Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/9.4.3
9.4.3 Correcties op de de auditu-praktijk
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
HR 26 juni 1962, NJ 1962, 470.
HR 20 december 1955, NJ 1956, 202, m.nt. Röling.
Zie ook HR 30 mei 1972, NJ 1972, 381. ‘Ambtsedige processen-verbaal kunnen niet tot het bewijs medewerken voorzover zij meningen of gissingen van de verbalisant inhouden. Zulks brengt echter mede, dat evenmin in een dergelijk proces-verbaal gerelateerde opgaven, door andere personen aan de verbalisant gedaan, de rechter reden kunnen geven tot zijn beslissing dat de verdachte het hem tenlastegelegde heeft begaan, indien die opgaven – zonder op enig deskundig oordeel te steunen – behelzen meningen of gissingen als voormeld.’
EHRM 20 november 1989, nr. 11454/85, NJ 1990, 245, m.nt. Alkema.
HR 1 februari 1994, NJ 1994, 427, m.nt. Corstens.
Dat de vorm boven de inhoud prevaleert en dit soms consequenties heeft voor de eisen die aan het bewijsmiddel worden gesteld blijkt onder meer uit HR 10 februari 2004, NJ 2005, 383, mnt. Buruma en HR 21 november 2006, NJ 2006, 649.
De hoogtijdagen van de de auditu-praktijk zijn inmiddels voorbij en een stukje onmiddellijkheid is ‘herwonnen’. Hoewel het dossier in vergelijking met de ons omringende landen een dominante rol speelt en de feitenrechter nog steeds sterk leunt op de verklaringen afgelegd in het vooronderzoek, zijn de scherpe kantjes er grotendeels vanaf. Geleidelijk is men zich gaan realiseren dat, ondanks dat het zwaartepunt voor wat betreft het feitenonderzoek in het vooronderzoek ligt, de zittingsrechter een eigen verantwoordelijkheid heeft voor de deugdelijkheid en toetsing van de resultaten uit het vooronderzoek.
In dit verband is ook Tweede bloedproefarrest uit 1962 belangrijk geweest in.1 Weliswaar ziet dit arrest op de rechtmatigheid (en dus niet primair op de deugdelijkheid) van het feitenonderzoek, het luidt het begin in van een meer gedegen toetsing van het vooronderzoek door de zittingsrechter. Doordat de zittingsrechter zich gaat buigen over de gang van zaken tijdens het vooronderzoek en de rechtmatigheid van de aldaar verzamelde bewijzen, dringt hij dieper door in dat vooronderzoek en neemt de vanzelfsprekendheid en onbetwistbaarheid van de aldaar verkregen resultaten af.
Een eerste correctie op de rigiditeit van de de auditu-praktijk heeft plaatsgevonden in 1955, wanneer de Hoge Raad bepaalt dat de eis dat de verklaring van een getuige geen gissing mag inhouden, ook moet gelden voor verklaringen van getuigen vervat in een proces-verbaal van de politie.2 Echter, het oordeel over de ontoelaatbaarheid van gedane beweringen baseert de Hoge Raad niet op de bepaling betreffende de getuige te weten artikel 342 Sv, maar op de bepaling van artikel 344 lid 1 sub 2 Sv betreffende het proces-verbaal van politie. De eis dat het proces-verbaal slechts feiten en omstandigheden door de opsporingsambtenaar zelf waargenomen of ondervonden mag vermelden, wordt toepasselijk verklaard op mededelingen van andere personen, die aan de opsporingsambtenaar waren gedaan en die in het proces-verbaal waren gerelateerd.3 De Hoge Raad houdt daarbij formeel vast aan het standpunt dat de inhoudelijke vereisten die uit de formulering van artikel 342 lid 1 Sv kunnen worden afgeleid, niet van toepassing zijn op verklaringen, die zijn vervat in een proces-verbaal en daarmee als schriftelijk bescheid tot het bewijs worden gebezigd. Hoewel in de uitspraak wel de eisen aan het bewijsgebruik worden aangescherpt, laat het – in de woorden van annotator Röling – ‘de anomalieën voortbestaan die er uit voortvloeien, dat niet als verklaring van een getuige (...) wordt beschouwd wat in wezen wel een getuige (...) is’.
In 1989 volgt in de zaak Kostovski die in het vorige hoofdstuk al kort is aangehaald een correctie van het EHRM op de ongeclausuleerde toelating van de auditu-verklaringen.4 Hierin bepaalt het EHRM dat het ondervragingsrecht van de verdachte in beginsel ook geldt voor verklaringen die zijn neergelegd in processen-verbaal. Onder invloed van de uitspraken van het EVRM zien we dan ook dat sinds de jaren negentig meer gewicht wordt toegekend aan het horen van getuigen ter terechtzitting, in de zin dat de verdediging daar een recht heeft op het horen van getuigen. De strafprocedure is onmiddellijker geworden in dat opzicht dat vaker dan voorheen getuigen op de terechtzitting worden gehoord. In 1994 heeft de Hoge Raad in navolging van de lijn van het EHRM bepaald dat er omstandigheden kunnen zijn die ertoe nopen dat getuigen ter terechtzitting worden gehoord, wil hun verklaring bruikbaar zijn voor het bewijs. Dat is bijvoorbeeld het geval als de getuigenverklaring het enige bewijsmiddel is waaruit de verdachtes betrokkenheid bij het ten laste gelegde rechtstreeks blijkt en de getuige zijn verklaring later ten overstaan van de rechter heeft ingetrokken.5
Niettemin ligt de nadruk in ons strafproces nog steeds sterk op het dossier, zoals eerder in dit hoofdstuk reeds aan de orde kwam. In vergelijking met Anglo-Amerikaanse processtelsels is de Nederlandse wijze van procederen weinig onmiddellijk. Indien ter terechtzitting getuigen worden gehoord, dan geschiedt dit meestal op verzoek van de verdediging. Van de ambtshalve bevoegdheid van de zittingsrechter om getuigen op te roepen, wordt veel minder gebruikgemaakt (hoewel dit in sommige zaken wel degelijk gebeurt). Als gezegd is het in ieder geval niet zo dat het Openbaar Ministerie op voorhand de getuigen oproept om te verschijnen, in de wetenschap dat de rechter deze toch zal willen horen alvorens een door deze persoon afgelegde verklaring (of gedane bewering) voor het bewijs te gebruiken. En hoewel het ongeclausuleerde gebruik van de auditu-verklaringen de afgelopen decennia aanmerkelijk is beperkt door de rechtspraak van het EHRM, prevaleert in de rubricering van bewijsmiddelen nog steeds de vorm boven de inhoud.6