Einde inhoudsopgave
De grenzen voorbij (NJV 2019-1) 2019/4.4.4
4.4.4 Veilige derde landen
mr. dr. M.H.A. Strik, prof. mr. A.B. Terlouw, datum 01-05-2019
- Datum
01-05-2019
- Auteur
mr. dr. M.H.A. Strik, prof. mr. A.B. Terlouw
- JCDI
JCDI:ADS378815:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Staatsrecht / Algemeen
Internationaal publiekrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie UNHCR, ExCom conclusies nr. 15 (XXX) uit 1979 en 58 (XL) uit 1989; zie ook Zwaan 2003, par. 2.3.2.1 en 2.3.2.2.
Regeerakkoord-Rutte-III, ‘Vertrouwen in de toekomst’, Den Haag: 10 oktober 2017, p. 52
Zie UNHCR 2016 (reactie op de EU-Turkeydeal); zie ook UNHCR, ExCom-conclusie nr. 58 (XL) uit 1989, Problem of Refugees and Asylum- seekers who move in an irregular manner from a country in which they had already found protection, Un Doc 12A, A/44/12/Add. 1; UNHCR, ExCom- conclusie nr. 86 (XLIX) uit 1998, Conclusion on International Protection, Un Doc 12A, A/53/12/Add. 1.
Zie o.a. Kamerstukken I 2016/17, 32317, HQ.
Waar de pushbacks worden gestimuleerd door de externe samenwerking, stimuleert de externe samenwerking op haar beurt de ontwikkeling van bepaalde EU-asielnormen. Dit geldt vooral voor het concept van veilige derde landen, dat het mogelijk maakt om bescherming over te dragen aan een land buiten de EU. Verdragsstaten zijn gerechtigd om een vluchteling aan een ander land over te dragen, als ze de garantie hebben dat de vluchteling daar effectieve en dus ook duurzame bescherming geniet. Overdragen aan een ander land kan als een uitzondering worden gezien op de plicht van een verdragsstaat om bescherming te bieden, zeker als dat gebeurt zonder dat de verdragsstaat een inhoudelijk onderzoek naar het asielverzoek heeft uitgevoerd. De veilige derdelandenexceptie is niet verdragsrechtelijk geregeld, maar UNHCR heeft er criteria voor ontwikkeld die door veel landen als leidraad worden gebruikt.1 In elk geval moeten landenrapportages over de situatie van het recht en de praktijk in de betreffende landen de basis vormen voor de bepaling of een land als veilig derde land kan worden aangemerkt (vgl. art. 35 Vluchtelingenverdrag). Uiteraard is de onafhankelijkheid van deze informatie van groot belang.
Met de Europeanisering van het asielrecht geeft de EU echter steeds meer een eigen interpretatie aan de criteria en voorwaarden voor de toepassing van het veilige derde landen concept. Op dit moment onderhandelen de lidstaten in het kader van de totstandkoming van de Procedureverordening over minder procedurele waarborgen en ruimere criteria (zie hoofdstuk 5). Uit het regeerakkoord van Rutte III blijkt waarom het kabinet deze ontwikkeling steunt: het noemt een nadere ‘specificatie’ van het concept ‘veilig derde land’ noodzakelijk om ‘het uitgangspunt van opvang in de regio effectief te kunnen realiseren’.2 Op drie belangrijke punten worden de criteria versoepeld.
Ten eerste hoeft het derde land het Vluchtelingenverdrag niet langer te hebben geratificeerd. Ten tweede hoeft het derde land alleen nog maar de ‘substantiële rechten’ van het verdrag te waarborgen. UNHCR heeft altijd het belang benadrukt van naleving van het volledige Vluchtelingenverdrag, waaronder ook de burgerrechten en sociaaleconomische rechten, zodat vluchtelingen in het land van asiel een nieuwe toekomst kunnen opbouwen.3 Het is de vraag of het Vluchtelingenverdrag en het effectiviteitsbeginsel zich niet tegen een inperking verzetten, als die vluchtelingen permanent zou afhouden van alle rechten van het Vluchtelingenverdrag. Ten derde worden minder eisen gesteld aan de band die de vluchteling moet hebben met het derde land, waarbij de lidstaten in de Raad zelfs bespreken of het wel nodig is dat de vluchteling ooit in dat land is geweest.4 Een ontkennend antwoord van Raad en Parlement zou het aantal overdrachtsmogelijkheden aanzienlijk vergroten.
De eensgezindheid waarmee de lidstaten en de Commissie trachten de criteria voor een veilig derde land af te zwakken, houdt evident verband met hun behoefte om vaker statusdeterminatie en bescherming van vluchtelingen over te laten aan een derde land.