Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/1.II.C.3.c
c. Verschillen tussen koop en (kavel)ruil?
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS479835:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
W.G. Huijgen, Koop en verkoop van onroerende zaken, p. 91.
De hierna genoemde verschillen zijn alle ontleend aan: R.F.C.H. Bentinck, Eenige opmerkingen over het verschil tusschen Koop en Ruil.
Aldus Asser-Hijma, 7-1* Koop en Ruil, nr. 1. Zie tevens R.D.J. van Caspel, H.R.W. Gokkel, C.A.W. Klijn, Fockema Andreae’s Juridisch woordenboek, p. 420, alsmede onderdeel 2 hiervoor.
De dochter heeft haar moeder echter op alle terreinen ruimschoots overtroffen, getuige de vooraanstaande plaats die koop in ons rechtsstelsel inneemt en de bescheiden bijrol die aan de civielrechtelijke ruil toebedeeld is.
Net zoals de kavelruil op zijn beurt kan worden gezien als species van het genus ruil.
Zie tevens C.J. van Zeben e.a., Compendium bijzondere overeenkomsten, Deventer: Kluwer 1998, p. 95: ‘ De overeenstemming tussen een ruil en twee koopovereenkomsten (waarbij de koopsommen tegen elkaar wegvallen) is zo groot dat een uitvoerige aparte regeling onnodig en onwenselijk is.’
Zie tevens W.H.M. Reehuis, E.E. Slob, Invoering boeken 3, 5 en 6, Boek 7 Bijzondere Overeenkomsten Titels 1, 7, 9 en 14, Deventer: Kluwer 1991, p. 299.
Rb. Rotterdam 17 oktober 2007, ECLI:NL:RBROT:2007:BC3456.
Zie AA van Velten, Privaatrechtelijke aspecten van onroerend goed, § 3.25.2.
Zie BVerwG IC 31. 59 6 oktober 1960. Zie tevens F. Quadflieg, Die Teiinehmergemeinschaft nach dem Flurbereinigungsgesetz vom 14. Juli 1953 als Genossenschaft des öffentlichen Rechts, Stuttgart: Verlag Eugen Ulmer 1967, p. 54. Zie over de freiwilliger Landtausch uitgebreid Grenzübergangsstelle 3A, onderdeel C.3.
Zie over dit Surrogationsprinzip, dat zowel een civielrechtelijke als een fiscale dimensie kent, nader Grenzübergangsstelle 3A, onderdeel C.2, alsmede onderdeel G5.c van dit hoofdstuk en grenspost 2, hfdst. II, onderdeel C.3.d.
Zie tevens K. Wingerter, C. Mayr, Flurbereinigungsgesetz, Standardkommentar, Butjadingen-Stollhamm: Agricola-Verlag GmbH 2013, p. 376.
Koop en ruil hebben, zoals hiervoor betoogd, een gemeenschappelijke historie. Huijgen merkt dan ook, mijns inziens volledig terecht, op: ‘Het verschil tussen koop en ruil is uiterst gering.’1 Toch bestaan er tussen de beide rechtsfiguren wel degelijk enige vermeldenswaardige verschillen.2 Zo rust bij de koop de verplichting tot eigendomsoverdracht ex artikel 7:9 lid 1 BW enkel op de verkoper. Bij een civielrechtelijke ruiling rust deze verplichting, indachtig de rechtstreekse wederkerigheid, op beide partijen. Bij een kavelruil rust deze verplichting enkel op de partij(en) die onroerende zaken inbrengen, welke vervolgens via de kavelruil worden toegedeeld aan de verkrijgende partij(en). Ten aanzien van deze onroerende zaken gelden tevens, net als bij koop en ruil het geval is, de garanties uit artikel 7:15 BW, die als nadere verdieping van de verplichting tot eigendomsoverdracht moet worden beschouwd. Daarnaast was onder het Oud BW een verschil tussen ruil en koop hierin gelegen, dat bij ruil het risico pas bij de aflevering overging (artikel 1581 Oud BW) en bij koop reeds bij het sluiten van de overeenkomst (artikel 1496 Oud BW). Door de invoering van het Nieuw BW is dit onderscheid vervallen, nu artikel 7:10 lid 1 BW, zowel voor koop als voor de ruiling (via de hierna te behandelen schakelbepaling van artikel 7:50 BW) bepaalt dat het moment van risico-overdracht gelegen is bij de aflevering.
