Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/2.4.6
2.4.6 Eigendomsverkrijging van geoogste vruchten
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264490:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
D. 20,1,11,1 (Marcianus); D. 20,5,12,1 (Tryphoninus); D. 36,4,5,21 (Ulpianus); C. 3,37,2 (Antoninus Caracalla); C. 4,24,2 (Alexander Severus); C. 4,24,3 (Alexander Severus); C. 4,32,17 (Philippus); C. 8,24(25),2 (Maximianus); Dernburg 1864, p. 71.
Heumann/Seckel 1958, p. 417-418.
D. 7,4,13 (Paulus); D. 7,1,12,5 (Ulpianus); Kaser 1971, p. 427; Lokin/Brandsma 2016, p. 105.
Dernburg 1864, p. 71-72. Anders: Kohler 1882, p. 166-185. Volgens Kohler was de positie van de pandgebruiker gelijk aan die van de bezitter te goeder trouw, en niet aan die van de vruchtgebruiker.
D. 22,1,25,1 (Julianus).
D. 7,4,13 (Paulus). Si fructuarius messem fecit et decessit, stipulam, quae in messe iacet, heredis eius esse Labeo ait, spicam, quae terra teneatur, domini fundi esse fructumque percipi spica aut faeno caeso aut uva adempta aut excussa olea, quamvis nondum tritum frumentum aut oleum factum vel vindemia coacta sit. Sed ut verum est, quod de olea excussa scripsit, ita aliter observandum de ea olea, quae per se deciderit, Iulianus ait: fructuarii fructus tunc fieri, cum eos perceperit, bonae fidei autem possessoris, mox quam a solo separati sint.
Wanneer het recht van pandgebruik was gecombineerd met een fiducia, ligt het evenwel voor de hand dat de zekerheidseigenaar de eigendom van de vruchten verkreeg door hun afscheiding. De zekerheidseigenaar was immers eigenaar van de vruchtdragende zaak, en de eigenaar van de moederzaak werd eigenaar van de vruchten door afscheiding: Kaser/Knütel & Lohsse 2017, p. 157-158.
Zie bijvoorbeeld D. 41,3,16 (Javolenus). Van Oven 1948, nr. 60 en 90; Schulz 1951, nr. 706a en 753; Kaser/Wubbe 1967, p. 99.
Eigen vertaling van “praedo”.
Si praedo rem pignori dederit, competit ei et de fructibus pigneraticia actio, quamvis ipse fructus suos non faciet (a praedone enim fructus et vindicari extantes possunt et consumpti condici): proderit igitur ei, quod creditor bona fide possessor fuit.
Dernburg 1864, p. 72.
Dernburg 1864, p. 72-73; Wubbe 1960, p. 150-151.
De pandgebruiker verkreeg de eigendom van de vruchten door ze te oogsten of te innen. In het Latijn komt consequent het werkwoord percipere voor,1 wat kan worden vertaald met inzamelen of oogsten.2 Wat betreft eigendomstoewijzing van vruchten was de positie van de vuistpandhouder gelijk aan die van de vruchtgebruiker.3 Evenals bij de vruchtgebruiker, vloeide het recht op de vruchten van de pandgebruiker voort uit het beperkte recht van de pandgebruiker. De positie van de pandgebruiker verschilde dus van de positie van de bezitter te goeder trouw.4 Deze laatste verkreeg de eigendom van de vruchten op het moment waarop zij zich door een willekeurige oorzaak afscheidden van de vruchtdragende zaak. Een handeling waarmee de bezitter te goeder trouw deze vruchten oogstte, was voor de eigendomsverkrijging van die vruchten niet vereist.5
De onderstaande tekst illustreert het verschil tussen eigendomsverkrijging door afscheiding en eigendomsverkrijging door oogst:
“Als de vruchtgebruiker het koren heeft gemaaid en daarna is overleden, zijn de halmen die geoogst liggen van zijn erfgenaam, zegt Labeo, maar de aren die nog in de grond vastzitten zijn van de eigenaar van de grond. De vruchten zijn geïnd, zegt hij, wanneer de halmen of het hooi zijn gemaaid, de druiven geplukt, of de olijven afgeslagen zijn, ook al is het koren nog niet gedorst, de olijfolie nog niet vervaardigd, of de druiven nog niet geperst. Maar zo juist is als het is wat Labeo schreef over de afgeslagen olijven, zo anders moet worden geoordeeld over olijven die vanzelf gevallen zijn, zegt Julianus.”6
