Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/7.2.2
7.2.2 Toezeggingen
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685337:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Volgens de Hoge Raad is namelijk pas van toezeggingen sprake indien ‘de specifieke omstandigheden van het concrete geval aan de orde zijn geweest vóórdat de inspecteur zich heeft uitgesproken over een bepaalde toepassing van de fiscale regels’, HR 26 september 1979, ECLI:NL:HR:1979:AM4918, AB 1980/210.
Geppaart 1965. Smit 1984 heeft het over de ‘bindingsbedoeling’ van de inspecteur, die bij toezeggingen principieel aanwezig is, maar ontbreekt bij inlichtingen. Hier komt het rechtshandelingkarakter van de toezegging naar voren. In het reguliere bestuursrecht gebeurt dit vrijwel niet en wordt buiten het besluit, geen rechtshandelingkarakter aan overheidshandelen toegeschreven.
HR 26 september 1979, ECLI:NL:HR:1979:AM4918, AB 1980/210. Ook uitlatingen gedaan via de Belastingtelefoon kunnen – mits zij voldoen aan de definitie van een toezegging – gerechtvaardigd vertrouwen wekken, zie bijv. Hof ’s-Hertogenbosch 13 februari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:501, waarin het hof in rov. 4.11 er waarde aan hecht dat de belastingplichtige ‘in het huidige tijdsgewricht in de regel voor contacten met de Belastingdienst is aangewezen op de Belastingtelefoon.’ In dat geval kwam het hof tot het oordeel dat sprake was van een toezegging die aan de inspecteur kan worden toegerekend: “Of en zo ja in hoeverre de medewerkers van de Belastingtelefoon conform werkinstructies of beoogde werkwijzen handelen, kan niet voor rekening van de belastingplichtige worden gebracht ingeval zonder enig voorbehoud een toezegging wordt gedaan in antwoord op een concrete vraag van een belastingplichtige over de wetstoepassing in de specifieke situatie waarin hij verkeert.”
HR 27 juni 1984, ECLI:NL:HR:1984:AW8572, BNB 1984/240 en Cursus Belastingrecht FBR 4.4.34.A.
HR 14 augustus 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ5128, BNB 2010/20.
HR 26 september 1979, ECLI:NL:HR:1979:AM4918, AB 1980/210.
De Hoge Raad verwijst hier naar ABRvS 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1128, JB 2020/134, rov. 4.3 en CRvB 7 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:877, rov. 4.1.
HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069, BNB 2020/120, rov. 2.3.1.
Zie ook het nadien gewezen arrest HR 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1849, BNB 2022/17, rov. 3.3.2 waarin de Hoge Raad verwijst naar HR 26 september 1979, ECLI:NL:HR:1979:AM4918.
De enkele omstandigheid dat de belastinginspecteur bij de aanslagregeling kosten in aftrek heeft toegelaten, is geen toezegging: Hof ’s-Gravenhage 22 juni 1982, ECLI:NL:GHSGR:1982:AW9118, BNB 1983/309. Een toezegging kan voor een belastingplichtige moeilijk aan te tonen zijn, zie bijv. HR 28 oktober 1981, ECLI:NL:HR:1981:AW9755, BNB 1981/334, waarin belastingplichtige zich beriep op een notitie en een brief. Ook de uitlatingen van een minister bij de totstandkoming van het huidige art. 273 Gemeentewet leverde geen toezeggingen op waarop de belastingplichtige zich tegenover de (gemeentelijke verordening van de) gemeente in redelijkheid kan beroepen: HR 5 september 1979, ECLI:NL:HR:1979:AX2720, BNB 1979/309. Scheltens stelt in zijn noot bij HR 7 maart 1979, ECLI:NL:HR:1979:AX2999, BNB 1979/139 de vraag of de vereisten niet te streng zijn.
Zie bijv. Rb. Gelderland 11 april 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:1577, waarin sprake was van een rekenmodule van de Belastingdienst. Gelet op de inrichting van de auto en het ontbreken van enige verwijzing naar de inrichtingseisen in de rekenmodule, hoefde het voor X bv niet direct duidelijk te zijn dat de uitkomst in strijd was met de wet en Hof ’s-Hertogenbosch 15 maart 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:1019, waarin een toezegging uit 2001 doorwerkte vanwege ongewijzigde omstandigheden.
HR 4 juni 1986, ECLI:NL:HR:1986:AW8004, BNB 1986/248, rov. 4.3.
