RvdW 2024/397:Beklag, beslag ex art. 94 Sv op diverse voorwerpen onder klaagster t.z.v. verdenking van witwassen, terwijl haar partner is veroordeeld wegens deelname aan criminele organisatie en handel in verdovende middelen en tegen hem ontnemingsprocedure loopt ten behoeve waarvan op voorwerpen ook beslag ex art. 94a Sv is gelegd. Heeft Rb de juiste maatstaf toegepast? Bij beoordeling van klaagschrift van beslagene dat is gericht tegen beslag ex art. 94 Sv moet rechter a. beoordelen of belang van strafvordering het voortduren van beslag vordert en, zo nee, b. teruggave van inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende t.a.v. dat voorwerp moet worden beschouwd. Rb heeft met toepassing van deze maatstaf geoordeeld dat strafvorderlijk belang van waarheidsvinding zich verzet tegen opheffing van beslag, omdat onderzoek nog loopt. Rb heeft daartoe o.m. overwogen dat voorwerpen in beslag zijn genomen met het doel w.v.v. aan te tonen. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is, in aanmerking genomen dat Rb heeft vastgesteld dat klaagster verdachte is van witwassen, niet onbegrijpelijk. Daaraan doet niet af dat Rb daarnaast heeft overwogen dat beslag mede kan dienen als zekerheidsstelling in ontnemingsprocedure tegen partner van klaagster. V.zv. middel klaagt over ongegrondverklaring van beklag ex art. 94a Sv gelegd beslag mist het feitelijke grondslag, nu beklag zich niet tegen dat beslag richtte en Rb daarover dus niet heeft geoordeeld. Volgt verwerping. Samenhang met RvdW 2024/395. CAG: anders.