Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/6.4.0
6.4.0 Introductie
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685315:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vernietiging van een besluit leidt indien niet zelf in de zaak wordt voorzien door de bestuursrechter uiteraard niet automatisch tot nakoming van het vertrouwen. Dat is afhankelijk van de uitkomst van de verlengde besluitvorming.
Zie bijv. ABRvS 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:587, waarin sprake was van een aan het bevoegde bestuursorgaan toe te rekenen toezegging maar de belangenafweging alsnog negatief voor de fidens uitpakte. De permanente bewoning van het perceel was in strijd met het bestemmingsplan en er was geen concreet zicht op legalisatie. In dat geval was het algemeen belang gediend met handhaving. In ABRvS 25 juni 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AH8649, rov. 2.4 oordeelt de Afdeling dat in gevallen waarin belangen van derden een rol spelen, het vertrouwensbeginsel slechts een beperkte betekenis toekomt. In de op dezelfde dag als de Dakterras-uitspraak gewezen uitspraak ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1778, AB 2019/303, werd relatief makkelijk voldaan aan het toezeggingen- en bevoegdheidsvereiste. De toezegging hoefde echter niet te worden nagekomen omdat sprake was van onvoorziene omstandigheden.
Zie bijv. ABRvS 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:953, rov. 4.3; CRvB 20 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1384, rov. 4.6.
ABRvS 7 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2385, AB 2020/402, rov. 8.5. In ABRvS 5 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1832 was het bestuursorgaan te enthousiast met het honoreren van een beroep op het vertrouwensbeginsel. De Afdeling fluit het college van B&W terug: het college moet alsnog een belangenafweging maken.
Zie bijv. CRvB 10 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3152.
Zie voor een voorbeeld CRvB 16 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1072, waarin de CRvB het financiële belang als onvoldoende beoordeelt. In ABRvS 26 febuari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:576 slaagt een beroep op het vertrouwensbeginsel en werd een opgelegde boete in strijd geacht met het vertrouwensbeginsel en herroept de Afdeling het besluit waarin de boete is opgelegd.
Bijv. het belang van een hoofdgroenstructuur (ABRvS 1 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2967, AB 2018/165) of een dwingend organisatiebelang (CRvB 19 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1169).
Zie onder 3.23 van de conclusie van A-G Wattel over het vertrouwensbeginsel, ECLI:NL:RVS:2019:896. Hij maakt een vergelijking met het belastingrecht waarin (gelet op de gebonden bevoegdheden) een afweging van het legaliteitsbeginsel en het vertrouwensbeginsel plaatsvindt.
Zie bijv. ABRvS 3 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1961, AB 2021/320, waarin de Afdeling oordeelde dat niet duidelijk is waarom het college gelet op het karakter van het overtreden voorschrift, het daarbij betrokken algemeen belang en de belangen van de verzoekster is overgegaan tot handhaving. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het college aan de handhaving tegen erfafscheidingen in dit gebied een lage prioriteit heeft toegekend. Het algemeen belang bij handhaving lijkt in dit geval dan ook niet zwaar te wegen voor het college. In ABRvS 26 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1241 was sprake van een geslaagd beroep op het evenredigheidsbeginsel.
Zie de annotatie van C.M.M. van Mil in AB 2021/320 bij ABRvS 1 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1961en de annotatie van T. Groot, AB 2022/298 bij ABRvS 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1152.
Annotatie van C.M.M. van Mil bij ABRvS 1 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1961, AB 2021/320, onder 6.
Zie onder D van bijlage 1 van de conclusie van A-G Wattel over het vertrouwensbeginsel, ECLI:NL:RVS:2019:896.
Onder 3.11 conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:RVS:2019:896. Maatwerk kan volgens hem onder andere plaatsvinden in de vorm van (i) gehele of gedeeltelijke nakoming (gedogen), eventueel met gehele of gedeeltelijke vergoeding van schade van daardoor getroffen derden; (ii) niet-honorering van het gerechtvaardigde vertrouwen in verband met de belangen van anderen, maar met gehele of gedeeltelijke vergoeding van de dispositieschade van de fidens; (iii) een overgangsregeling of overgangstermijn voor de fidens of voor betrokken derden; en (iv) mediation tussen alle belanghebbenden.
Het kan ook zo zijn dat het bestuursorgaan er zelf direct voor kiest om schadevergoeding toe te kennen in plaats van verwachtingen na te komen: ABRvS 10 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1362, rov. 10.1. De bestuursrechter benoemt ook wel eens andere opties, bijv. een compensatie in natura. In ABRvS 17 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1421, rov. 8.3 wordt overwogen dat het college van B&W in overleg moest treden met appellant over een andere passende oplossing nu een vergunning niet kan worden verleend. ‘Daarbij kan worden gedacht aan verlening van een vergunning voor een andere standplaats […]’.
