RvdW 2024/388:Poging tot doodslag op ex-vriendin door haar in portiek van haar flat met mes aan te vallen, art. 287 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsminimum, art. 342 lid 2 Sv (unus testis). Vinden verklaringen van aangeefster voldoende steun in ander bewijsmateriaal? 2. Had hof tot vrijspraak strekkend verweer van raadsman moeten opvatten als uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over onbetrouwbaarheid van verklaringen van aangever a.b.i. art. 359 lid 2 Sv? Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Verklaringen van aangeefster vinden steun in andere bewijsmiddelen. Stelling dat bewijsminimumvoorschrift verlangt dat er een tweede b.m. moet zijn waaruit handelen van verdachte direct blijkt, gaat uit van eis die het recht niet stelt. Ad 2. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft betoog van raadsman kennelijk niet aangemerkt als uos a.b.i. art. 359 lid 2 Sv. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk gelet op inhoud van dit betoog. Bovendien is niet ‘met voldoende precisie’ aangegeven waar het in ’s hofs motivering aan schort. Volgt verwerping.