor de noodzakelijke checks en balances (deals of compacts zetten zowel het Europees Parlement als het Gerecht/Hof van Justitie buiten spel), maar ook voor de mogelijkheid van individuen om betrokken partijen aan te spreken op de gevolgen. De kwalificatie van overeenkomst tussen de lidstaten en Turkije betekent echter wel dat de individuele lidstaten een gedeelde verantwoordelijkheid dragen voor de situatie van vluchtelingen op de Griekse eilanden. Als indirect gevolg van de overeenkomst worden zij immers blootgesteld aan mensenrechtenschendingen, waarbij de lidstaten onvoldoende maatregelen nemen om hen daartegen te beschermen. Het internationale recht zou geen vacuüm mogen bevatten tussen de verantwoordelijkheid van internationale organisaties, zoals de EU, en hun lidstaten.