Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/7.3
7.3 Vertrouwen op de naleving van verplichtingen
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS455777:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In hoofdstuk 11 komt de mensenrechtelijke dimensie afzonderlijk aan de orde.
Sommige rechtshulpverdragen kennen ook een dergelijke bepaling. Belangrijk voorbeeld is art. 11, tweede lid, van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken, 12 juni 1991, Trb. 1981, 188, dat bepaalt: ‘De verzoekende Staat gebruikt zonder voorafgaande toestemming van de aangezochte Staat, geen bij de toepassing van dit Verdrag verkregen bewijsmateriaal, of gegevens daaraan ontleend, voor andere doeleinden dan dewelke in het verzoek zijn vermeld.’ Zie over deze bepaling en enkele andere, hier minder relevante voorbeelden: J.M. Sjöcrona, De kleine rechtshulp, Arnhem: Gouda Quint 1990, p. 156-158. Een vergelijkbare bepaling is te vinden in het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken, 26 oktober 1988, Trb. 1989, 13 (‘De verzoekende Staat mag het verkregen bewijs of de daaruit afgeleide inlichtingen niet gebruiken voor andere doeleinden dan vermeld in het verzoek zonder de voorafgaande toestemming van de aangezochte Staat’). Opgemerkt dient wel te worden dat deze bepalingen algemener zijn dan de gebruikelijke specialiteitsbepalingen in uitleveringsverdragen.
Zie voor een voorbeeld uit het kleine rechtshulprecht art. 8, eerste lid, van het Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Speciale Administratieve Regio Hong Kong van de Volksrepubliek China inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken, 26 augustus 2002, Trb. 2002, 175: ‘De aangezochte Partij kan eisen dat de verzoekende Partij zonder voorafgaande toestemming van de centrale autoriteit van de aangezochte Partij gegevens of bewijs dat met toepassing van dit Verdrag is verkregen, niet gebruikt bij enig andere onderzoeken, strafvervolgingen of gerechtelijke procedures dan die welke zijn omschreven in het verzoek. In een dergelijke situatie zal de verzoekende Partij de voorwaarden naleven.’
Zie bijv. art. 6 lid 2 ERV.
Zie bijv. art. 12, eerste (getuige of deskundige) en tweede lid (verdachte), ERV; art. 35,eerste (getuige of deskundige) en tweede lid (verdachte), BURV; art. 9 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken, 12 juni 1991, Trb. 1981, 188; art. 14 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië inzake wederzijdserechtshulp in strafzaken, 26 oktober 1988, Trb. 1989, 13; art. 13 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken, Trb. 1991, 85.
Zie bijv. art. 13, tweede lid, van het in het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken, 26 oktober 1988, Trb. 1989, 13. Zie ook de volgende paragraaf voor de met een dergelijke garantie samenhangende verdragsrechtelijk toegekende vrijgeleide van getuigen, deskundigen en verdachten die naar het grondgebied van de vreemde staat reizen.
Zie art. 4, tweede lid, UW.
HR 27 maart 2001, NJ 2001, 381; HR 27 maart 2001, NJ 2001, 455, zie nader par. 5.3.
Verplichtingen uit rechtshulpverdragen
Het object van het vertrouwen kan ook de naleving van internationaalrechtelijke verplichtingen zijn die op de betrokken staat rusten in de verhouding met de andere staat. Het gaat dan om het vertrouwen dat de verplichting in de toekomst zal worden of in het verleden is nageleefd. Deze variant, het vertrouwen op de naleving van verplichtingen, vertoont doorgaans overlap met het eerder besproken vertrouwen dat zich richt op gedragingen, maar ook met vertrouwen op beweringen. In het kader van een gedraging, zoals de berechting of tenuitvoerlegging van een straf, wordt immers aan een verplichting invulling gegeven. Soms geeft een gedraging als zodanig invulling aan een verplichting. Een voorbeeld is de overdracht van executie. Het verdrag verplicht dan tot het tenuitvoerleggen van de straf. In dat geval vervult de andere staat met de tenuitvoerlegging zelf al de op hem rustende verplichting. In andere gevallen is de gedraging meer het vehikel voor de naleving van een verplichting en is de verplichting zelf het gevolg van een bewering. Is bijvoorbeeld toegezegd dat na uitlevering niet de doodstraf zal worden opgelegd, een bewering, dan kan via de berechting aan die verplichting worden voldaan. De berechting zelf is dan nog niet toereikend; pas als de berechting een bepaalde uitkomst heeft, is aan de verplichting voldaan.
