Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van toetsing van wetgeving (SteR nr. 1) 2010/II.3.4.4
II.3.4.4 Toetsing van het voorschrift zelf
Joost Sillen, datum 01-07-2010
- Datum
01-07-2010
- Auteur
Joost Sillen
- JCDI
JCDI:ADS588366:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Schlössels 2007, p. 329-330.
Idem, p. 330, nt. 58.
Zie Schlössels 2000, p. 11, nt. 100: ‘De rechter kan [...] niet ‘erga omnes’ vernietigen, hetgeen m.i. óók de civiele rechter gelet op de statelijke machtenscheiding zou moeten nalaten door de figuur van ‘onverbindendverklaring’ achterwege te laten.’
Tak 1997, p. 348.
De opvatting van de Maastrichtse School lijkt op het eerste gezicht op die van de Amerikaanse rechter Scalia (paragraaf 3.2.3). Toch zijn er aanzienlijke verschillen. Scalia vindt dat de rechter zich alleen mag uitspreken over de rechtmatigheid (van de toepassing) van een wettelijk voorschrift voor zover de beslechting van het bij hem aanhangige geschil dat vereist. Hij acht toetsing van het voorschrift zelf niet verwerpelijk, omdat de rechter daarmee het aangevallen voorschrift uit de rechtsorde zou verwijderen, zoals de Maastrichtse School als bezwaar formuleert.
Tak 1997, p. 347-348.
Toetsing van het voorschrift zelf komt in de Nederlandse jurisprudentie met enige regelmaat voor. Dat de rechter tot zulke toetsing bevoegd is, is onomstreden. Alleen het op zulke toetsing volgende onverbindendverklaren is voorwerp van discussie. Zo meent Schlössels,
‘dat het stelsel van rechtsbescherming [...] aan inzichtelijkheid zou winnen indien de rechtsgevolgen van rechterlijke uitspraken – althans de dicta – ten aanzien van onrechtmatige algemeen verbindende voorschriften niet alleen formeel, maar in beginsel ook materieel beperkt zouden blijven tussen procespartijen. Het buiten toepassing laten (naar mijn smaak een staatsrechtelijk zuiverder concept dan ‘onverbindendverklaren’) zou in dit kader steeds moeten steunen op de vaststelling van subjectieve onrechtmatigheid en bijgevolg de schending van individuele rechtsposities.’1
Hij voegt daaraan toe, dat hij geen bezwaren heeft tegen een ‘meer abstracte toetsing’2 in de rechtsoverwegingen van een uitspraak.
Op het eerste gezicht lijken zijn bezwaren tegen onverbindendverklaringen niet meer te zijn dan een woordenspel: de rechter mag weliswaar constateren, dat een wettelijk voorschrift nimmer rechtsgeldig kan worden toegepast en dus onverbindend is, maar hij mag dat niet als (bindend) dictum uitspreken. Aan zijn opvatting ligt echter een bepaald idee over de juridische status van een onverbindend verklaard voorschrift ten grondslag. Schlössels meent, dat de rechter met het uitspreken van zo’n onverbindendverklaring het voorschrift vernietigt; dat het daardoor uit de rechtsorde wordt verwijderd.3 Die rechtsfiguur wordt door de ‘Maastrichtse school’, waartoe ook Schlössels behoort, als ‘een onbeschaamdheid’4 gezien.5 De vernietiging van een besluit van het bestuur of de wetgever door de rechter is volgens hen in strijd met de trias, omdat de rechter in zo’n geval meer doet, dan het beslechten van een concreet geschil.6 De vraag of onverbindendverklaring van een wettelijk voorschrift hetzelfde is als de vernietiging van dat voorschrift, laat ik voorlopig rusten. Zij wordt in deel III besproken.