In geval van gerechtvaardigd vertrouwen staat nog niet vast dat een belanghebbende het hem voorgespiegelde besluit kan afdwingen of dat het ter discussie staande besluit moet worden vernietigd.1 Zijn belang bij honorering van de uitlating moet daarvoor namelijk zwaarder wegen dan eventuele belangen van anderen of het algemeen belang.2 Bij de belangenafweging kan een rol spelen dat betrokkene op basis van de gewekte verwachtingen handelingen heeft verricht of nagelaten waardoor hij schade heeft geleden of nadeel heeft ondervonden indien de verwachtingen niet worden gehonoreerd.3 Denk aan de bewoner aan het begin van dit hoofdstuk die in het vertrouwen op nakoming van de toezegging materiaal voor haar aan te leggen dakterras heeft gekocht. Als echter de overige belangen zwaarder wegen dan het individuele belang van de fidens, slaagt het beroep op de verwachtingen – hoe gerechtvaardigd zij ook zijn – niet. Die belangenafweging moet een bestuursorgaan expliciet maken.4
Als een bestuursorgaan zich beroept op belangen die aan honorering van vertrouwen in de weg staan, moet het duidelijk motiveren waarom in dat geval de andere belangen moeten prevaleren. In de Dakterras-uitspraak heeft de Afdeling over een beroep door een overheid op het algemeen belang in algemene zin overwogen dat bestuursorganen in hun belangenafweging voortaan minder waarde moeten hechten aan het abstracte algemene belang van naleving van regels5 of het financiële belang6 van de overheid en meer de concrete belangen van het geval moeten beoordelen. Dit betekent bijvoorbeeld dat als in een handhavingskwestie geen derdebelangen of andere concrete bedreigde belangen7 aanwezig zijn náást de algemene beginselplicht tot handhaving, het gerechtvaardigd vertrouwen op honorering van dat vertrouwen zwaarder zou moeten wegen dan die beginselplicht.8
Voor de beginselplicht tot handhaving geldt ook in algemene zin – los van de vertrouwensleer – dat die plicht tegenwoordig meer in de sleutel van maatwerk wordt gezet.9 De reden daarvoor moet worden gevonden in de reflectie in de bestuursrechtspraak naar aanleiding van de toeslagenaffaire.10
Annotator Van Mil spreekt onder 6 de volgende toekomstverwachting over de handhavingsplicht uit, die mooi de ontwikkelingen in het bestuursrecht weergeeft:
“Mijn verwachting is niet dat de beginselplicht tot handhaving zal ophouden te bestaan. Mede vanuit het oogpunt van de rechtszekerheid en het algemeen belang van handhaving is en blijft het belangrijk dat overtredingen gesanctioneerd worden. Wel lijkt er op de beginselplicht, meer en anders dan voorheen, een zekere billijkheidscorrectie te kunnen worden toegepast, die ertoe zal leiden dat bestuursorganen niet in alle gevallen klakkeloos handhavingsbesluiten zullen (kunnen) nemen zonder dat hieraan een gedegen motivering aan de hand van de concrete omstandigheden ten grondslag ligt. Iets minder ‘regels zijn regels’ dus en meer ruimte voor maatwerk en de menselijke maat in het individuele geval.”11
Die meer uitdrukkelijke belangenoverweging zou ook moeten maken dat strijd met een publiekrechtelijk voorschrift (zoals bij handhaving) geen reden is om niet aan de stap van belangenafweging toe te komen. Aangezien vernietiging van het aangevochten besluit niet snel aan de orde zal zijn, kan de uitkomst van die belangenafweging in dat geval nakoming zijn in de vorm van gedogen ofwel schadevergoeding.12
Deze benadering sluit aan bij de door A-G Wattel in zijn conclusie over het vertrouwensbeginsel voorgestelde aanpak om meer maatwerk te leveren bij de beoordeling of een beroep op het vertrouwensbeginsel moet slagen. Hij heeft daarvoor verschillende opties aangedragen.13 De sinds de Dakterras-uitspraak gewezen rechtspraak wijst uit dat de bestuursrechter vooral meer aandacht is gaan besteden aan de eventuele plicht van een bestuursorgaan tot vergoeding van dispositieschade – schade die is geleden vanwege het gewekte vertrouwen – als vorm van maatwerk.14 De bestuursrechter overweegt dan dat het bestuursorgaan geen besluit had mogen nemen zonder rekening te houden met de schade van de fidens door dat besluit en verwijst naar een schending van het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4 lid 2 Awb of het onvoldoende vergaren van kennis voor het maken van een belangenafweging in de zin van artikel 3:2 Awb of onvoldoende motivering op grond van artikel 3:46 Awb.
Hieronder bespreek ik eerst de belangen die aan honorering van een welbewuste standpuntbepaling in de weg kunnen staan (paragraaf 6.4.1), waarna ik inga op de zojuist genoemde mogelijke schadevergoedingsplicht van bestuursorganen (paragraaf 6.4.2).