De grondwetsherzieningsprocedure
Einde inhoudsopgave
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/II.6.8.7:II.6.8.7 Het referendum in de procedure volgens Kummeling & Zwart
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/II.6.8.7
II.6.8.7 Het referendum in de procedure volgens Kummeling & Zwart
Documentgegevens:
T. van Gennip, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
T. van Gennip
- JCDI
JCDI:ADS285014:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Kummeling & Zwart wilden de tussentijdse ontbinding schrappen uit de procedure. Ook zij zochten een alternatief in een grondwetsreferendum. Zij stelden:
‘In de Grondwet zou een bepaling moeten worden opgenomen die voorschrijft, dat het wetsvoorstel tot verandering van de Grondwet, nadat het door beiden kamers is aangenomen, aan een referendum wordt onderworpen, tenzij het niet wezenlijk is voor de staatsinrichting of de verhouding tussen overheid en burger.’1
De vraag is dan natuurlijk wat dan wel en niet wezenlijk is om voor een referendum in aanmerking te komen. Op de volgende manier kan de betreffende grondwetswijziging volgens Kummeling & Zwart ‘wezenlijk’ worden geacht. In eerste instantie is de keuze aan de regering of het een wezenlijke herziening betreft. De Raad van State brengt dan advies uit. Uiteindelijk is het dan een beslissing van de regering en beide kamers om een referendum te houden. 2 Als achtervang kan de burger een correctief wetgevingsreferendum initiëren. Komt er een referendum, dan kiezen Kummeling & Zwart niet voor een gekwalificeerde meerderheid, maar voor een gewone meerderheid.
Worden deze opties niet gebruikt, dan volgt er een tweede lezing zoals we deze nu kennen, maar dan zonder een eis van een tussentijdse ontbinding. Zo zijn er twee paden ingebouwd. Kummeling & Zwart geven bovendien nog de mogelijkheid van een correctief referendum, indien regering en parlement niet daartoe over gaan. Hoewel deze poging om te differentiëren in de procedure interessant is om te overwegen, zijn er enkele kanttekeningen bij deze opzet te plaatsen.
Ten eerste, bij de referendumvariant lijkt er geen sprake van een beslissing door het parlement met een gekwalificeerde meerderheid te zijn ingebouwd. Dat is niet zonder risico’s. Stel dat een regering verstrekkende plannen heeft om het verbod van de doodstraf af te schaffen, dan zal deze regering mogelijk voor de referendumvariant kiezen, want a) dat is (waarschijnlijk) een wezenlijke verandering van ons bestel en b) het is niet nodig om 24 leden van de Tweede Kamer extra te overtuigen en 12 leden van de Eerste Kamer (bij een volledige aanwezigheid van de leden). De regering heeft zo een eenvoudiger alternatief. Een dergelijke herinvoering van de doodstraf zou in zeer snel tempo ingevoerd kunnen worden. Een van de doelen van de grondwetsherzieningsprocedure is om overijling en onzorgvuldige beslissingen te vermijden. Ten tweede, Kummeling & Zwart geven zelf aan de tweede lezing van belang te achten.3 Tegelijkertijd wordt deze stelling – middels de referendumvariant – ondergraven, want in die variant wordt hier afscheid van genomen.