Ondanks de zojuist geschetste samenhang en overlap tussen vertrouwen op gedragingen en op de naleving van verplichtingen, is het toch nuttig deze van elkaar te onderscheiden. Bij het vertrouwen op gedragingen staat de functionaris die de gedraging heeft verricht of nog zal verrichten voorop. Veelal is bekend welk type functionaris de gedraging zal verrichten en kan het vertrouwen daarop worden afgestemd. Bij het vertrouwen op de naleving van verplichtingen staat juist de verplichting voorop. Volkenrechtelijk gezien is de staat het primaire aanspreekpunt voor bijvoorbeeld een verdragsrechtelijke verplichting. Toch bindt een volkenrechtelijk verplichting ook de organen van de staat. Veel hangt af van de inhoud van de verplichting. Wanneer die verplichting zich duidelijker richt tot een bepaald staatsorgaan, concreter: een bepaalde functionaris in de strafrechtspleging, dan zal die verplichting eerder samenvallen met een specifieke gedraging. Is de verlichting algemener, dan is de overlap met een bepaalde gedraging minder sterk. Of omgekeerd geformuleerd: dan kan de verplichting door diverse gedragingen worden geëffectueerd. Zo kan het verbod op tenuitvoerlegging van de doodstraf, te vertalen als de verplichting zich daarvan te onthouden, worden nageleefd door de rechter, door de doodstraf niet op te leggen, maar ook door het bestuur, door in geval van een opgelegde doodstraf gratie te verlenen.
Het al dan niet eenduidige karakter van een verplichting en de (on)duidelijkheid die daaruit voortvloeit over de gedraging en functionaris die daaraan uitvoering moeten geven, kunnen gevolgen hebben voor het vertrouwen dat kan worden gesteld in de gedraging of de gedragingen die uitvoering geeft of geven aan de verplichting. Overigens hoeft dat niet per se te leiden tot het sneller aannemen van vertrouwen. Een voorbeeld verduidelijkt dit punt. Een verplichting kan bijvoorbeeld zijn aangegaan door een lid van de uitvoerende macht, zoals wanneer een minister in het kader van een rechtshulpverzoek een toezegging heeft gedaan. Wanneer in dat voorbeeld van de rechter in de vreemde staat bekend is dat hij zich niet gebonden acht aan dergelijke toezeggingen, maar hij wel de functionaris is die uiteindelijk met zijn gedraging invulling zou moeten geven aan de verplichting, is er alle reden om niet zonder meer op de verplichting te vertrouwen. Dit punt mondt uit in de vraag naar de gebondenheid aan het volkenrecht en tevens in het onderscheid tussen monistische en dualistische stelsels.
Verplichtingen uit andere verdragen
De verplichtingen op de naleving waarvan het vertrouwen zich richt, kunnen in het rechtshulpverdrag opgenomen verplichtingen zijn, maar ook verplichtingen op grond van andere verdragen. Dat kunnen (en zullen vaak) mensenrechtenverdragen zijn, die van belang kunnen zijn bij de opsporing (denk aan de artikelen 3, 6 en 8 EVRM), bij de vervolging en berechting (denk aan de artikelen 6, 7 en 10 EVRM) en bij de tenuitvoerlegging van een sanctie (denk aan de artikelen 3, 5 en 8 EVRM). Ook de algemene bepaling in het EVRM dat een daadwerkelijk rechtsmiddel moet worden geboden (art. 13 EVRM) is daarbij een uiterst belangrijke verplichting waarop wordt vertrouwd.1 In zekere zin gaat het daarbij ook om het vertrouwen in de vreemde rechter, in het bijzonder in de mogelijkheid hem te adiëren, en in zijn optreden ter bescherming van de rechten van de mens.
Ook verdragen aangaande diplomatieke onschendbaarheid of andere, meer algemeen volkenrechtelijk getinte verdragen kunnen algemenere verplichtingen als hier bedoeld in het leven roepen. Ook kan worden gedacht aan verplichtingen jegens de andere staat ten gevolge van specifieke toezeggingen gedaan in het kader van de concrete samenwerking. Deze kunnen, maar hoeven niet te zijn gebaseerd op een verdragsbepaling die het mogelijk maakt een dergelijke toezegging te doen of – meer toegesneden op de realiteit van de internationale strafrechtelijke samenwerking – aan de uitvoering van een rechtshulpverzoek bepaalde voorwaarden of restricties te verbinden.
