Bedrijfswaarde (FM)
Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/7.9:7.9 Samenvatting
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/7.9
7.9 Samenvatting
Documentgegevens:
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS344305:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De definitie van het fiscaalrechtelijke begrip bedrijfswaarde neemt als uitgangspunt de overnemingswaarde van de onderneming als geheel. Het aantal waarderingsmethoden van ondernemingen is groot, variërend van de klassieke methoden (zoals de intrinsieke waarde en de rentabiliteitswaarde) tot de zich steeds meer 'bewezen' DCF-methode die de vrije kasstroom als uitgangspunt neemt. De uiteenlopende waarderingsmethoden worden verschillend geapprecieerd. Zo ziet Traas de DCF-methode als de technisch beste waarderingsmethode, terwijl Holterman aangeeft dat deze methode uitermate gevoelig is voor schattingsfouten in de parameters. De kwaliteit van de voorspellingen bij de DCFmethode is dan ook van cruciaal belang want alleen al bij de bepaling van de disconteringsvoet sluipt er een grote mate van subjectiviteit in de veelal toch als objectief gekenschetste DCF-methode.
Het waardebegrip in de financiële accounting in de vorm van de intrinsieke waarde is retrospectief gericht, terwijl bij een (gefingeerde) verkoop de koper zich sterk zal richten op de toekomstverwachtingen. Niet de waarde mi is interessant maar de waarde-ontwikkeling in de toekomst. Alleen al om die reden zou deze waarderingsmethode verworpen moeten worden in de context van het bepalen van de bedrijfswaarde. Bak gaat nog een stapje verder en stelt dat de intrinsieke waarde geen enkele rol speelt bij de koopprijs/ waardebepaling van een onderneming. De enige relevante gegevens zijn de winstcapaciteit en de rendementseis.
Uit de behandelde literatuur blijkt dat de daadwerkelijke invulling van het begrip 'waarde' sterk afhankelijk is van de soort koper en verkoper, of er bijvoorbeeld sprake is van een synergie-effect, of zich situaties van informatie-aggregatie voordoen etc. Zoals Sman treffend aangeeft: Geef 100 personen de opdracht de waarde van een onderneming te bepalen, er zullen 100 verschillende bedragen uitrollen.
Een algemeen objectief vast te stellen waarde van een onderneming bestaat niet. Dit gemis zou wellicht ondervangen kunnen worden door meerdere waarderingsmethoden op dezelfde casus toe te passen om op die manier toch nog tot zoiets als een gezamenlijke waarde te komen. Maar het probleem is daarmee nog niet opgelost. Indien de waarde van de onderneming op een eenduidige manier is vastgesteld, moet er vervolgens een toerekening plaatsvinden aan de diverse activa en passiva. Op dit probleem heeft in wezen nog niemand een antwoord kunnen geven, zo kwalificeren bijvoorbeeld Bak en Groeneveld de hiervoor aangehaalde toerekening als een nutteloze bezigheid. Daarbij gaat het ook om aspecten als welke bijdrage een individueel activum zoals een bedrijfsmiddel aan de winstpotentie van een onderneming levert en hoe aspecten als menselijke arbeid en organisatie van de onderneming in de bedrijfswaardebepaling moeten worden verwerkt.