Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/9.9.1.c
9.9.1.c Subsidiaire aansprakelijkheid van de verkrijgende rechtspersoon op wie een schuld niet is overgegaan
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250318:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Op grond van art. 2:334t lid 2 en 3 BW zijn de verkrijgende rechtspersonen voor het geheel aansprakelijk voor ondeelbare verbintenissen van de 403-maatschappij. Met betrekking tot deelbare verbintenissen is de rechtspersoon op wie de verbintenis niet onder algemene titel is overgegaan slechts aansprakelijk tot de waarde van het vermogen dat bij de zuivere splitsing op hem is overgegaan. Ik laat dit verschil in aansprakelijkheid verder buiten beschouwing.
Verbrugh 2007, p. 229 en Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/587. Zie ook Kamerstukken II 1996/97, 24702, 6, p. 10 (NnavhV).
Verbrugh 2006, p. 54 en Van der Kraan 2012, p. 160-161.
Zie in vergelijkbare zin § 9.10.1.c met betrekking tot een afsplitsing van vermogen van de 403-maatschappij.
Op grond van art. 2:334t BW zijn beide verkrijgende rechtspersonen aansprakelijk voor de schulden van de 403-maatschappij ten tijde van de zuivere splitsing.1 De verkrijgende rechtspersoon op wie een schuld bij de zuivere splitsing niet onder algemene titel is overgegaan, is slechts subsidiair aansprakelijk voor de nakoming van deze schuld. Ik merk op dat de aansprakelijkheid ex art. 2:334t BW slechts ziet op de bestaande schulden van de 403-maatschappij op het moment van de zuivere splitsing, al hoeven deze nog niet opeisbaar te zijn.2 Schulden die na de splitsing voortvloeien uit een daarvoor aangegane rechtsverhouding vallen hier niet onder.
Verbrugh en Van der Kraan wijzen erop dat een crediteur die op het moment van de zuivere splitsing een vordering heeft op de 403-maatschappij, daarna drie mogelijkheden heeft om zijn vordering voldaan te krijgen.3 Ten eerste kan hij de verkrijgende rechtspersoon aansprakelijk stellen op wie de schuld bij de zuivere splitsing onder algemene titel is overgegaan. Daarnaast is de moedermaatschappij op grond van de 403-verklaring hoofdelijk aansprakelijk voor de nakoming van deze schuld – de crediteur kan naar vrije keuze de verkrijgende rechtspersoon op wie de schuld is overgegaan en de moedermaatschappij aansprakelijk stellen. Tot slot is de andere verkrijgende rechtspersoon op wie de schuld bij de zuivere splitsing niet is overgegaan op grond van art. 2:334t BW subsidiair aansprakelijk.4 Ik ben het met Verbrugh en Van der Kraan eens dat de subsidiaire aansprakelijkheid ex art. 2:334t BW met zich brengt, dat de crediteur hier pas een beroep op kan doen als de verkrijgende rechtspersoon op wie de schuld wel is overgegaan en de moedermaatschappij tekortschieten in de nakoming.