Het rechterlijk bevel en verbod als remedie
Einde inhoudsopgave
Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (BPP nr. XXIII) 2023/7.7:7.7 Ambtshalve toetsing van het voldoende belang?
Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (BPP nr. XXIII) 2023/7.7
7.7 Ambtshalve toetsing van het voldoende belang?
Documentgegevens:
mr. drs. J.J. van der Helm, datum 01-01-2023
- Datum
01-01-2023
- Auteur
mr. drs. J.J. van der Helm
- JCDI
JCDI:ADS692238:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. bijvoorbeeld HR 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:210, JBPr 2017, 24, m.nt. F.J.P. Lock.
Lindijer 2006/63.
Respectievelijk HR 30 maart 1951, ECLI:NL:HR:1951:343, NJ 1952/29, m.nt. Ph.A.N. Houwing (dominee) en HR 24 november 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6416, NJ 1980/88 m.nt. W.H. Heemskerk (Sunclass/Dernison). Jongbloed, in: GS Vermogensrecht, art. 3:303 BW, aant. 7.
HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590, NJ 2019/238.
Groeneveld-Tijssens 2015, p. 42.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
379. Het is de vraag of de rechter ambtshalve, dus zonder dat er door de gedaagde een beroep op wordt gedaan, mag toetsen of er een voldoende belang bestaat bij een vordering. De bevoegdheid van de rechter om ambtshalve onderdelen van een vordering te toetsen is in algemene zin beperkt, omdat partijen de rechtsstrijd bepalen. Het is, met andere woorden, in principe niet de taak van de rechter om argumenten voor of tegen een bepaald standpunt aan te dragen.1 Volgens Lindijer raakt de aanwezigheid van een voldoende belang echter aan het algemeen belang van een doelmatige rechtspleging en is de aanwezigheid van een voldoende belang daarom doorgaans een kwestie van openbare orde, zodat de rechter die aanwezigheid ambtshalve dient te onderzoeken.2 Jongbloed wijst er op dat die ambtshalve toetsing beperkt is tot de processuele belangen en hij verwijst daarbij naar het reeds genoemde arrest van 30 maart 1951, alsmede een arrest van 24 november 1978.3 In het arrest van 30 maart 1951 ging het om het belang dat een eiser erbij heeft dat ‘zodanige de wederpartij bindende verklaring reeds dadelijk door den rechter wordt gegeven’. Het ging daar feitelijk om het belang dat al dan niet bestond bij het verkrijgen van een verklaring voor recht, zonder dat daarbij schadevergoeding werd gevorderd. De Hoge Raad oordeelde dat dit belang ambtshalve moet worden getoetst. In de tweede zaak pakte het anders uit. Het ging in die zaak om een verzochte veroordeling tot nakoming van een verbintenis om lid te worden van een coöperatieve vereniging. Het hof oordeelde dat de eiser bij die vordering geen belang had omdat het belang er feitelijk in gelegen was dat de gedaagde Dernison zijn aandeel in de gemeenschappelijke kosten zou dragen. Nadat was geoordeeld dat hij daartoe in ieder geval was gehouden (hij voldeed ook aan die verplichting), was volgens het hof niet in te zien welk belang er bestond bij een veroordeling om ook nog lid te worden van de coöperatieve vereniging. Die vordering had het hof volgens de Hoge Raad echter niet mogen afwijzen op grond van een gemis aan belang, omdat dit verweer door de wederpartij niet was gevoerd. In zijn conclusie voor dit arrest wijst A-G Franx erop dat het, anders dan in de zaak uit 1951, niet ging om een ‘louter processueel belang’ bij een vordering strekkende tot (uitsluitend) een verklaring voor recht, maar om de materiële vraag of eiser belang heeft bij de nakoming van de overeenkomst door gedaagde. Het gaat, in zijn woorden, niet om ‘het belang bij de vordering maar (om) het belang bij het recht dat door de vordering wordt gediend’. De toets of van dat laatste belang sprake is, is niet ambtshalve aan te leggen.4 Ten aanzien van het belang bij een negatieve verklaring voor recht overwoog de Hoge Raad recent dat de rechter daar ambtshalve opheldering over kan wensen.5 Die beslissing sluit aan bij die van het zojuist genoemde arrest van 30 maart 1951.
380. Groeneveld –Tijssens heeft uitgezocht dat in de zaken waarin een verklaring voor recht werd gevorderd, slechts in een heel beperkt aantal gevallen aan de orde kwam of de eiser voldoende belang had bij zijn vordering. Zij werpt daarom de vraag op of de regel dat ambtshalve het (processuele) belang moet worden getoetst, nog wel geldt.6 Het feit dat er in het merendeel van de uitspraken geen aandacht wordt besteed aan het feit dat er belang bestaat, is op zichzelf echter geen reden om aan het bestaan van de regel te twijfelen. In veel gevallen is het belang immers evident en worden daar om die reden geen woorden aan vuil gemaakt. Indien echter het belang lijkt te ontbreken en de eiser op die grond niet-ontvankelijk wordt verklaard, is dat een bijzondere situatie en zal in een uitspraak gemotiveerd moeten zijn waarom het belang ontbreekt.