Einde inhoudsopgave
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/I.3.10.7
I.3.10.7 De deconstitutionalisering van de benoemingswijze van de burgemeester/ De Nacht van Van Thijn
1
T. van Gennip, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
T. van Gennip
- JCDI
JCDI:ADS284934:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Overigens blijkt uit de Handelingen dat het bij stemming nog geen nacht was, maar avond. Handelingen I 2004/05, 21, p. 926-939.
Kamerstukken II, 2000/01, 27551, nr. 2. Eerder trok de regering trok in december 2000 ten tijde van het kabinet-Paars I een voorstel in over de benoemingswijze van de burgemeester en commissaris van de Koningin. De Tweede Kamer had het voorstel al wel aangenomen. Op het moment dat het voorstel bij de Eerste Kamer lag, werd het ingetrokken in december 2000 door de regering, De regering volgde daarmee het advies van de Staatscommissie-Elzinga waarin stond dat er naast het schrappen van art. 131 Gw een vergezellend wetsvoorstel moest komen waarin de aanstellingswijze van de burgemeester wél bepaald zou zijn. Kamerstukken I 2000/01, 25620, nr. 176, p. 1.
Zie voor het hoofdlijnenakkoord: Kamerstukken II 2002/03, 28637, nr. 19, p. 13.
De Graaf 2009, p. 177. Zie: de wet van 11 december 2001, Stb. 2001, p. 585.
Handelingen I 2004/05, 21, p. 859-879.
Dit leidde tot het bewogen partijcongres van D66 op 2 april 2005 over de voortzetting van de coalitie. Het congres stemde in met het Paasakkoord. In dat akkoord stond wederom dat er een voorstel moest worden voorbereid ter invoering van de gekozen burgemeester.
Handelingen I 2018/19, nr. 8, item 6, p. 1-3; Stb. 2018, 493.
De regering diende in december 2000 tijdens het bewind van het kabinet-Kok II een voorstel in eerste lezing in met het oog op de deconstitutionalisering van de benoemingswijze van de burgemeester en commissaris van de Koningin.2 Bij de eerste lezing waren enkel de christelijke oppositiepartijen (incl. het CDA) tegen het voorstel. De PvdA was als regeringspartij van het kabinet-Kok II voor het voorstel. Ten tijde van het kabinet-Balkenende II (2003-2006) speelde het voorstel een belangrijke rol, want in de vernieuwingsagenda van coalitiepartij D66 en in het regeerakkoord was het een centraal onderdeel.3 D66 had om tot een regeerakkoord te komen het correctief wetgevingsreferendum moeten laten varen. Onder Paars II was eerder - als reactie op de ‘Nacht van Wiegel’ - nog succesvol een voorstel ingediend, resulterend in een verklaringswet.4 De Tweede Kamer verwierp aldus het voorstel in tweede lezing in 2004. D66 had offers gebracht en daarom stond er voor die partij veel op het spel.
Pas na twee verkiezingen voor de Tweede Kamer van 15 mei 2002 en 22 januari 2003 kwam de Tweede Kamer toe aan de behandeling van het voorstel in tweede lezing. Met een gekwalificeerde meerderheid werd het voorstel aangenomen in de Tweede Kamer. De meeste leden van de PvdA-fractie in de Tweede Kamer stemden in november 2004 voor het voorstel.
Minister de Graaf voor Bestuurlijke vernieuwing en Koninkrijksrelaties stuurde nog diezelfde maand een brief naar de Eerste Kamer met het verzoek om het voorstel voortvarend te behandelen.5 Tijdens de behandeling in de Eerste Kamer stonden er eigenlijk twee onderwerpen ter discussie.6 In het regeerakkoord van het kabinet-Balkenende II stond namelijk dat een vergezellend wetsvoorstel zou worden ingediend over de rechtstreeks door de bevolking gekozen burgemeester.7 Op 15 november 2004 had de regering een dergelijk voorstel van wet ingediend bij de Tweede Kamer.8 Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel ter herziening van de Grondwet ging het eigenlijk vooral over het ‘gewone’ wetsvoorstel. Juist op dit voorstel was de PvdA (evenals de SP en GroenLinks) kritisch. De Graaf opperde dat uitsluitend de deconstitutionalisering aan de orde was. Hij wilde de verschillende kwesties graag scheiden. Met dit punt ging de PvdA-fractie niet mee, want de betreffende grondwetsherziening zou betekenen dat de gewone wetgever vrij zou zijn om een gekozen burgemeester in te voeren. Dat laatste was de inzet van het kabinet-Balkenende II. De PvdA (destijds geen coalitiepartij) kon geen beslissende invloed meer uitoefenen op het wetgevingsproces. De coalitiepartijen (CDA, D66 en VVD) hadden in 2005 ook in de Tweede Kamer en in de Eerste Kamer een (gewone) meerderheid. De PvdA had bovendien niets op met de haast die minister De Graaf had. De Graaf wilde zo snel mogelijk de gekozen burgemeester realiseren. Van Thijn wees echter op de taak van de Eerste Kamer om te wijzen op zorgvuldigheid, consistentie en uitvoerbaarheid van voorstellen. Om die reden stemden de leden van de PvdA tegen, evenals de leden van de fracties van de SP, SGP, GroenLinks en de ChristenUnie.
De Graaf trad een dag na de betreffende stemming in de Eerste Kamer af.9 Er vond wederom een kabinetscrisis plaats n.a.v. een stemming in de Eerste Kamer over een herzieningsvoorstel in tweede lezing: de zogenaamde Paascrisis. Na deze crisis volgde een heronderhandeling van het regeerakkoord. Na een emotioneel D66-congres van 2 april 2005 zette D66 haar regeringsdeelname voort.
In november 2018 heeft de Eerste Kamer overigens wel een voorstel betreffende de deconstitutionalisering van de benoemingswijze van de burgemeester in tweede lezing aangenomen.10