HR 27 juni 1984, ECLI:NL:HR:1984:AW8572, BNB 1984/240, rov. 4.2. Zie tevens HR 22 juli 1985, ECLI:NL:HR:1985:BH1704, BNB 1985/252, rov. 4.4 en recenter HR 23 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1262, BNB 2007/169 en Hof Den Haag 8 maart 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:677, rov. 5.2.
Happé 1996, p. 189-193. Die verdeling is afhankelijk van de soort toezegging. Zo maakt de Hoge Raad in HR 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1849, BNB 2022/17, rov. 3.3.3 een onderscheid tussen een belastingplichtige die de inspecteur vraagt om een standpunt in te nemen en de situatie waarin het initiatief voor de verkrijging van informatie bij de inspecteur ligt (zoals een boekenonderzoek waar in die zaak sprake van was).
De bewijslast ligt bij de belastingplichtige dat hij alle benodigde gegevens heeft verstrekt die relevant zijn: Cursus Belastingrecht FBR 4.4.34.A. Zie ook HR 21 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY6916, BNB 2013/76. Gerechtvaardigd vertrouwen wordt niet snel aangenomen, Hof Den Haag 14 juli 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1316, rov. 5.4.
Happé 1996, p. 189.
HR 18 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC4846, BNB 1992/113 en HR 1 juli 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2327, BNB 1998/278.
Happé 1996, p. 191.
HR 12 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5542, BNB 2004/182.
HR 18 maart 1987, ECLI:NL:HR:1987:BH7105, BNB 1987/230. Maar Van Kesteren 2009: een standaardvoorbehoud kan een succesvol beroep op het vertrouwensbeginsel niet altijd tegenhouden. Vgl. CBb 11 november 2015, ECLI:NL:CBB:2015:375, AB 2016/402.
Bijv. HR 16 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7707, BNB 2004/219, rov. 3.7. Zie voor een voorbeeld Hof Amsterdam 8 januari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:418, Belastingblad 2019/163: “Gelet ook op hetgeen de heffingsambtenaar over de functie van [ambtenaar Y] heeft verklaard, acht het Hof het aannemelijk dat belanghebbende destijds in redelijkheid niet behoefde te twijfelen aan de bevoegdheid van [ambtenaar Y] ter zake van hetgeen hij over de berging tegenover belanghebbende heeft verklaard.”
HR 14 februari 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC4233, BNB 1990/219 (rov. 7.6 van de uitspraak van het hof en bevestigd in rov. 4.3 van het arrest van de Hoge Raad).
Bij een toezegging stelt de belastinginspecteur – nadat hij op de hoogte is gebracht van de relevante omstandigheden van de belastingplichtige – in het vooruitzicht hoe hij fiscale wet- en regelgeving zal toepassen op de situatie van de belastingplichtige.1 In principe mag een belastingplichtige – net als in het reguliere bestuursrecht – op deze vorm van uitlatingen ver-trouwen. Geppaart omschrijft de toezegging als een eenzijdige rechtshandeling waarmee de inspecteur zijn wil erop richt zich ten aanzien van een bepaalde belastingplichtige in concreto te binden.2
Om een toezegging aan te nemen, moet sprake zijn van een welbewuste standpuntbepaling. Schriftelijkheid is geen vereiste. Een toezegging kan mondeling worden gedaan, maar dat leidt tot een lastige bewijspositie voor de belastingplichtige.3 Bij de beoordeling of sprake is van een toezegging, ligt de nadruk op de perceptie van de belastingplichtige: het draait om de vraag hoe de belastingplichtige gelet op alle omstandigheden van het geval de uitlating kon opvatten en niet wat de inspecteur ermee heeft bedoeld.4 Daar komt bij dat een belastingplichtige in redelijkheid ervan uit heeft moeten kunnen gaan dat de inspecteur kennis heeft genomen van alle vereiste bijzonderheden van het geval.5
Toepassingsvoorwaarden voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel bij toezeggingen
In zijn standaardarrest van 26 september 1979 overweegt de Hoge Raad dat een beroep op vertrouwen ontleend aan een toezegging wordt gehonoreerd indien is voldaan aan de volgende voorwaarden:6
