Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/2.4.2
2.4.2 Narratieve benadering
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Crombag, Van Koppen & Wagenaar 2005, p. 455.
Crombag, Van Koppen & Wagenaar 2005, p. 72-73.
Crombag, Van Koppen & Wagenaar 2005, p. 18.
Crombag, Van Koppen & Wagenaar 2005, p. 447.
Aben 2011, p. 48.
Malsch & Freckelton 2009, p. 120.
Expliciete benoeming van deze algemene feiten is in het Nederlandse strafproces noodzakelijk indien een bepaald onderdeel van de bewezenverklaring niet wordt ‘gedekt’ door de bewijsmiddelen, maar wel volgt uit algemeen aanvaarde kennis. Zie voor een uiteenzetting van het gebruik van feiten van algemene bekendheid Stevens 2012, p. 69-82.
Pennington & Hastie 1993, p. 198-199.
Zie Pennington & Hastie 1993, p. 192-221. Het verhaal dat de jury construeert, bepaalt in belangrijke mate de uitkomst van de bewijsbeslissing.
Malsch & Freckelton 2009, p. 119.
Wagenaar 2010, p. 361.
Derksen 2010, p. 79 en Elffers 2010, p. 369.
Zie ook Aben 2011, p. 48, die stelt dat de verhaaltheorie wel een aardige beschrijving geeft van de gang van zaken in de raadkamer en dus niet alleen van toepassing is op juryrechtspraak, maar ook op de Nederlandse rechtersrechtspraak.
De narratieve benadering gaat niet uit van de individuele bewijsstukken maar van het verhaal. De gedachte is dat individuele bewijsstukken pas betekenis krijgen wanneer deze in de context van een verhaal worden geplaatst. Het verhaal dat in het strafproces tot uitgangspunt wordt genomen is het verhaal zoals ten uitdrukking gebracht in de tenlastelegging. De narratieve benadering wordt in Nederland gepropageerd door Crombag, Van Koppen en Wagenaar in hun ‘theorie van verhaal en verankering’ die daarbij voortborduren op het gedachtegoed van Pennington en Hastie. De narratieve benadering is vooral geïnspireerd op het Anglo-Amerikaanse partijenproces waarin zowel de vervolgende als verdedigende partij een eigen verhaal aan de jury presenteert. In de theorie van verhaal en verankering is het verhaal uit de tenlastelegging het uitganspunt. De theorie komt er kort gezegd op neer dat de rechter kijkt (of moet kijken) naar het verhaal in de tenlastelegging en de onderdelen van het verhaal vervolgens toetst aan de bewijsmiddelen, die op hun beurt weer worden verankerd in algemeen aanvaarde kennis. Het gaat om een proces van ‘stapsgewijze regressie van het verhaal naar de vaste grond van algemeen aanvaarde kennis’.1 De gedachte is dat hoe verder wordt afgedaald in de hiërarchie van deelverhalen en hoe steviger wordt verankerd in algemeen aanvaarde kennis, hoe veiliger de bewijsconstructie.2 Bewijsmiddelen worden in de theorie van Crombag, Van Koppen en Wagenaar gezien als deelverhalen die op dezelfde manier als het overkoepelende verhaal moeten worden verankerd in algemene kennis.3 Bij de toetsing van verklaringen gaat het erom het verhaal zover te ontleden totdat men uitkomt bij min of meer ‘veilige’ kennis die door iedereen in de maatschappij wordt gedeeld.4 Volgens Aben expliciteert het proces van verankering de structuur van het proces van bewijzen, maar heeft het ‘op zichzelf geen meerwaarde boven hetgeen de argumentatieleer tot onderwerp heeft en ons reeds leert’.5
De narratieve benadering kan worden gekenmerkt als overwegend topdown, omdat het proces van bewijzen begint met een verhaal houdende een (voorlopige) conclusie over de feiten zoals verwoord in de tenlastelegging, waarna het redeneerproces vervolgt met het verhaal als uitgangspunt. Het gebruik van verhalen voor de reconstructie van het verleden is gebaseerd op de herkenning van patronen, waarbij voortdurend wordt gebruikgemaakt van alledaagse generalisaties en algemene kennis.6 Soms worden deze expliciet benoemd in de door de rechter gehanteerde bewijsredenering als zogenaamde ‘feiten van algemene bekendheid’, maar veel vaker geschiedt het gebruik van generalisaties en algemene kennis impliciet.7 Elementen die van belang zijn bij de beoordeling van een verhaal zijn: dekking, coherentie, uniciteit en quality of fit.8 Uit onderzoek van Pennington & Hastie blijkt dat van een goed verhaal, dat wil zeggen een verhaal met een duidelijke structuur, plot en motief, grote overtuigingskracht uitgaat.9
Het gevaar van het gebruiken van verhalen is dat op basis van de beschikbare feiten vaak meerdere verhalen mogelijk zijn en het meest plausibele verhaal niet altijd ook het juiste verhaal hoeft te zijn. Daarnaast bestaat het gevaar dat een gepresenteerd verhaal in een te vroeg stadium wordt geaccepteerd en dat latere informatie die in strijd is met het verhaal niet voldoende gewicht krijgt of wordt weggeredeneerd. Verhalen zijn tevens gebaseerd op generalisaties die niet altijd hoeven te kloppen. Het risico is dus dat de rechter gebruikmaakt van onveilige ankers. In een holistische benadering staan afzonderlijke elementen in de bewijsconstructie daarbij meer op de achtergrond, waardoor tegenstrijdigheden tussen de samenstellende delen in deze benadering relatief onderbelicht blijven.10 De kritiek op de theorie van verhaal en verankering zoals aanvankelijk ontwikkeld door Crombag, Van Koppen en Wagenaar was dat deze uitsluitend uitgaat van het verhaal zoals dat in de tenlastelegging is neergelegd. Het gaat daarbij niet om het toetsen van twee hypothesen tegen elkaar, maar uitsluitend om een systematisch onderzoek naar de schuldhypothese zoals die in de tenlastelegging door het Openbaar Ministerie is verwoord.11 Het probleem van deze benadering is dan ook dat zij in de kern uitsluitend een verificatoir karakter heeft. Vanuit de literatuur is aangevoerd dat het aandragen van positief bewijs niet voldoende is voor het aannemen van een bepaald verhaal als (hoogstwaarschijnlijk) waar. Er dient tevens gekeken te worden of de aangetroffen feiten mogelijk niet op andere wijze kunnen worden verklaard en de door het Openbaar Ministerie aangedragen hypothese kan worden gefalsifieerd.12 Ondanks de voornoemde bezwaren blijkt dat verhalen in de praktijk bij het construeren van het bewijs een belangrijke rol spelen.13