Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/7.6
7.6 Onvoorziene omstandigheden
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS197013:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Art. 6:258 BW.
De regeling geldt voor overeenkomsten (ook niet-wederkerige). In deze paragraaf gaat het daarom over overeenkomsten.
De maatstaf is niet of een omstandigheid letterlijk onvoorzien is, maar of partijen de omstandigheid in hun overeenkomst hebben verdisconteerd (Asser/Sieburgh 6-III 2018/436 en 439). Zie voor het vereiste dat de omstandigheid nog niet bestond Schelhaas, Redelijkheid en billijkheid (Mon. BW nr. A5) 2017/7.48.1.
Daarmee wijkt de regeling af van de in dit hoofdstuk besproken acties van de crediteur, de vordering tot nakoming, opschorting, de vordering tot schadevergoeding en (de vordering tot) ontbinding.
Asser/Sieburgh 6-I 2016/343. Met wijziging van de overeenkomst kan ook aan de belangen van de schuldeiser tegemoet worden gekomen. Dat valt uit het oogpunt van redelijkheid en billijkheid te prefereren boven een geslaagd beroep op overmacht van de schuldenaar, waarbij de belangen van de schuldeiser in het gedrang komen. Zie ook nt. 199 bij nr. 246 over de verhouding tussen de imprévision-regeling en het beroep op overmacht.
Art. 6:250 BW.
Vgl. Bakker, in: GS Verbintenissenrechtart. 6:258 BW, aant. 1.4, (online, bijgewerkt 1 april 2019); hij noemt de waarde van het gebruik van algemene bewoordingen beperkt.
Een voorziening kan naar verkeersopvattingen voor rekening van de rechtspersoon komen, omdat de voorziening getroffen wordt indien de toestand van de rechtspersoon er aanleiding toe geeft. In 7.11-7.13 wordt toegespitst op het risico voor onmiddellijke voorzieningen.
[236] Redelijkheid en billijkheid beheersen de verhoudingen tussen schuldeiser en schuldenaar. Een speciale verschijningsvorm van redelijkheid en billijkheid is de imprévision-regeling.1 Op grond van omstandigheden, die bij het tot stand komen van de overeenkomst niet bestonden en door partijen niet in de overeenkomst zijn verdisconteerd, kan een partij de rechter vragen de overeenkomst te wijzigen, als ongewijzigde instandhouding naar redelijkheid en billijkheid niet verwacht mag worden.2 Of de omstandigheden wel of niet ‘voorzien’ zijn als bedoeld in deze bepaling, is een kwestie van uitleg van de overeenkomst.3
De imprévision-regeling biedt niet alleen de crediteur, maar ook de schuldenaar de mogelijkheid het initiatief te nemen.4 Bovendien is er ruimte voor minder verstrekkende oplossingen dan algehele ontbinding, hetgeen voor beide partijen aantrekkelijk kan zijn. De schaduwzijde voor de schuldenaar is dat de regeling zijn beroep op overmacht kan inperken.5
[237] De imprévision-regeling is van dwingend recht.6 Contractspartijen kunnen wijziging van hun overeenkomst op de voet van deze bepaling niet uitsluiten. Men kan wel voorkomen dat omstandigheden aanleiding worden voor wijziging, door ze in de overeenkomst te betrekken. Dan zijn deze niet ‘onvoorzien’.
Zo kunnen de rechtspersoon en zijn wederpartij bij het aangaan van hun overeenkomst aandacht besteden aan de mogelijkheid dat een onmiddellijke voorziening met de overeenkomst zal interfereren. Ook na het aangaan van de overeenkomst is dat nog mogelijk. Om te vermijden dat de overeenkomst in zo’n geval kan worden gewijzigd, hoeven partijen de ‘omstandigheden’ (de onmiddellijke voorziening) niet verregaand te concretiseren.7 Wel moet bedacht worden, dat de ruimte voor uitleg door de rechter groter is naarmate de bewoordingen, waarmee partijen onmiddellijke voorzieningen in hun contract verdisconteren, algemener zijn.8 Met de ruimte voor rechterlijke uitleg groeit het risico, dat het contract toch onderhevig kan zijn aan wijziging op de voet van artikel 6:258 BW.
[238] Een uitzondering op de imprévision-regeling is gemaakt voor omstandigheden die naar de aard van de overeenkomst of de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening komen van de partij die de wijziging verlangt.9 Als de onmiddellijke voorziening te beschouwen is als een omstandigheid die naar verkeersopvattingen voor rekening van de rechtspersoon komt, beperkt deze uitzonderingsbepaling de rechtspersoon-schuldenaar in zijn mogelijkheden om in verband met een (onvoorziene) onmiddellijke voorziening wijziging van zijn overeenkomst te vragen.10