Einde inhoudsopgave
Beleidsbepaling en aansprakelijkheid (VDHI nr. 170) 2021/5.2.2
5.2.2 Directe doorbraak in de rechtspraak
mr. J.E. van Nuland, datum 21-09-2020
- Datum
21-09-2020
- Auteur
mr. J.E. van Nuland
- JCDI
JCDI:ADS254389:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Bepaalde gevallen van wat als misbruik kan worden beschouwd en die een directe doorbraak rechtvaardigen, zijn evenwel in de wet terug te vinden, zie artikel 2:11, 2:180 (69), 2:203 (93), 2:207a (98a), 2:207d (98d), 2:248 (138), 2:240 (139) en 2:260 (150) BW; vgl. Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/836.
HR 9 juni 1995, NJ 1996, 213, RvdW 1995, 124 (Krijger/Citco).
Zoals hierna zal blijken gaat dit arrest overigens niet over een doorbraak van aansprakelijkheid, maar de vraag of twee rechtspersonen met elkaar kunnen worden vereenzelvigd.
Vgl. Roelvink 1988, verwijzend naar Rb. Amsterdam 27 mei 1981, NJ 1985, 124 (Theal) en Ktr. Assen 18 maart 1985, NJ 1986, 50 (‘Bingo met bankroet’); zie ook met verwijzingen naar rechtspraak Houwen e.a. 1993, p. 880-893 (waarin overigens geen duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen directe en indirecte doorbraak); Asser/Maeijer 2-III 1994/331; Van Dongen 1995, p. 33; A-G Mok in zijn conclusie bij HR 3 november 1995, NJ 1996, 215, m.nt. Maeijer (Roco/De Staat), nr. 4.4.2 en Elbers 1997.
HR 2 november 1984, NJ 1985, 446, m.nt. Maeijer (Blok/De Haan); HR 4 oktober 1991, NJ 1992, 247, m.nt. Van Schilfgaarde (Glorywave); zie ook HR 24 juni 1994, NJ 1995, 578, RvdW 1994, 139 (Mercantiel/Van der Meer); zie ook Slagter/Assink 2013, p. 2286.
Zie o.m. Van Dongen 1995, p. 41-42; Lennarts 1999, p. 236; Houwen e.a. 1993, p. 891 spreekt van een ‘doorslaggevende factor’; Slagter/Assink 2013, p. 2289; zie ook r.o. 3.1 van Hof Leeuwarden 27 juli 2005, JOR 2005, 237, JIN 2005, 348, m.nt. Van den Berg, waarin het hof overweegt dat voor vereenzelviging op zijn minst een zekere mate van verwevenheid is vereist, naast de aanwezigheid van onrechtmatige gedragingen; zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden 28 mei 2019, JOR 2019, 157, m.nt. Bartman, waarin de enkele overheersende zeggenschap als onvoldoende wordt aangemerkt.
Hoewel het niet de aanvankelijke bedoeling van de wetgever is geweest, blijkt uit de hiervoor geschetste parlementaire geschiedenis van het huidige artikel 2:5 BW dat aan de rechter de nodige ruimte moet worden gelaten om misbruik van rechtspersoonlijkheid tegen te gaan. Misbruik laat zich evenwel niet in een bondige omschrijving vatten en is daardoor maar moeilijk te sanctioneren door middel van een (enkele) wettelijke bepaling.1 Een beoordeling van de concrete omstandigheden van een specifiek geval is dan wellicht een geschikter middel, maar lost het definiëringsprobleem niet op. Integendeel, het probleem wordt naar de rechter doorgeschoven. Ik zal hierna bespreken hoe de rechter daarmee omgaat.
Ten aanzien van doorbraak van aansprakelijkheid zijn in het arrest Krijger/Citco2 de eerste fundamenten te vinden voor de huidige lijn in de rechtspraak.3 Voor dit arrest stond het leerstuk weliswaar in de belangstelling in de lagere rechtspraak en literatuur, maar tot aan dit arrest had de Hoge Raad zich nog niet uitdrukkelijk uitgelaten over de vraag of en in hoeverre een directe doorbraak van aansprakelijkheid mogelijk moest worden geacht.4 Wel werd in de arresten Blok/De Haan en Glorywave een beroep gedaan op vereenzelviging van de aangesproken vennootschappen, maar kwam de Hoge Raad niet toe aan een principiële overweging.5 Uit deze arresten komt naar voren dat een nauwe verwevenheid op zichzelf niet rechtvaardigt dat twee of meer vennootschappen worden vereenzelvigd.6 Dit lezen wij ook terug bij Van Schilfgaarde in zijn annotatie bij Glorywave, waarin hij schrijft ‘[v]oor echte doorbraak komt wellicht als meest plausibele grondslag in aanmerking dat geen aanspraak kan worden gemaakt op het respecteren van de grenzen van de rechtspersoonlijkheid indien de leidinggevende organen van de betrokken rechtspersonen zelf, ten detrimente van de schuldeisers, deze grenzen hebben genegeerd. Willekeurige overheveling van vermogensbestanddelen en nauwe verwevenheid van zeggenschap en leiding kunnen argumenten zijn om deze stelling te schragen.’ De benadering van rechtspersoonlijkheid en beperkte aansprakelijkheid als zijnde voorrechten, is hierin duidelijk te herkennen.
5.2.2.1 Krijger/Citco Bank Antilles5.2.2.2 Rainbow5.2.2.3 Maple Leaf5.2.2.4 Openingen in de lagere rechtspraak