Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/12.2.4.1
12.2.4.1 Betekenis en reikwijdte van de inhoudelijke vereisten
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940475:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Aldus Feteris in zijn noot bij HR 22 september 1999, BNB 2000/122, die deze omschrijving afleidt uit par. 51 van het arrest EHRM 25 maart 1999 (Pélissier en Sassi/Frankrijk), nr. 25444/94, Reports of Judgments and Decisions 1999-II.
Zie Hof Amsterdam 7 juli 2011, V-N 2011/44.4, NTFR 2011/1885. Zie ook Feteris 2002, p. 216, alsmede Feteris 2007, p. 368.
Zie paragraaf 9.3.1.
Zie paragraaf 9.3.4.
Aldus Feteris in zijn noot bij HR 22 september 1999, BNB 2000/122, die deze omschrijving afleidt uit par. 51 van het arrest EHRM 25 maart 1999 (Pélissier en Sassi/Frankrijk), nr. 25444/94, Reports of Judgments and Decisions 1999-II.
Feteris 2007, p. 369.
EHRM 25 maart 1999 (Pélissier en Sassi/Frankrijk), nr. 25444/94, Reports of Judgments and Decisions 1999-II, par. 51.
HR 5 september 2003, BNB 2003/349 (inzake de hondenbelasting).
Zie bijvoorbeeld HR 18 september 1991, BNB 1991/309, r.o. 3.5: de mededeling moet ten minste omvatten ‘dat en in hoeverre het naar het oordeel van de inspecteur aan (…) opzet of grove schuld is te wijten dat te weinig belasting is geheven’. Dat kan ook slaan op het feit dat uit het causale verband (zoals dat besloten ligt in de boetebepalingen) volgt, dat de inspecteur de mate van verwijtbaarheid per afzonderlijk onderdeel van de boetegrondslag (en soms zelfs per gedeelte van een enkele correctie) moet vaststellen, zie paragraaf 9.3.3.3.1.
Zie Feteris 2002, p. 214, Rosier 2003, p. 45-46 en Van Leijenhorst in zijn noot bij HR 5 september 2003, BNB 2003/349. Zie ook de annotaties van Smit en Van Zadelhoff, geschreven naar aanleiding van het kernarrest BNB 1990/102 (zie voor de vindplaatsen de Conclusie van A-G Van Soest bij HR 10 juni 1992, FED 1992/669, BNB 1992/274, par. 3.7). Anders: Wattel, die blijkens zijn noot het tegenovergestelde heeft afgeleid uit het arrest HR 10 juni 1992, FED 1992/669 (punt 1). Naar mijn mening berust dat op een onjuiste lezing van de bewoordingen die de Hoge Raad gebruikte (zie r.o. 3.1). Ik lees de betreffende overweging zo, dat er vóór de woorden ‘dat’ een nummering (1. en 2.) kan worden aangebracht, waardoor de passage ‘op grond van welke feiten en omstandigheden hij van oordeel is’ ook op de opzet of grove schuld ziet.
EHRM 25 maart 1999 (Pélissier en Sassi/Frankrijk), nr. 25444/94, Reports of Judgments and Decisions 1999-II, par. 52.
Los van de rechtstreekse onverenigbaarheid met de eis dat de mededeling ‘in bijzonderheden’ moet plaatsvinden, zou ook het ‘onverwijld’ van art. 6 lid 3 onder a EVRM dan in wezen een dode letter zijn. In dezelfde zin: Feteris in zijn noot bij HR 4 april 2001, BNB 2001/272 (punt 6).
Zie daarover ook paragraaf 6.4.2.
Vgl. Hof Amsterdam 22 januari 2016, V-N 2016/9.6, r.o. 5.9.2.
Ten aanzien van de inhoud van de mededelingsplicht noemt art. 6 lid 3 onder a EVRM drie aspecten: de aard en reden van de beschuldiging moet worden medegedeeld en dat moet in bijzonderheden gebeuren. Onderstaand behandel ik deze deelvereisten afzonderlijk.