Verplichtingen op grond van het rechtshulpverdrag betreffen vaak de gang van zaken na verlening van de rechtshulp. Het gaat dan om vertrouwen gericht op de toekomst. Een enkel voorbeeld kan verhelderend werken. In veel gevallen van interstatelijke samenwerking geldt een specialiteitsregel. In het uitleveringsrecht is een dergelijke bepaling zelfs in alle door Nederlands gesloten verdragen opgenomen. De verleende rechtshulp mag in beginsel niet voor andere doeleinden worden aangewend dan waar die voor is verleend. Een uitgeleverde verdachte of veroordeelde mag niet voor andere feiten worden vervolgd of veroordeeld dan die waarvoor hij is uitgeleverd, althans voor zover het feiten betreft die zijn gepleegd voor de uitlevering. Bij overdracht van executie zonder instemming van de veroordeelde mag die veroordeelde in beginsel niet van zijn vrijheid worden beroofd voor feiten gepleegd voor de overname van de tenuitvoerlegging van de sanctie. Ook is soms geregeld dat het met kleine rechtshulp verkregen materiaal alleen mag worden gebruikt bij de berechting ter zake van het feit waarvoor de rechtshulp is verzocht. Iets vergelijkbaars kan gelden voor overdracht van de strafvervolging of de executie. Veel hangt af van het verdrag: dat kan deze specialiteitsregel zelf formuleren,2 zodat de betrokken staat verdragsrechtelijk reeds verplicht is tot naleving daarvan, maar het verdrag kan ook de mogelijkheid bieden de uitvoering van het rechtshulpverzoek afhankelijk te maken van een specialiteitstoezegging.3
In rechtshulpverdragen kunnen ook andere verplichtingen voor de verzoekende staat te vinden zijn die betrekking hebben op de fase nadat de rechtshulp is verleend. Zo dient in beginsel het overgedragen materiaal nadat daar het voor strafvordering nodige gebruik van is gemaakt zo spoedig mogelijk te worden teruggegeven aan de aangezochte staat.4Artikel 552p, derde lid, Sv schrijft ook voor dat dit voorbehoud wordt gemaakt, tenzij aannemelijk is dat de rechthebbenden op de in beslag genomen stukken van overtuiging niet in Nederland verblijf houden.
In zekere zin vergelijkbaar met de specialiteitsregel is de verdragsrechtelijke verplichting om aan de naar de vreemde staat overgebrachte of vrijwillig afreizende getuige, deskundige of verdachte een vrijgeleide te bieden die in veel rechtshulpverdragen is te vinden.5 Ook deze bepaling verbiedt het om misbruik te maken van de samenwerking door daar een ruimer bereik aan te geven.
Ook de verplichting tot enigerlei beperking van de straf na rechtshulp is een verplichting waar het vertrouwen zich op kan richten. Bij omzetting van de straf na overdracht van executie mag de strafrechtelijke positie van de gedetineerde doorgaans niet worden verzwaard. Na overname van strafvervolging zonder originaire rechtsmacht van de overnemende staat mag doorgaans het strafmaximum van de overdragende staat niet worden overschreden (zie art. 25 jo. 2 EVOS). Bij een gedeeltelijk toelaatbare uitlevering ter vervolging of ter executie of wanneer een deel van de straf al is uitgezeten bij overdracht van of uitlevering ter executie dient de vervolging of sanctie in die zin te worden beperkt. Dit zijn alle verplichtingen op de naleving waarvan het vertrouwen van de andere staat zich kan richten.
Aardig voorbeeld is nog de in een enkel verdrag te vinden mogelijkheid garanties te bedingen betreffende veiligheid van eventueel naar het grondgebied van de vreemde staat afreizende getuigen.6
Ook de in het uitleveringsrecht bekende toezegging van teruglevering van onderdanen, zodat die hun straf in Nederland uit kunnen zitten, is een verplichting waaraan de verzoekende staat gebonden is (die teruglevering zelf levert dan een overdracht van executie op).7
Een voorbeeld van een algemenere verdragsrechtelijke verplichting waarop soms wordt vertrouwd is de verplichting tot strafbaarstelling van bepaalde delicten. Bij sommige drugsdelicten is het niet problematisch als de wettelijke lijsten waarin de verboden verdovende middelen in een bepaalde staat zijn opgesomd, niet worden meegestuurd, omdat ervan wordt uitgegaan dat vanwege de verplichtende werking van internationale narcoticaverdragen bepaalde stoffen toch wel op die lijsten zullen prijken.8
Wat als een verplichting niet wordt nageleefd?
In veel gevallen zal het bij niet-naleving van een verplichting gaan om een toekomstige verplichting. Dat maakt de beantwoording van de vraag welke gevolgen dergelijke niet-naleving moet of kan hebben, opnieuw, complex. Doorgaans zal de aanvankelijke procedure zijn geëindigd of in elk geval uit handen zijn van de staat die op naleving vertrouwde. Evenals bij gedragingen en beweringen, kan dan getracht worden de diplomatieke weg te bewandelen, in welk kader ook duidelijk kan worden gemaakt welke gevolgen de niet-naleving voor toekomstige gevallen van samenwerking kan hebben. Bij verplichtingen die voortvloeien uit een verdrag, kan niet-naleving het verdrag raken. Indien sprake is van een materiële schending kan niet-naleving zelfs leiden tot (art. 60 Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht). In theorie is nog denkbaar dat de ene staat een procedure bij het Internationaal Gerechtshof begint tegen de andere staat vanwege de schending van het verdrag. Nog daargelaten dat zich dit in de praktijk niet zal voordoen, heeft die interstatelijke procedure weinig toegevoegde waarde binnen het kader van dit boek, nu de betrokkene, de verdachte of de veroordeelde, niet of nauwelijks is gebaat bij een dergelijke procedure.