Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/4.15
4.15 Waardering op hogere bedrijfswaarde
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS345531:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
HR 18 maart 1992, nr. 27 918, BNB 1992/186, FED 1992/656 met noot van R.P.C. Cornelisse. De aan het arrest ten grondslag liggende hofuitspraak is Hof Amsterdam 10 december 1990, nr. 3267/ 89 M I, FED 1991/ 314.
Zo ook J.Ch. Caanen, Verplichte winstneming bij hogere lagere bedrijfswaarde ondanks bestemmingswijziging, Weekblad 1994/6089, blz. 163 en 164.
Annotatie bij HR 18 maart 1992, nr. 27 918 in FED 1992/656.
A.H.M. Daniëls, De waardering van bedrijfsmiddelen op bedrijfswaarde, FED 1986/1225, blz. 4346-4348.
H.G.M. Dijstelbloem, Waardering op lagere bedrijfswaarde en de beginselen van goed koopmansgebruik, in Meeles-bundel (fiscale aspecten van ondernemingen), Kluwer, Deventer, 1985, blz. 16-17.
HR 17 april 1991, nr. 27 074, BNB 1991/165.
Hof Amsterdam 7 november 1995, nr. P94/ 1978 M III, EED 1996/124.
In het verleden bestond onduidelijkheid over de vraag of een belanghebbende verplicht kon worden tot een waardering op hogere bedrijfswaarde na een aanvankelijke afwaardering. Deze problematiek kwam op 18 maart 1992 aan de orde in een arrest van de Hoge Raad1: 'Indien ter bepaling van de jaarlijkse winst met betrekking tot een activum een stelsel wordt gevolgd van waardering naar kostprijs, eventueel verminderd met de toe te passen afschrijvingen, of lagere bedrijfswaarde en daarbij in een boekjaar waardering naar die lagere bedrijfswaarde heeft plaatsgevonden, dient naar goed koopmansgebruik, in geval in een volgend jaar die bedrijfswaarde is gestegen, waardering naar die hogere bedrijfswaarde plaats te vinden, aangezien zonder zodanige herwaardering duurzaam een verlies tot uitdrukking zou worden gebracht, dat in feite niet is geleden.'
De uitkomst van dit arrest is niet verbazingwekkend2. Volgens art. 10, tweede lid, Besluit IB 1941 was waardering op lagere bedrijfswaarde namelijk slechts geoorloofd, voor zover en zolang (cursivering GM) deze aantoonbaar lager was. In dit verband kan tevens verwezen worden naar het eindverslag, punt 17, blz. 9 Wet IB 1964 waarbij als volgt over verplichte opwaardering wordt gesproken: 'Dit is echter geen vorm van afschrijving; stijgt de bedrijfswaarde naderhand weer, dan dient de fiscale waardering te worden verhoogd totdat het plafond van kostprijs minus afschrijving is bereikt'.
Conclusie: Met dit arrest is het pleit definitief in het voordeel van de voorstanders van een verplichte opwaardering beslecht. Terecht merkt Cornelisse3 op dat de andersluidende opvattingen (geen verplichte opwaardering) van Daniëls4 en Dijstelbloem5 hiermee zijn verworpen.
Cornelisse meent dat dit arrest de mogelijkheid openlaat dat een ondernemer niet tot opwaardering verplicht kan worden indien deze niet voor het afwaarderen naar lagere bedrijfswaarde als onderdeel van zijn winstbepalingsstelsel heeft gekozen, zelfs niet als hij op basis van BNB 1991/ 1656 verplicht moest afwaarderen. Deze opvatting van Cornelisse kan niet als juist worden aanvaard nu de keuzevrijheid van een ondernemer aangaande het door hem te hanteren winstbepalingsstelsel (zowel in positieve als in negatieve zin) zijn begrenzing vindt in de regels van goed koopmansgebruik.
De problematiek inzake de hogere bedrijfswaarde speelt niet alleen een rol bij de waardering van bedrijfsmiddelen maar ook bij die van voorraden. In een recente uitspraak van Hof Amsterdam7 komt dit aspect van een hogere bedrijfswaarde aan de orde. In dit geval betreft het de waardering van een zogenaamde ijzeren voorraad bij stijging van de marktprijzen. In geschil is in casu de waardering van de vijfde schijf van een goudvoorraad met een basisprijs van f 35 080 per kg en een marktwaarde per balansdatum van f 25 160 per kg. Allereerst geeft het Hof aan dat de voorraden in overeenstemming met goed koopmansgebruik op kostprijs of lagere marktwaarde op de inkoopmarkt gewaardeerd kunnen worden. Vervolgens beslist het Hof dat bij het ijzeren voorraadstelsel de minimumwaarderingsregel per schijf kan worden toegepast: `Voor het geval na enige jaren de marktprijs op de inkoopmarkt daalt beneden de basisprijs is het toegestaan de normale voorraad tijdelijk te waarderen op de lagere marktprijs (HR 24 december 1958, nr. 13 678, BNB 1959/63). Indien de marktprijs duurzaam daalt beneden de basisprijs kan de duurzaam gedaalde marktprijs zelfs als nieuwe basisprijs fungeren (HR 22 juni 1960, nr. 14 202, BNB 1960/ 254).' En verder:
`Zolang de marktprijs lager is dan de basisprijs van de vijfde schijf neemt die marktprijs in het stelsel de plaats in van de basisprijs van die schijf. Indien sprake is van een tijdelijke (cursivering GM) prijsdaling, zoals kennelijk te dezen wordt aangenomen, wordt de vijfde schijf bij prijsstijging tot op of boven de basisprijs van f 35 080 weer gewaardeerd op die basisprijs, en zolang dit niet het geval is op de marktprijs per balansdatum'
Conclusie: Ook bij voorraden is na afboeking op lagere marktwaarde (gevolgd door stijging van de marktwaarde) sprake van een verplichte opwaardering tot maximaal het bedrag van de historische kostprijs c.q. basisprijs bij toepassing van het ijzeren-voorraadstelsel.