Niettegenstaande voormelde verschillen op onderdelen kan de koop zeer wel worden getypeerd als vorm van ruil, waarbij één van beide prestaties uit het betalen van een geldsom bestaat.3 De koop is derhalve te beschouwen als ‘dochter’ van haar ‘moeder’, de ruil4 of, anders geformuleerd, als species van het genus ruil.5
In artikel 7:50 BW is, vanwege deze (bloed)band tussen de beide rechtsfiguren, bepaald dat de koopregels op de ruil overeenkomstige toepassing vinden, ‘met dien verstande dat elke partij wordt beschouwd als verkoper voor de prestatie die zij verschuldigd is, en als koper voor die welke haar toekomt, ‘6
Wij ontwaren hier een benadering ‘andersom’: door artikel 7:50 wordt ruil gekwalificeerd als een variant van koop.7 Koop is, met het verstrijken van de jaren, ‘gepromoveerd’ tot basis van de ruil. Ook in de rechtspraak is deze omslag waarneembaar. Zo oordeelt de Rechtbank Rotterdam op 17 oktober 2007 als volgt:
“Met betrekking tot de ruilovereenkomst bepaalt art. 7:50 dat de bepalingen betreffende de koop overeenltomstige toepassing vinden, met dien verstande dat elke partij wordt beschouwd als verkoper voor de prestatie die zij verschuldigd is, en als koper voor die welke haar toekomt. De vraag is of gelet op het bepaalde in art. 7:50 ook de bepalingen van consumentenkoop overeenkomstige toepassing vinden. De rechtbank beantwoordt deze vraag in het onderhavige geval bevestigend.”8
Deze ontwikkeling en bijbehorende ‘promotie’ van de koop is verklaarbaar gezien de prominente rol van de hedendaagse geldeconomie, die voor een teruggang van de ruil en een forse toename van de koop heeft gezorgd.
Wanneer bovenstaande verhandelingen worden afgezet tegen de kavelruil, valt op dat de ‘eigen rechtssfeer’ van de kavelruil in dit verband duidelijk naar voren komt: de kavelruil kan immers beide typen transacties herbergen, zowel de ‘ruil’ als de ‘koop’. En voorbeeld ter illustratie: wanneer A en B ieder een perceel inbrengen en (van elkaar) toegedeeld krijgen, waarna partij C als toetreder tegen verkrijging van een geldsom een perceel (van A of B) verkrijgt, herbergt de kavelruil een ruil tussen A en B en een verkoop door C. Tezamen beschouwd vormen deze transacties kavelruil. De kavelruil laveert als het ware tussen de koop en de ruil en maakt daar, op geheel eigen wijze, gebruik van. Dit ‘laveren’ is echter in belangrijke mate relatief te noemen, aangezien koop en ruil, zoals zojuist gezien, nagenoeg gelijk aan elkaar zijn.
Niettemin wordt algemeen aangenomen dat het rechtskarakter van de ruilverkaveling en, als vrijwillige variant daarvan, de kavelruil, in de basis de (civielrechtelijke) ruil is.9 De ruilverkaveling is, zo beschouwd, een species van het genus ruil, zij het dat de kavelruil een aanzienlijk uitgebreidere werking en reikwijdte kent. Ook volgens de Duitse rechter vormt de ruiling (Grundstückstausch) de juridische kern van de Duitse kavelruil, de freiwilliger Landtausch.10 De in het kader van deze ruiling toegedeelde percelen zijn daarbij in juridisch opzicht te beschouwen als surrogaat11 voor de ingebrachte percelen, waardoor als gevolg van de ruiling niet een wijziging in de persoon van eigenaar optreedt, maar een wijziging in eigendomsrechten.12
De civielrechtelijke ruil is in zekere zin dus te beschouwen als het juridische startpunt van de kavelruil, maar deze ruil vormt zeker niet het eindpunt van de kavelruil: de kavelruil is, zo moge uit het voorgaande voldoende duidelijk zijn, een ruiling met een veel bredere werking dan de wederkerige, civielrechtelijke ruil. Net als de koop zich ontwikkeld heeft vanuit de ‘moeder’ ruil, heeft ook de kavelruil zich, reeds vanaf zijn ‘geboorte’, losgemaakt uit het wederkerige keurslijf en is, volledig onafhankelijk van de kaders van artikel 7:49 BW, tot wasdom gekomen.