Einde inhoudsopgave
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/6.1
6.1 Inleiding
Anneke Els Keulemans, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
Anneke Els Keulemans
- JCDI
JCDI:ADS362893:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Fiscaal procesrecht / Procesorde
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ 7 januari 2004, zaak C-204/00 P, (Aalborg Portland), punt 68 e.v.
Zie bijvoorbeeld: HvJ 12 juni 2003, zaak C-112/00 (Schmidberger), p. 80; HvJ 16 mei 2017, zaak C-682/15, (Berlioz Investment Fund), p. 82.
Zie bijvoorbeeld: HvJ 4 juli 1963, zaak 32/62, (Alvis); HvJ 18 juli 2013, zaken C-584/10 P, C-593/10 P en C-595/10 P, (Kadi II); Zie annotatie van C.J. Hummel, onder 1, 4 en 6 bij HvJ 20 december 2017, zaak C-276/16, (Prequ’Italia) in BNB 2018/58 waarin Hummel uitgaat van een categorale toets; zie ook Pelinck 2016A: Pelinck komt tot een vergelijkbaar oordeel op grond van HvJ 3 juli 2014, zaken C-129/13 en C-130/13, (Kamino); conclusie van A-G Ettema van 4 juni 2019, nrs. 18/01694, 18/01696 en 18/03982, ECLI:NL:PHR:2019:78: A-G Ettema geeft in deze conclusie een uitgebreide opsomming van de jurisprudentie van het HvJ, waarbij het HvJ een evidente individuele toets aanlegt; HR 19 juni 2020, nr. 18/03982, V-N 2020/29.20, r.o. 2.4.2 en 2.4.3 en HR 26 juni 2020, nr. 19/03226, V-N 2020/31.20, r.o. 3.3: De Hoge Raad komt zonder het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie tot het oordeel dat sprake is van een individuele toets.
Peers e.a. 2014, p. 1470: Peers e.a. noemen dit tweede vereiste niet. De tekst van artikel 52, eerste lid, van het Handvest stelt deze voorwaarde echter duidelijk.
Met de opkomst van rechtsbeginselen binnen de Europese Unie (paragraaf 3.1) kwam in de jurisprudentie van het Hof van Justitie ook het relatieve karakter van beginselen naar voren. De jurisprudentie van het Hof van Justitie laat zien dat beginselen worden beperkt door andere beginselen. Als een belanghebbende één of meer van de deelaspecten van het kenbaarmakingsbeginsel niet geheel kan uitoefenen, wordt het kenbaarmakingsbeginsel beperkt. Het kenbaarmakingsbeginsel kan daarbij in het geheel of slechts voor een deel worden beperkt. Een voorbeeld van een gehele beperking is te vinden in de zaak Sopropé waarbij aan geen van de deelaspecten van het kenbaarmakingsbeginsel werd voldaan voordat het bezwarende besluit werd genomen. Van een gedeeltelijke beperking is bijvoorbeeld sprake in de zaak Aalborg Portland. De belanghebbende werd op de hoogte gesteld van de elementen waarop een bestuursorgaan het besluit wilde baseren, kreeg voldoende tijd ter voorbereiding van de verdediging, kreeg inzage in een groot deel van de relevante stukken en mocht vervolgens het standpunt kenbaar maken.1 Het recht op (inzage in) de stukken was daarmee deels beperkt.
Een gedeeltelijke beperking van het kenbaarmakingsbeginsel ziet er schematisch weergegeven (hokjesmodel) als volgt uit:
Figuur 11
Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat de uitoefening van grondrechten als ongeschreven rechtsbeginselen aan beperkingen kunnen worden onderworpen, mits die beperkingen daadwerkelijk beantwoorden aan doeleinden van algemeen belang en het door dergelijke beperkingen nagestreefde doel in aanmerking genomen, niet zijn te beschouwen als een onevenredige en onduldbare ingreep waardoor de beschermde rechten in de kern worden aangetast.2 Deze voorwaarden zijn voor het beperken van in het Handvest neergelegde grondrechten (geschreven rechtsbeginselen) neergelegd in artikel 52, eerste lid, van het Handvest. Artikel 52 van het Handvest bepaalt dat beperkingen op de uitoefening van de in dit Handvest erkende rechten en vrijheden bij wet moeten worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden moeten eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen slechts beperkingen worden gesteld, als zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Europese Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Hieruit volgt dat een geschreven grondrecht in het Handvest bovendien slechts kan worden beperkt als deze beperking bij wet is gesteld.
Daarmee komt er in het stappenplan (de beslisboom) een vraag bij:
Figuur 12
Om de vierde vraag uit het stappenplan (de beslisboom) in een specifiek geval te kunnen beantwoorden, is van belang te weten dat de toets of sprake is van een gerechtvaardigde beperking een individueel karakter kent.3 Ten aanzien van bepaalde combinaties van omstandigheden bij bepaalde concurrerende beginselen kan echter een voorrangsregel ontstaan. Daarmee ontstaat géén categorale toets. Een voorrangsregel wil zeggen dat bij een bepaalde combinatie van omstandigheden de uitkomst van de weging tussen de concurrerende beginselen bekend is. In elk individueel geval moet worden bezien of aan die omstandigheden wordt voldaan. Daarbij moeten alle voorwaarden voor het beperken van beginselen worden bezien. Artikel 52, eerste lid, van het Handvest omvat de volgende vier voorwaarden voor het beperken van de in het Handvest erkende rechten:
Een procedurele regel, die bepaalt dat beperkingen van de rechten, zoals neergelegd in het Handvest, bij wet moeten zijn gesteld (paragraaf 6.2).
Een regel dat een beperkende maatregel de wezenlijke inhoud van de rechten en vrijheden van het Handvest moet eerbiedigen (paragraaf 6.3).4
De beperking moet daadwerkelijk beantwoorden aan de door de Europese Unie erkende doelstellingen vanalgemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen (paragraaf 6.4).
De beperking moet voldoen aan het evenredigheidsbeginsel (paragraaf 6.5). Daarmee moet de maatregel a) geschikt zijn (paragraaf 6.5.1), b) noodzakelijk zijn (paragraaf 6.5.2) en c) voldoen aan het vereiste van evenredigheid stricto sensu (paragraaf 6.5.3).