Einde inhoudsopgave
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/3.4.3
3.4.3 Herbenoeming
mr. dr. P.M. van den Eijnden, datum 01-10-2010
- Datum
01-10-2010
- Auteur
mr. dr. P.M. van den Eijnden
- JCDI
JCDI:ADS501029:1
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Vooral de relatie tot de (regering van de) eigen lidstaat, die een rechter moet voordragen voor (her)benoeming in het EHRM, kan een beïnvloedende factor zijn. Zie o.m. J.F. Bruinsma, ‘Conformisme en chauvinisme in het EHRM’, in: Ten Berge & Hol (red.), De onafhankelijke rechter, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2007, p. 45-59; E. Voeten, ‘The Impartiality of International Judges: Evidence from the European Court of Human Rights’, American Political Science Review (november 2008), 102(4): 417-433: ‘An analysis of a new dataset of dissents in the European Court of Human Rights yields a mixed set of answers. On the bright side, there is no evidence that judges systematically employ cultural or geopolitical biases in their rulings. There is some evidence that career insecurities make judges more likely to favor their national government when it is a party to a dispute.’
Zie o.a. Campbell en Fell, EHRM 28 juni 1984, Serie A, 80; Lithgow, EHRM 8 juli 1986, Serie A, 102; Ettl e.a., EHRM 23 april 1987, Serie A, 117; Langborger, EHRM 23 mei 1989, Serie A, 155.
Incal, EHRM 9 juni 1998, Reports 1998, 1547, § 68.
EHRM 28 oktober 1999, NJCM-Bulletin 2000, p. 706 en 1209, Yb.ECHR 1999, p. 150, EHRC 2000, nr. 7.
Het Hof is van oordeel dat de vrijheid van meningsuiting van Wille ten onrechte is beperkt (schending van artikel 10 in samenhang met artikel 13 EVRM). Het Hof achtte het (daarom) niet nodig om de klacht inzake artikel 6 EVRM verder te onderzoeken. Zie over de jurisprudentie inzake vrijheid van meningsuiting van rechters: Kuijer 2004, p. 315-322.
M. Kuijer & P. Mendelts, ‘Een vorstelijk dispuut’, annotatie bij Wille t. Liechtenstein, EHRM 28 oktober 1999, NJCM-bulletin 2000, p. 1209.
Soms kunnen rechters worden benoemd voor meerdere zittingstermijnen van bepaalde duur. De mogelijkheid tot herbenoeming van een rechter roept een aantal vragen op. Het is denkbaar dat een rechter na afloop van zijn zittingstermijn zelf een nieuwe termijn ambieert, maar herbenoeming wordt geweigerd. Dan verliest de rechter door tussenkomst van een derde zijn positie als rechter (net als bij ontslag). Bezwaren tegen de mogelijkheid tot herbenoeming rijzen vooral indien de benoeming door de uitvoerende macht geschiedt en worden groter naarmate de benoemingstermijn korter is. Als een rechter voor zeer korte termijn wordt benoemd (in het midden gelaten wanneer daarvan sprake is) en herbenoeming open staat, dan betekent dat feitelijk de vrijheid om op ongepaste gronden, als het persoonlijk niet waarderen van (de inhoud van) zijn rechterlijke uitspraken, de rechter aan de kant te zetten. Omdat de aanstelling op normale wijze afloopt, is het denkbaar dat onbekend blijft waarom de rechter niet wordt herbenoemd. Daarom is het aan te bevelen dat elk besluit om een zittende rechter, wier termijn afloopt, niet opnieuw te benoemen voor een volgende zittingstermijn schriftelijk gemotiveerd moet worden genomen. Aan de zijde van de rechter bestaat het risico dat hij – vooral richting het einde van zijn zittingstermijn – beslissingen neemt, die zijn ingegeven door de wetenschap of het vermoeden dat zij degene die beslist over zijn herbenoeming zullen aanspreken. Overigens doet dat risico zich ook voor bij het EHRM zelf, waar rechters tot voor kort voor zes jaar werden gekozen (door de Parlementaire Assemblee) en herkiesbaar waren (art. 23 EVRM).1 Met de inwerkingtreding van het 14e protocol per 1 juni 2010 is er één vaste benoemingstermijn van negen jaar voor rechters.
Kan het Hof bescherming bieden in situaties waarin de autoriteiten in hun herbenoemingsbeleid rekening houden met ongepaste overwegingen, als gevolg waarvan het risico op beïnvloeding van de rechter bestaat? Er zijn niet zoveel zaken waarin het Hof zich kritisch heeft uitgelaten over de mogelijkheid van herbenoeming op zich, ondanks dat de mogelijkheid daartoe wel bestond voor leden van enkele gerechten waarover het Hof zijn oordeel heeft uitgesproken.2 Vaak blijft een mogelijkheid tot herbenoeming zelfs geheel onbesproken. In dit opzicht is de zaak Incal over het Turkse staatsveiligheidshof van Izmir bijzonder. Alle staatsveiligheidshoven van Turkije bestaan uit twee professionele rechters en één militaire rechter. Bepaalde aspecten aan de status van die militaire rechters vindt het Hof twijfelachtig:
‘Firstly, they are servicemen who still belong to the army, which in turn takes its orders from the executive. Secondly, they remain subject to military discipline and assessment reports are compiled on them by the army for that purpose. Decisions pertaining to their appointment are to a great extent taken by the administrative authorities and the army. Lastly, their term of office as National Security judges is only four years and can be renewed.’3
Dit is een van de weinige zaken waar het Hof zich wel kritisch uitlaat over de mogelijkheid van herbenoeming, zij het in combinatie met de andere aspecten van de positie van militaire rechters.
