Bedrijfswaarde (FM)
Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/7.2:7.2 De werking van het prijsmechanisme
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/7.2
7.2 De werking van het prijsmechanisme
Documentgegevens:
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS345537:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naast het begrip 'waarde' komt in de bedrijfseconomie veelvuldig het begrip `prijs' voor. Deze begrippen worden nogal eens door elkaar gebruikt maar aan de andere kant moet gezegd worden dat waardering en prijsvorming een zekere mate van verwantschap vertonen. Voor het inzicht in de verschillen tussen `waarde' en 'prijs' is het noodzakelijk niet alleen stil te staan bij het begrip 'prijs' maar in het bijzonder bij de werking van het prijsmechanisme.
Niet voor niets wordt er in het maatschappelijk leven gesproken over een `ruileconomie'. Voortdurend is er sprake van ruil: door zijn arbeidskracht ter beschikking te stellen, verkrijgt men een inkomen, waarna dit vervolgens weer tegen goederen geruild kan worden.
Puur door de introductie van het geld kregen de goederen een prijs. Deze prijs is met andere woorden gezegd de in geld uitgedrukte ruilwaarde.
Door middel van het prijzenstelsel wordt er tussen alle goederen en diensten een relatie geschapen, waardoor onmiddellijk een inzicht verkregen kan worden in hun waardeverhoudingen. In feite geven prijzen een vergelijkingsmaatstaf weer voor totaal ongelijksoortige goederen en diensten. Toch komen prijzen nooit zonder vraag en aanbod tot stand. Deze bepalen samen de waarde van een goed en daarmee ook de prijs, waarbij deze prijs op basis van bepaalde omstandigheden kan wisselen.
Pas als gesproken wordt over de collectieve vraag, het collectieve aan de abstracte markt komt het begrip 'prijsmechanisme' om de hoek kijken. De functie van het prijsmechanisme is de allocatie, dat wil zeggen de verdeling van eindproducten en productiefactoren over vele aanwendingsmogelijkheden.
Er bestaat zoiets als een evenwichtsprijs. Andriessen illustreert de totstandkoming hiervan aan de hand van een voorbeeld ontleend aan de Amsterdamse effectenbeurs: Bij een koers van f 100 (evenwichtskoers) worden met betrekking tot een bepaald aandeel zowel 80 stuks (evenwichtshoeveelheid) gevraagd als 80 stuks aangeboden. Bij de evenwichtskoers zijn voorgenomen vraag en aanbod aan elkaar gelijk. Andriessen schrijft dat het duidelijk moge zijn geworden dat de evenwichtskoers de enige koers is die feitelijk tot stand komt. De opgegeven koop- en verkoopkoersen hebben het karakter van voorgenomen gedragingen. In formules uitgedrukt ziet dit er als volgt uit:
De lineaire aanbodfunctie (formule 1) aan de hand van bovengenoemd voorbeeld luidt:
k = 2/ 15xa + 89,33
Hierbij is:
k de koers,
xa = de aangeboden hoeveelheid
bepaalt 2/15 de helling van de functie en is f 89,33 de prijs waar beneden geen aandelen worden aangeboden.
De lineaire vraagfunctie (formule 2) luidt:
k = —1/10xv + 108
Hierbij is:
k de koers,
xv = de gevraagde hoeveelheid
bepaalt -1/10 de helling van de functie en is f 108 de prijs waar boven geen aandelen meer worden gevraagd.
De evenwichtsvoorwaarde (formule 3) luidt:
xa = xv
Het model wordt opgelost door substitutie van formule 1 en formule 2 in formule 3. Als oplossing wordt gevonden een evenwichtskoers k* = 100 en een evenwichtshoeveelheid x* = 80.
In dit verband een opmerking over de zogenaamde prijselasticiteit, die gedefinieerd kan worden als de procentuele verandering van de gevraagde (respectievelijk aangeboden) hoeveelheid van een goed gedeeld door de procentuele verandering van de prijs.
Kijken we naar de prijselasticiteit van de vraag dan kan deze worden uitgedrukt in de volgende formule:
(relatieve hoeveelheidsverandering gedeeld door relatieve prijsverandering) Dit is te herleiden tot:
De 'elasticiteit' wordt door Andriessen met het volgende voorbeeld geïllustreerd:
Prijs f 101
Hoeveelheid 500
Omzet f 50 500
Bij een elasticiteit van -10 levert een prijsdaling van 1% tot f 100 een vermeerdering van de hoeveelheid op met 10% tot 550 zodat een omzet ontstaat van f 100 x 550 = f 55 000. Bij een elasticiteit van -1 levert een prijsdaling van 1% tot f 100 een vermeerdering van de hoeveelheid op met 1% tot 505 zodat een omzet ontstaat van f 100 x 505 = f 50 500.
Te zien is dat de prijselasticiteit van de vraag naar goederen niet alleen afhangt van de helling van de vraagcurve, maar ook van het tot uitgangspunt gekozen prijsniveau.
De prijselasticiteit van het aanbod daarentegen geeft de reactie weer van de aangeboden hoeveelheid goederen op een prijsverandering.
Bij de hiervoor behandelde vraagstukken rondom elasticiteit is de aandacht gericht geweest op bewegingen langs de vraag- en aanbodcurven. Natuurlijk kunnen er ook verschuivingen van deze curven zelf optreden, namelijk als de totale vraag of het totale aanbod autonoom verandert, zonder dat daaraan een prijsverandering van het beschouwde goed voorafgegaan is.