Object van de mededeling: aard en reden van de beschuldiging
De reden van de beschuldiging betreft de feitelijke grondslag van de aanklacht,1 waaronder ik versta: de feitelijke omschrijving van de verweten gedraging (het handelen of nalaten) waarop de beschuldiging is gebaseerd. Bij vergrijpboetes gaat het dan niet alleen om de fout die gemaakt is (bijvoorbeeld de omstandigheid dat de belastingplichtige pas na het verstrijken van de aangiftetermijn een aangifte heeft ingediend, of na het verstrijken van de betalingstermijn heeft betaald), maar ook om het gemaakte verwijt (de feitelijkheden waarop de aanwezigheid van opzet of grove schuld wordt gebaseerd).2 Het object van de mededelingsplicht wordt dus gevormd door de (onderbouwing van de) centrale stellingen, ter zake waarvan de bewijslast op de inspecteur rust:3 het kale beboetbare feit en – indien van toepassing – de vereiste schuldgradatie.4 Tot de centrale stellingen behoort ook de kwaliteit van de boeteling. In het gebruikelijke geval waarin de boeteling in zijn hoedanigheid van belastingplichtige wordt beboet, is een afzonderlijke mededeling naar mijn mening niet nodig. Het bezit van de betreffende hoedanigheid volgt immers reeds impliciet uit de verweten gedraging (bijvoorbeeld het ten onrechte niet doen van aangifte). Dat is anders in gevallen waarin de boeteling niet dezelfde persoon is als de belastingplichtige, bijvoorbeeld bij de medepleger.5 Bij het opleggen van een boete aan een medepleger moet de mededeling naar mijn mening wél een expliciete omschrijving bevatten van de feiten en omstandigheden waaruit is af te leiden dat de boeteling inderdaad de hoedanigheid van medepleger heeft. Zonder die toevoeging kan de reden van de beschuldiging aan het adres van de betrokken persoon eenvoudigweg niet volledig zijn.
De aard van de beschuldiging heeft betrekking op de juridische kwalificatie van de beschuldiging6 oftewel de juridische gronden van de aanklacht.7 Het gaat hierbij om het aanwijzen van het begane beboetbare feit dat de verweten gedraging, overeenkomstig de delictsomschrijving, oplevert.8 Concreet houdt dat bijvoorbeeld de vaststelling in dat er sprake is van het niet of te laataangeven of betalen in de zin van art. 67a en verder AWR. Bij vergrijpboetes hoort daar ook de vaststelling dat er sprake is van opzet of grove schuld bij.
Reden en aard brengen dus mee dat de mededeling zowel de ‘factual basis of the charges’ als de ‘legal basis of the charges’ omvat.9 Kort gezegd gaat het om een antwoord op de vragen: wat heeft de boeteling misdaan en welk beboetbaar feit levert dat op? De wettelijke delictsomschrijving kan een veelheid aan feitelijke gedragingen dekken. In het licht van de mededelingsplicht is een voldoende concrete omschrijvingvan de precieze gedraging waarvoor de boete wordt opgelegd van essentieel belang. Volgens de Hoge Raad moet in elk individueel geval aan de betrokken boeteling mededeling worden gedaan van de gronden waarop in dat specifieke geval de oplegging van de boete berust. De inspecteur kan dus niet volstaan met een verwijzing naar het algemeen geldende boetebeleid.10
De mededelingsplicht omvat bij vergrijpboetes tevens de concrete feiten en omstandigheden op grond waarvan er volgens de inspecteur sprake is van opzet of grove schuld. De inspecteur moet de boeteling dus ook mededelen waarom er sprake zou zijn van opzet of grove schuld en niet slechts dát hem dit verwijt wordt gemaakt. De Hoge Raad heeft dat weliswaar nooit uitdrukkelijk overwogen,11 maar in de literatuur is daar wel wijdverbreide steun voor te vinden.12 Bovendien schrijft het vigerende boetebeleid dat met zoveel woorden voor.13
Mate van detaillering van de mededeling: in bijzonderheden
De mate van detaillering die wordt vereist, is tamelijk vergaand. De aard en reden moeten immers blijkens de verdragstekst ‘in bijzonderheden’ worden medegedeeld. Het EHRM spreekt in dit kader van ‘full, detailed information’, en lijkt dus ook een volledigheidseis te stellen.14 In het licht van het recht op een behoorlijke verdediging kan de inspecteur vanzelfsprekend niet volstaan met bijvoorbeeld de stelling dat er bepaalde inkomsten buiten de boeken zouden zijn gehouden, zonder die bewering met concrete feiten te staven.15 Ook de schuldgradatie moet gedetailleerd worden onderbouwd. Dát er een fout is gemaakt, is reeds op voorhand duidelijk zodra de heffing wordt gecorrigeerd. Daaruit volgt echter nog niet waarin het verwijt nu precies bestaat en hoe ernstig dat verwijt is.16 De mededeling dient precies dát verwijt in voldoende concrete specificaties te beschrijven.17