Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/5.4.2.3
5.4.2.3 Art. 6:175, 6:176 en 6:177 BW
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS713181:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Par. 2.5.
Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 745; Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6. Boek 6 1990, p. 1388. Het criterium ‘bijzonder gevaar van ernstige aard’ is een open norm. Zoals Braams terecht aanvoert, is het niet mogelijk om ‘gevaar’ in abstracto ex ante te definiëren. Braams 1989, p. 200 e.v. Zie over het open karakter van het gevaarscriterium onder anderen: Schut, AA 1970, p. 450; Haazen, RM Themis 2017, p. 57-58; Asser/Sieburgh 6-IV 2019/411. Het open karakter van het gevaarscriterium betekent echter niet dat het criterium moet worden ingekleurd aan de hand van onrechtmatigheidsoverwegingen of gedragsnormen. ‘Gevaar’ is niet te vereenzelvigen met ‘ontoelaatbaarheid’. Dit blijkt ook uit de formulering van art. 6:173 BW, waar het gebrekscriterium (oftewel: het ontoelaatbaarheidscriterium) wordt onderscheiden van ‘bijzonder gevaar’. Niet elk bijzonder gevaar is ook ontoelaatbaar zo volgt uit het artikel. In art. 6:175 BW ontbreekt een vergelijkbare ontoelaatbaarheidstoets.
Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 745; Parl. Gesch. Inv. 3, 5 en 6. Boek 6 1990, p. 1388; Braams 1989, p. 27; Spier & Sterk 1995, p. 44-45; Bauw & Brans 2003/47; Haazen, L&S 2020, p. 35.
Het gaat dan met name om het gevaarzettingsbeginsel: Kamerstukken II 1988/1989, 21 202, nr. 3, p. 6 en 7; Klaassen 1990, p. 124. Ook de billijkheid wordt genoemd: Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 749-750; Braams 1989, p. 29; Klaassen 1990, p. 122.
Klaassen 1990, p. 124; Zie ook: HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278, NJ 2020/391, m.nt. J. Spier, r.o. 2.4.3.
Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 745; Kamerstukken II 1988/1989, 21 202, nr. 3, p. 7.
De artikelen 6:175, 6:176 en 6:177 BW regelen de aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen en verontreiniging van lucht, water of bodem. Deze artikelen benaderen een vorm van causaliteitsaansprakelijkheid.1 Voor toepassing van art. 6:175 BW is alleen vereist dat bekend is dat de stof zodanige eigenschappen heeft dat zij een bijzonder gevaar voor personen of zaken oplevert. Het gaat hier om een ‘inherent’ gevaarlijke stof, oftewel om een stof die naar haar aard gevaarlijk is.2 Dit betekent dat de stof niet gebrekkig hoeft te zijn.3 Daarnaast is niet vereist dat de aangesproken partij een gedragsnorm heeft geschonden. Sterker nog, een gedraging is niet eens vereist. De persoon van de aangesprokene is echter niet helemaal uit beeld verdwenen. De hoedanigheid van de normadressaat vormt namelijk – naast diverse andere rationes4 – een rechtvaardiging voor het bestaan van de kwalitatieve aansprakelijkheid. Bij art. 6:175 BW gaat het om de bedrijfsmatige gebruiker, bij de artikelen 6:176 en 6:177 BW gaat het om de exploitant, die in de praktijk vaak een ondernemer is.5 Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het redelijk werd geacht om de schade die ontstaat door verwezenlijking van de risico’s waarnaar in de betreffende artikelen wordt gewezen voor rekening te laten komen van degene die profijt heeft en de kosten gemakkelijk kan dragen en eventueel door kan berekenen aan afnemers. De profijtgedachte, de cost spreading capacity en het deep pockets argument worden dus gekoppeld aan de hoedanigheid van de aangesproken partij. Ook wordt in de parlementaire geschiedenis verwezen naar de eenheidsgedachte.6