Einde inhoudsopgave
De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer (MSR nr. 85) 2023/4.3.3.1
4.3.3.1 De uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeiende aanvullende (schade)vergoeding
N.M.Q. van der Neut, datum 22-09-2023
- Datum
22-09-2023
- Auteur
N.M.Q. van der Neut
- JCDI
JCDI:ADS855354:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 21 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0291 (Mattel/Borka); hof Den Haag 3 oktober 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2764; HR 16 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1234 (FrieslandCampina e.a./Pensioenfonds Campina).
HR 21 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0291 (Mattel/Borka).
In de feitenrechtspraak wordt dit systeem niet altijd gevolgd. Zie bijv. rb. ’s-Hertogenbosch 3 december 2003, ECLI:NL:RBSHE:2003:AO1576, waarin de rechter onderscheid maakte tussen aanpassingsschade en beëindigingsschade.
In deze context kan het begrip ‘aanvullende (schade)vergoeding’ strikt genomen onjuist zijn, aangezien het dus mogelijk is dat de overeenkomst door de opzegging direct haar einde vindt.
Zie bijv. rb. Rotterdam 6 mei 2009, ECLI:NL:RBROT:2009:BJ5770; hof Den Haag 3 oktober 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2764; rb. Rotterdam 7 maart 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:2707.
Vgl. Stein, NJ 1991/742.
Zie bijv. rb. Rotterdam 1 december 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:11968.
Valk noemt als omstandigheden die voor (de hoogte van) een aanvullende (schade)vergoeding relevant kunnen zijn: de investeringen die zijn gedaan met het oog op het voortduren van de relatie en nog moeten worden terugverdiend, de situatie na de opzegging, de tijd en kosten die gepaard gaan met de omschakeling in de bedrijfsvoering door de opzegging, de economische afhankelijkheid en de duur van de samenwerking (concl. A-G Valk, ECLI:NL:PHR:2022:259 voor HR 16 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1234 (FrieslandCampina e.a./Pensioenfonds Campina)).
Zie in algemene zin bijv. ook rb. Utrecht 1 september 2010, ECLI:NL:RBUTR:2010:BN5770.
Zie bijv. rb. Rotterdam 19 november 2008, ECLI:NL:RBROT:2008:BG5694, waarin de rechter ‘sprak’ over ‘bijzondere gevallen’. Zie ook hof Den Haag 3 oktober 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2764, waarin het hof overwoog dat het op zichzelf denkbaar is dat “een schadevergoeding wegens dergelijke kosten wordt toegewezen ook wanneer een redelijke opzegtermijn in acht is genomen. Daartoe zal echter alleen reden bestaan, wanneer moet worden geoordeeld dat sprake is van zodanig uitzonderlijke kosten dat deze niet tot het normale bedrijfsrisico behoren.”
De opdrachtgever die de voor hem geldende opzegtermijn in acht heeft genomen, kan alsnog een aanvullende (schade)vergoeding verschuldigd zijn.1 Samenloop tussen de opzegtermijn en aanvullende (schade)vergoeding is dus mogelijk, maar wel alleen als de opdrachtnemer door de opzegtermijn niet voldoende is gecompenseerd.2 Van een dubbele compensatie voor de opdrachtnemer is daarom geen sprake.3 Zo’n samenloop kan zich in grofweg twee gevallen voordoen. In de eerste plaats wordt bij de vaststelling van de lengte van de opzegtermijn ook rekening gehouden met het belang van de opdrachtgever, die eruit kan bestaan de overeenkomst direct of binnen een niet al te lange periode te beëindigen, bijvoorbeeld als de overheid een bepaalde economische activiteit verbiedt (zie paragraaf 4.3.2.1).4 In de tweede plaats kan de opdrachtnemer kosten hebben gemaakt die – vanwege de omstandigheden van het geval – niet tot het normale bedrijfsrisico behoren en om die reden nopen tot de toekenning van een aanvullende (schade)vergoeding (artikel 6:248 lid 1 BW). De enkele omstandigheid dat de opdrachtnemer door de opzegging schade heeft geleden, bijvoorbeeld doordat investeringen nog niet zijn terugverdiend, is daarvoor niet voldoende.5 Voor de afwenteling van de schade moet daadwerkelijk een rechtsgrond aanwezig zijn om deze schade of een deel daarvan voor rekening van de opdrachtgever te laten komen. Het gedrag van de opdrachtgever kan ertoe leiden dat bepaalde schade van de opdrachtnemer het normale bedrijfsrisico te buiten gaat en laatstgenoemde hierdoor in aanmerking komt voor een vergoeding (artikel 6:248 lid 1 BW).6 Zo kan de opdrachtnemer investeringen hebben gedaan met de gerechtvaardigde gedachte deze te kunnen terugverdienen. Die gerechtvaardigde gedachte kan bijvoorbeeld zijn gestoeld op het feit dat de opdrachtgever op de hoogte was van de investeringen en hij de opdrachtnemer niet voor de opzegging heeft gewaarschuwd of hij de opdrachtnemer zelfs heeft aangespoord deze investeringen te doen en kort daarna, weliswaar met de inachtneming van de opzegtermijn, overgaat tot opzegging van de overeenkomst.7 Daarbij kan voor zowel de toekenning van zo’n vergoeding als de hoogte daarvan van belang zijn of de opdrachtnemer de door hem gemaakte investeringen elders kan terugverdienen. In dit verband zijn de omstandigheden van het geval relevant, waaronder de economische afhankelijkheid van de opdrachtnemer (omstandigheid v) en de duur van de samenwerking (omstandigheid vii).8 Ten aanzien van een economisch afhankelijke opdrachtnemer die al lange tijd voor de opdrachtgever werkt, ligt het immers minder snel voor de hand dat hij de investeringen op een andere wijze kan terugverdienen, mede omdat de kans groter is dat relatiespecifieke investeringen zijn gedaan.9 Niettemin volgt uit mijn analyse het algemene beeld dat de opdrachtnemer aan de onderkant slechts in uitzonderlijke gevallen recht op een aanvullende (schade)vergoeding heeft.10