Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht
Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/3.4.2:3.4.2 Het verbod in kort geding
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/3.4.2
3.4.2 Het verbod in kort geding
Documentgegevens:
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955442:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 28 april 2022, C-44/21, ECLI:EU:C:2022:309 (Phoenix Contact/Harting), rov. 32.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 9 lid 1 sub a Handhavingsrichtlijn verplicht lidstaten om ervoor te zorgen dat de bevoegde rechterlijke instanties op verzoek van de verzoeker tegen de vermeende inbreukmaker een voorlopig bevel kunnen uitvaardigen om een dreigende inbreuk op een intellectueel-eigendomsrecht te voorkomen. De bepaling vereist niet met zoveel woorden dat de eiser een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering. De rechter kan en moet (het ontbreken van) spoedeisendheid echter wel meenemen bij de afweging van belangen die ten grondslag ligt aan het verbod.1
3.4.2.1 Discretionaire bevoegdheid en belangenafweging3.4.2.2 Zekerheid over de materiële rechtsverhouding3.4.2.3 Waarborgen tegen onrechtmatige tenuitvoerlegging