Een in dit opzicht wel erg bijzondere situatie deed zich voor in de zaak Wille.4 De president van de Liechtensteinse administratieve rechtbank (Wille) liet zich tijdens een wetenschappelijke lezing kritisch uit over enkele constitutionele vraagstukken. Hierop schreef het staatshoofd van Liechtenstein, Prins Hans-Adam II, in een persoonlijke brief aan Wille dat hij hem bij een toekomstige voordracht niet zou benoemen in een overheidsfunctie. Hoewel de uitspraak van het Hof met name ziet op de reikwijdte van het recht op vrijheid van meningsuiting van rechters (art. 10 EVRM),5 valt er gezien het feitencomplex van deze zaak tevens een opmerking te maken over rechtersbenoemingen, met name wat betreft de interventie van het staatshoofd daarin. Uit de brief blijkt dat de Prins rechter Wille ongeschikt acht voor overheidsfuncties wegens Willes met de grondwet strijdige uitleg van de bevoegdheid van het Constitutionele Hof. Volgens de Prins zal een ieder die de betreffende artikelen van de grondwet leest, kunnen vaststellen dat het Constitutionele Hof niet bevoegd is om te beslissen in geschillen tussen de Prins en het parlement (de Diet). De Prins wenst niet in debat te gaan over deze kwestie en zegt onomwonden dat hij Wille niet opnieuw zal benoemen in een overheidsfunctie (dus ook niet in een rechterlijke functie), indien hij daartoe zou worden voorgedragen door de Diet of een ander lichaam. De Prins spreekt tevens de hoop uit dat Wille zich in zijn uitspraken als president van de administratieve rechtbank zal houden aan de grondwet en de gewone wetten gedurende de resterende periode van zijn benoeming. Wille wordt na verloop van zijn ambtsperiode inderdaad opnieuw voorgedragen als president van de administratieve rechtbank, waarop de Prins weigert die voordracht te bekrachtigen.
Binnen overheidsfuncties bestaat een duidelijk onderscheid tussen een rechterlijke functie en andere overheidsfuncties. In een ‘gewone’ overheidsfunctie hoeft een ambtenaar niet onafhankelijk te zijn. Daar kan men doorgaans juist ter verantwoording worden geroepen voor zijn handelen of bepaalde uitlatingen door een hiërarchisch hogere, of in het geval van een minister of staatssecretaris door het parlement, met als mogelijke consequentie ontslag uit zijn functie. De weigering van de Prins om rechter Wille, ook al eens lid van de regering (vicepremier), in een andere, niet-rechterlijke overheidsfunctie te benoemen, is nog enigszins begrijpelijk en kan in het licht van het staatsrecht door de beugel. Waar het echter zijn functie betreft als president van de administratieve rechtbank, kan inmenging van het staatshoofd in strijd zijn met de rechterlijke onafhankelijkheid. Nu was de aanleiding voor de geweigerde herbenoeming niet direct onvrede over een rechterlijke uitspraak van Wille, maar zijn standpunt inzake de grondwet, geuit tijdens een wetenschappelijke lezing. Toch verwijst de laatste zin in de brief van de Prins naar toekomstige rechterlijke uitspraken van Wille, en in samenhang met de eerdere aangezegde weigering tot herbenoeming zou dit Wille onder druk kunnen zetten om anders te gaan oordelen. Dat is een inbreuk op zijn rechterlijke onafhankelijkheid. Natuurlijk is ook – of sterker nog: juist – een rechter gebonden aan de wetten en het recht. Indien een bepaalde rechter consequent in strijd met het recht zou oordelen, mag dat best gevolgen hebben, maar het is in het licht van de rechterlijke onafhankelijkheid aan de rechterlijke macht zelf om te beoordelen of een rechter zodanige uitspraken doet en daar die gevolgen aan te verbinden, niet aan het staatshoofd.
De positie van de Prins als erfelijk monarch van Liechtenstein is, wat betreft benoeming van rechters, enigszins vergelijkbaar met die van het Nederlandse staatshoofd. De Prins heeft de bevoegdheid om rechters te benoemen op voordracht van de Diet. In Nederland worden rechters bij koninklijk besluit benoemd (art. 117 lid 1 Gw). De handtekening van de Koning is derhalve een constitutief element voor de benoeming. Een weigering van het staatshoofd iemand tot rechter te benoemen, zoals in het geval van Wille, zou zich in theorie ook in Nederland kunnen voordoen.6 Hierbij moet wel aangetekend worden dat in Nederland het standpunt van de Koning in verband met de eenheid van de regering nooit naar buiten bekend zal worden. De minister draagt uiteindelijk de verantwoordelijkheid voor het besluit. Een mededeling zoals die van de Liechtensteinse Prins is inconstitutioneel in Nederland.