Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/6.6.2
6.6.2 Hoofdelijkheid leidt tot het ontstaan van meerdere vorderingsrechten
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648784:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 28 juni 2002, NJ 2002/447, JOR 2002/136.
HR 20 februari 2004, NJ 2005/493.
HR 20 maart 2015, JOR 2015/140, NJ 2015/361, r.o. 4.34.2.
HR 20 maart 2015, JOR 2015/140, NJ 2015/361, r.o. 4.34.1. Dit is niet helemaal zuiver. Mogelijk bedoelde de Hoge Raad dat het deponeren van de 403-verklaring (evenals het opstellen van een geconsolideerde jaarrekening) een voorwaarde is om de groepsvrijstelling te mogen toepassen.
Het bijzondere karakter van een 403-vordering zou een afwijking van een deel van de regels van hoofdelijkheid rechtvaardigen aldus Wibier 2008, par. 3.
Zie par. 6.5.4 waar uitgebreid in wordt gegaan op HR 20 maart 2015, JOR 2015/140, NJ 2015/ 361.
Biemans 2011, nr. 288.
Tussen de verschillende vorderingsrechten die voortvloeien uit hoofdelijkheid kunnen verschillen bestaan, Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I*, nr. 100
HR 28 juni 2002, JOR 2002/136, NJ 2002/447, r.o. 3.4.5. Zie ook Hof ’s-Gravenhage, 6 februari 2007, JOR 2007/103; Faber betoogt dat dat een vordering die voortvloeit uit hoofdelijkheid en welke niet als een afhankelijk recht kan worden beschouwd, niet als een nevenrecht kan worden beschouwd. Zie vervolgens Biemans 2011, nr. 289: Bij de overgang van één van de vorderingsrechten gaat een ander vorderingsrecht niet van rechtswege mee over als afhankelijk recht of als nevenrecht.
Om te kunnen nagaan wat de consequenties van verjaring zijn wanneer er een 403-vordering in het spel is, is het wederom van belang om vast te stellen dat een 403-verklaring leidt tot het ontstaan van hoofdelijke aansprakelijkheid wat weer leidt tot de conclusie dat een 403-vordering een afzonderlijk vorderingsrecht is. Strikt genomen schrijft de wet niet voor dat er in het geval van hoofdelijkheid sprake is van meerdere vorderingsrechten. Artikel 6:7 BW bepaalt:
Indien twee of meer schuldenaren hoofdelijk verbonden zijn, heeft de schuldeiser tegenover ieder van hen het recht op nakoming van het geheel.
De wet bepaalt echter niet expliciet dat er meerdere vorderingsrechten zijn. Artikel 6:7 BW had ook kunnen luiden:
Indien twee of meer schuldenaren hoofdelijk verbonden zijn, heeft de schuldeiser tegenover ieder van hen een vorderingsrecht ter grote van het geheel.
Vergelijk bijvoorbeeld artikel 6:15 lid 1 BW, waarin de wetgever wel duidelijk van verschillende vorderingsrechten spreekt:
Is een prestatie aan twee of meer schuldeisers verschuldigd, dan heeft ieder van hen een vorderingsrecht voor een gelijk deel, tenzij uit wet, gewoonte of rechtshandeling voortvloeit dat de prestatie hun voor ongelijke delen toekomt of dat zij gezamenlijk één vorderingsrecht hebben.
Artikel 6:15 lid 1 BW had ook als volgt kunnen luiden:
Is een prestatie aan twee of meer schuldeisers verschuldigd, dan hebben de schuldeisers ieder van hen een recht op nakoming voor een gelijk deel, tenzij uit wet, gewoonte of rechtshandeling voortvloeit dat de prestatie hun voor ongelijke delen toekomt.
Een 403-vordering wordt gebaseerd op de 403-verklaring. De inhoud van een 403-verklaring moet worden vastgesteld door de uitleg van de daarin opgenomen tekst.1 Dit geschiedt volgens de maatstaf die voortvloeit uit DSM/Fox,2 naar objectieve maatstaven.3 De Hoge Raad oordeelde dat de betekenis van een 403-verklaring moet worden begrepen tegen de achtergrond dat zij dient als een van de voorwaarden voor het gebruik van een geconsolideerde jaarrekening.4 Ervan uitgaande dat de 403-verklaring aansluit bij de bewoordingen van artikel 2:403 lid 1 sub f BW, vloeit het bestaan van twee vorderingsrechten niet direct voort uit de 403-verklaring. Hoe dan ook, op de 403-vordering zijn de reguliere regels van hoofdelijkheid van toepassing.5 Hoewel de Hoge Raad hieromtrent mist heeft opgeroepen,6 wordt aangenomen dat er bij hoofdelijke aansprakelijkheid geen sprake is van slechts één vorderingsrecht met twee of meer schuldenaren. Aangenomen wordt dat hoofdelijkheid leidt tot het bestaan van twee of meer vorderingen, al naar gelang het aantal hoofdelijk schuldenaren.7 Dit zijn beide zelfstandige vorderingsrechten.8 De vraag of een 403-vordering kwalificeert als een afhankelijk recht (art. 3:82 BW) of een nevenrecht (art. 6:142 BW) is door de Hoge Raad negatief beantwoord.9
In deze paragraaf worden vorenstaande overwegingen nogmaals benadrukt, omdat, wanneer een 403-vordering afhankelijk zou zijn van de oorspronkelijke vordering en het lot van de oorspronkelijke vordering zou volgen, een 403-vorde-ring niet kan (voort)bestaan wanneer de oorspronkelijke vordering teniet is gegaan. Wanneer de oorspronkelijke vordering verjaart, gaat in dat geval ook de 403-vordering teniet. En dat is, zoals in deze paragraaf uiteen zal worden gezet, nu juist niet het geval.