Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/2.4.2
2.4.2 Pandrecht op beperkte rechten
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264434:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Kaser, Studien I, p. 25; Kaser/Knütel & Lohsse 2017, p. 185.
Frezza 1963, p. 1777-178.
D. 20,1,12 (Paulus). Sed an viae itineris actus aquae ductus pignoris conventio locum habeat videndum esse pomponius ait, ut talis pactio fiat, ut, quamdiu pecunia soluta non sit, eis servitutibus creditor utatur (scilicet si vicinum fundum habeat) et, si intra diem certum pecunia soluta non sit, vendere eas vicino liceat: quae sententia propter utilitatem contrahentium admittenda est.
Geciteerd in de hoofdtekst van §2.3.7 (het goederenrechtelijke karakter van antichrese). Usus fructus an possit pignori hypothecaeve dari, quaesitum est, sive dominus proprietatis convenerit sive ille qui solum usum fructum habet. et scribit papinianus libro undecimo responsorum tuendum creditorem et si velit cum creditore proprietarius agere “non esse ei ius uti frui invito se”, tali exceptione eum praetor tuebitur: “ si non inter creditorem et eum ad quem usus fructus pertinet convenerit, ut usus fructus pignori sit”: nam et cum emptorem usus fructus tuetur praetor, cur non et creditorem tuebitur? eadem ratione et debitori obicietur exceptio/Bij afspraak was overeengekomen dat als de rente niet op tijd zou zijn voldaan, de vruchten van de verhypothekeerde goederen met de rente verrekend zouden worden tot op de wettelijk toegestane rente. Hoewel aanvankelijk een lagere rente in de stipulatie was vastgelegd, is deze overeenkomst volgens de heersende leer toch niet ongeldig, omdat de hogere wettelijke rente aan de stipulatiecrediteur rechtsgeldig toegezegd kon worden vanaf het moment dat de lagere rente niet op tijd voldaan zou worden.
Frezza 1963, p. 175-176.
Een pandrecht kon rusten op zaken, zoals grond en slaven. Daarnaast waren beperkte rechten op een zaak zelfstandig vatbaar voor verpanding. Wie een beperkt recht had op een goed kon dit beperkte recht aan zijn schuldeiser verpanden.1 Een vruchtgebruiker kon bijvoorbeeld zijn recht van vruchtgebruik in pand geven. De pandhouder gebruikte een beperkt recht dat hij in pand had gekregen, door zelf het beperkte recht te gaan uitoefenen.2 Een tekst over de vestiging van een recht van pandgebruik op een beperkt recht is D. 20,1,12 (Paulus):
“Maar of een overeenkomst tot verpanding van een recht van weg, overpad, dreef of waterleiding mogelijk is, moet nader bezien worden, zegt Pomponius; [hij is van mening dat] men de afspraak zo moet maken dat de schuldeiser het genot van die erfdienstbaarheden heeft zolang het geld niet betaald is (uiteraard wanneer hij een naburig erf bezit) en ze aan een buurman mag verkopen als het geld niet op tijd betaald is. De opvatting is inderdaad aanvaardbaar vanwege haar nut voor de contractspartijen.”3
In deze tekst ontstond een pandrecht op een beperkt recht: het recht van landelijke erfdienstbaarheid. De erfdienstbaarheid was gevestigd ten gunste van een perceel dat in het vermogen van de pandgever viel. De pandgebruiker oefende vervolgens zelf het beperkte (genots)recht uit waarop hij een pandrecht had. D. 20,1,12 stelde expliciet dat de pandhouder het genot van de verpande erfdienstbaarheid moest krijgen, als de pandhouder een naburig erf in bezit had. Een andere tekst over het recht van pandgebruik op een beperkt recht was D. 20,1,11,2.4 In deze tekst rustte een recht van pandgebruik op een vruchtgebruik. De pandgebruiker wilde het stuk grond waarop het vruchtgebruik rustte gebruiken en de vruchten ervan trekken. Dit was de kern van het recht van vruchtgebruik. In de casus oefende de pandgebruiker deze bevoegdheden uit vruchtgebruik uit.5 Kennelijk stelde de bloot-eigenaar hierover onsuccesvol de actio negatoria in tegen de pandgebruiker. De pandgebruiker van een beperkt recht kreeg op grond van zijn pandrecht dus de bevoegdheid om het verpande beperkte recht zelf uit te oefenen.