“dat indien het daarentegen [in tegenstelling tot inlichtingen, NvT] gaat om als toezeggingen op te vatten uitlatingen van de zijde van de fiscus, waaraan een belastingplichtige het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat de fiscus, na kennisneming van alle daartoe vereiste bijzonderheden van de belastingplichtige zelf betreffende geval, aan vorenbedoelde regels, zo omtrent de toepasselijkheid of de toepassing daarvan vragen zijn gerezen, in zijn geval een bepaalde toepassing zal geven, bij een afweging als voormeld aan het voornoemde beginsel van behoorlijk bestuur doorslaggevende betekenis moet worden toegekend;
dat daarbij wel het voorbehoud moet worden gemaakt dat de door de belastingplichtige aan de fiscus verschafte, voor diens toezegging relevante gegevens juist zijn, en dat de gedane toezegging niet zo duidelijk in strijd is met een juiste wetstoepassing dat de belastingplichtige op nakoming van die toezegging in redelijkheid niet mocht rekenen;”
Op 19 juni 2020 heeft de Hoge Raad – met verwijzing naar zowel bovenstaande uitspraak als rechtspraak van de Afdeling en de Centrale Raad van Beroep – ten aanzien van vertrouwen ontleend aan toezegging overwogen dat:
“Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de belasting- of premieplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen.7Dit sluit aan bij hetgeen de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 26 september 1979, ECLI:NL:HR:1979:AM4918.”8
De Hoge Raad sluit hier zowel aan bij de bestuursrechtelijke rechtspraak uit het vorige hoofdstuk als zijn arrest uit 1979. In het bestuursrecht geldt eveneens dat correcte gegevens moeten zijn verstrekt en dat de uitoefening van de bestuursrechtelijke bevoegdheden niet zo duidelijk in strijd zijn met de wet, dat daarop niet gerechtvaardigd op kon worden vertrouwd.9
Een belastingplichtige kan op toezeggingen vertrouwen als (i) de (bevoegde) inspecteur aan hem een bepaalde toepassing van de wet in het vooruitzicht heeft gesteld, nadat de belastingplichtige hem correct en volledig heeft geïnformeerd over de relevante feiten en omstandigheden;10 en (ii) de toezegging van de belastinginspecteur niet dusdanig duidelijk in strijd is met de wet, dat de belastingplichtige in redelijkheid niet op nakoming van die toezegging mocht rekenen.11 Bij toezeggingen geldt niet het dispositievereiste als voorwaarde voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel.12 De intentie van de fiscus is bij de kwalificatie niet doorslaggevend, het gaat erom of de uitlating door de belastingplichtige als een toezegging kon worden opgevat.13
(i) De belastingplichtige heeft relevante, correcte en volledige gegevens verstrekt, waarna een concrete toepassing van de wet is medegedeeld
Om alle relevante informatie te verzamelen, zullen zowel de belastingplichtige als de belastinginspecteur zich moeten afvragen welke gegevens relevant kunnen zijn om een toezegging te kunnen doen over de concrete situatie van de belastingplichtige. De belastingplichtige heeft daarbij een zekere mededelingsplicht en de inspecteur een lichte onderzoeksplicht.14 Happé meent dat het risico voor de volledigheid van de gegevens primair bij de belastingplichtige ligt.15 Wel vindt hij dat de inspecteur een actievere rol moet spelen naargelang de deskundigheid van de belastingplichtige afneemt.16 Bovendien moet sprake zijn van ongewijzigde omstandigheden ten opzichte van het moment van de toezegging.17 Wanneer er een essentiële verandering van omstandigheden plaatsvindt, is de inspecteur niet langer gebonden aan de toezegging.18 Dit is logisch, aangezien de toezegging ziet op een specifiek feitencomplex. Er is geen gerechtvaardigd vertrouwen wanneer de belastingplichtige weet dat de belastinginspecteur zich vergist19 of indien de inspecteur een uitdrukkelijk voorbehoud maakt met betrekking tot de reikwijdte van de toezegging.20
(ii) De toezegging is niet evident in strijd met een juiste wetstoepassing
Deze voorwaarde is hetzelfde als de eerste voorwaarde voor een succesvol beroep op het vertrouwensbeginsel bij inlichtingen. De rechter past een objectieve maatstaf toe: kan de uitlating bij een redelijk denkende belastingplichtige vertrouwen wekken of is deze uitlating zo duidelijk in strijd met een juiste wetstoepassing dat de belastingplichtige niet op handhaving van dat standpunt mocht rekenen?21 Net als bij inlichtingen wordt de deskundigheid en kennis van een adviseur toegerekend aan de belastingplichtige.22