De vruchtgebruiker verkreeg de eigendom van de vruchten op het moment waarop hij ze oogstte of inde. Hij verkreeg de eigendom niet op het moment waarop de vruchten zich spontaan van de moederzaak afscheidden, zo volgt uit de laatste zin van het fragment. Dit was wel het geval voor de bezitter te goeder trouw. Hij verkreeg de eigendom van de vruchten op het moment waarop de vruchten zich afscheidden, ongeacht de oorzaak van die afscheiding. Het maakte dus niet uit of de vruchten zich spontaan afscheidden, of doordat de bezitter te goeder trouw de vruchten oogstte. Volgens mij was de positie van de pandgebruiker, wat betreft eigendomsverkrijging, gelijk aan die van de vruchtgebruiker, en niet aan die van de bezitter te goeder trouw.7
Hoewel de pandgebruiker dikwijls als possessor werd aangeduid8, meen ik dat er tussen hem en de bezitter te goeder trouw een verschil bestond dat een verschillende behandeling rechtvaardigde. De bezitter te goeder trouw had een eigendomspretentie, en mocht er ook vanuit gaan dat hij eigenaar was. Het eigendomsrecht van de bezitter te goeder trouw ontstond dan ook, evenals dat van de eigenaar, op het moment waarop de vruchten zich afscheidden van de vruchtdragende zaak. De pandgebruiker had daarentegen geen eigendomspretentie. Als beperkt gerechtigde erkende hij juist het eigendomsrecht van een ander, de pandgever. Het lag daarom voor de hand om de eigendomstoewijzing van vruchten voor de pandgebruiker op dezelfde manier te behandelen als voor de vruchtgebruiker.
Een argument tegen dit standpunt is dat D. 13,7,22,2 (Ulpianus) in het kader van eigendomsverkrijging van vruchten wel sprak van een pandhouder als bona fide possessor:
“Als een dief9 die zich andermans zaak heeft toegeëigend deze zaak in pand gegeven heeft, komt hem de pandactie ook ter zake van de vruchten toe, hoewel hij zelf die vruchten niet tot de zijne zal maken; van iemand die zich andermans zaak toe-eigent kunnen immers de nog aanwezige vruchten worden gerevindiceerd en de verbruikte vruchten met de condictie worden opgevorderd. Hij zal er dus voordeel bij hebben dat de schuldeiser bezitter te goeder trouw is geweest.”10
Deze tekst geeft echter geen uitsluitsel over het tijdstip van eigendomsverkrijging van de vruchten door de pandgebruiker.11 Ik meen zelfs dat de pandhouder in deze casus nooit de eigendom van de vruchten kon verkrijgen. In deze casus speelden drie partijen een rol: de eigenaar, de dief (praedo)/pandgever en de pandhouder. Uit het gebruik van praedo blijkt dat de pandgever een dief was. Hij had een zaak gestolen van de eigenaar. Deze pandgever sloot vervolgens een pandovereenkomst met de pandhouder, voor een niet nader benoemde gesecureerde vordering. De pandovereenkomst kwam in deze casus geldig tot stand. Er kon echter geen geldig pandrecht tot stand gekomen zijn; de pandgever was immers beschikkingsonbevoegd. Hij probeerde een pandrecht te vestigen op een zaak die hij had gestolen. Uit het feit dat de pandgever de actio pigneraticia directa kon instellen, volgt dat de gesecureerde vordering inmiddels was voldaan; anders had de dief de overgebleven vruchten niet kunnen opeisen. De eigenaar kon de vruchten echter opeisen met de revindicatie. De revindicatie was de actie die toekwam aan de eigenaar van de vruchten. De eigenaar van de vruchtdragende zaak was dus ook eigenaar van de vruchten die door de schuldeiser waren geoogst. Hieruit volgt dat een schuldeiser die geen geldig pandrecht had nooit de eigendom van de vruchten van de ‘verpande’ zaak kon verkrijgen. Over het tijdstip waarop een pandhouder (met een geldig pandrecht) de eigendom van de vruchten verkreeg, zegt de tekst niets.
Als we aannemen dat een schuldeiser zonder geldig pandrecht nooit de eigendom van de vruchten kon verkrijgen, is onduidelijk welk voordeel de dief had bij de goede trouw van zijn schuldeiser. Wellicht zat dit voordeel erin dat de pandhouder te goeder trouw de pandovereenkomst uitvoerde en de geoogste vruchten in mindering bracht op de schuld van de dief. Dit voordeel duurde echter slechts voort zolang de dief en de pandhouder niet werden aangesproken door de werkelijke eigenaar van het onderpand.12