Einde inhoudsopgave
Beleidsbepaling en aansprakelijkheid (VDHI nr. 170) 2021/5.2
5.2 Directe doorbraak
mr. J.E. van Nuland, datum 21-09-2020
- Datum
21-09-2020
- Auteur
mr. J.E. van Nuland
- JCDI
JCDI:ADS254333:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Westbroek 1969, p. 76-82.
Van Schilfgaarde 1970, p. 4; vgl. Uniken Venema 1969, p. 280-284 over de relativering van rechtspersoonlijkheid als zodanig.
Bijvoorbeeld Lennarts 1999, p. 234 e.v.; Bartman e.a. 2016, p. 243 e.v.; het gaat hierbij dan om vereenzelviging in het kader van aansprakelijkheid. Als vorm van rechtsvinding waarbij wordt voorbijgegaan aan het identiteitsverschil tussen verschillende rechtspersonen, komt de vereenzelviging in verschillende rechtsgebieden voor. Bartman e.a. 2016, p. 244 noemt met name het arbeidsrecht en het mededingingsrecht.
Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/834.
Van Dongen 1995, zie p. 4-8 voor de motivering van zijn keuze.
Vgl. Elbers 2014, p. 25-26.
In 1969 beschreef Westbroek de rechtspersoon als niets anders dan een juridische constructie, maar de rechtspersoon is zijns inziens een van de allerbelangrijkste juridische constructies. In zijn preadvies voor de Vereeniging Handelsrecht pleitte hij ervoor ‘de rechtspersoon te blijven respecteren’ in het hoofdstuk met de titel ‘Terzijdestelling van rechtspersoonlijkheid’. Met dit begrip doelde hij op gevallen, ‘waarin het met de rechtsorde in ernstige mate in strijd zou zijn om, wegens het bestaan van de rechtspersoon, ten aanzien van met die rechtspersoon nauw verbonden personen aan bepaalde feiten, handelingen of gebeurtenissen geen gevolgen te verbinden’.1 Hoewel Van Schilfgaarde in zijn oratie het tegendeel lijkt te beweren, hebben beide heren volgens mij het oog op eenzelfde fenomeen: niet het terzijdestellen van rechtspersoonlijkheid als zodanig, maar het terzijdestellen van het door artikel 2:5 BW verwoorde uitgangspunt.2 De woordkeuze van Westbroek is in dat opzicht wellicht ongelukkig. Dit fenomeen wordt in de huidige praktijk in de regel aangeduid als de ‘directe doorbraak van aansprakelijkheid’. Gebruikelijk zijn ook de termen ‘vereenzelviging’3 en ‘relativering (van rechtspersoonlijkheid)’.4 Minder vaak komt men nog de aanduiding ‘identificatie van rechtspersonen’ tegen, welke terminologie Van Dongen hanteerde in zijn proefschrift over dit onderwerp.5
Telkens gaat het om gevallen waarin een uitzondering wordt gemaakt op het uitgangspunt van artikel 2:5 BW dat de rechtspersoon een eigen identiteit heeft. Het identiteitsverschil, dat bestaat ten opzichte van zowel natuurlijk personen als rechtspersonen, wordt weggedacht. Het ene rechtssubject wordt daarbij gelijkgesteld met een of meer andere rechtssubjecten en – vermogensrechtelijk – als één beschouwd.6 Reeds uit de redactie van artikel 2:5 BW blijkt dat de gevolgen die de bepaling aan rechtspersoonlijkheid verbindt, niet absoluut zijn. De gelijkstelling met natuurlijke personen geldt slechts ‘voor zover uit de wet niet anders voortvloeit’. Voor de kapitaalvennootschappen voegen de artikelen 2:64 (NV) en 2:175 (BV) BW daar nog aan toe – stelliger geformuleerd – dat de aandeelhouders niet gehouden zijn om bij te dragen aan de verliezen van de vennootschap boven het bedrag dat op de aandelen behoort te worden gestort. De schulden van de vennootschap zijn haar eigen; haar aandeelhouders zijn daarvoor niet aansprakelijk.
Teneinde het leerstuk van directe doorbraak te kunnen doorgronden is een beter begrip van artikel 2:5 BW en aansluitend ook 2:175 (64) BW vereist. Het is mijns inziens niet goed mogelijk om het voorbijgaan aan de eigen identiteit van rechtspersonen te onderzoeken, zonder eerst aandacht te besteden aan de achtergrond van deze eigen identiteit. Ik bespreek vervolgens de rechtspraak waarin het leerstuk van directe doorbraak van aansprakelijkheid tot ontwikkeling is gekomen en de huidige stand daarvan. Ten slotte bepleit ik een meer ruime toepassing van vereenzelviging in aansprakelijkheidskwesties.
5.2.1 Rechtssubject en beperkte aansprakelijkheid van aandeelhouders5.2.2 Directe doorbraak in de rechtspraak5.2.3 Een alternatief perspectief voor vereenzelviging