Fiscale Europeesrechtelijke aspecten van grensoverschrijdend pensioenverkeer
Einde inhoudsopgave
Fiscale Europeesrechtelijke aspecten van grensoverschrijdend pensioenverkeer (FM nr. 174) 2022/A.1.1:A.1.1 Bachmann
Fiscale Europeesrechtelijke aspecten van grensoverschrijdend pensioenverkeer (FM nr. 174) 2022/A.1.1
A.1.1 Bachmann
Documentgegevens:
Dr. E.A.P. Schouten, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
Dr. E.A.P. Schouten
- JCDI
JCDI:ADS634800:1
- Vakgebied(en)
Pensioenen (V)
Belastingrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook J.J. van den Broek, commentaar op artikel 45 VWEU, NDFR, paragraaf 5.1.
Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG, PbEU, L 64/1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bachmann verhuisde als werknemer van Duitsland naar België. Na zijn emigratie ging hij door met premiebetaling voor zijn pensioenverzekering bij de Duitse verzekeraar. België weigerde hem belastingaftrek te geven voor de betaalde premies die hij betaalde aan de in het buitenland gevestigde verzekeraar. Bachmann stapte naar de Belgische rechter, die vervolgens een prejudiciële vraag aan het HvJ stelde. Het HvJ kwam tot het oordeel dat artikelen 45 en 56 VWEU zich ertegen verzetten, dat de wettelijke regeling van een lidstaat de aftrekbaarheid van premies voor de verzekering tegen ziekte en invaliditeit of tegen ouderdom en overlijden afhankelijk stelt van de voorwaarde, dat deze premies in die staat zijn betaald. Vervolgens overwoog het HvJ dat deze voorwaarde niettemin kan worden gerechtvaardigd door de noodzaak, de samenhang van de toepasselijke fiscale regeling te verzekeren.
Het arrest Bachmann is in latere rechtspraak niet herroepen; het wordt zelfs door het HvJ in diverse andere arresten uitdrukkelijk aangehaald, maar het is in drie opzichten gepreciseerd en ten dele ingeperkt.1
Van een doorbreking van de fiscale coherentie is geen sprake wanneer de ene lidstaat (in dit geval België) zijn recht op heffing over naar de andere lidstaat (in dit geval Duitsland) uitgaande uitkeringen bij bilateraal belastingverdrag heeft prijsgegeven ten gunste van die andere lidstaat (zie de volgende paragraaf).
De rechtvaardigingsgrond gaat alleen op, wanneer sprake is van een rechtstreeks verband tussen de aftrek en de heffing van dezelfde belasting bij dezelfde persoon. Dat is met andere woorden niet het geval wanneer een verband wordt geclaimd tussen aftrek in de inkomstenbelasting en heffing in de vennootschapsbelasting, en evenmin wanneer het twee verschillende subjecten betreft.
Anders dan in het Bachmann-arrest gelden de grensoverschrijdende controle- en invorderingsmoeilijkheden niet meer als argument ten gunste van fiscale belemmeringen. Sinds dit arrest is op dit punt Europese regelgeving tot stand gekomen en uitgebreid.2