Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/10.4.1.1
10.4.1.1 Eigen waarneming en ondervinding
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
De verklaring ziet dus niet alleen op hetgeen de getuige heeft geobserveerd, maar ook op wat hij heeft gehoord, gevoeld (in de zin van tast) en geroken. De verklaring van de getuige kan ook zien op de waarneming van uitingen van de emoties van derden (tranen, lachen, etc.) (Corstens/Borgers 2011, p. 692).
Corstens/Borgers 2011, p. 692.
Tekst & Commentaar: Strafvordering, art. 291, aant. 3.
Zie Melai-Groenhuijsen, art. 342, aant. 4, waarbij wordt verwezen naar artikel 287-oud Sv. Dat het primair gaat om een opdracht aan de getuige zou af te leiden zijn uit de wetsystematiek en de formulering van artikel 301-oud Sv, waarin stond dat ‘bij het verhoor van den verdachte (...) zoveel mogelijk (wordt) onderzocht of zijne wetenschap op eigen waarneming berust’. Dit artikel is bij de Wet herziening onderzoek ter terechtzitting, Stb. 1998, 33 (i.w.tr. op 1 februari 1998) echter komen te vervallen. In artikel 302 lid 2-oud Sv wordt ook aangegeven waarover het slachtoffer op zitting mag verklaren. Dit artikel is eveneens geformuleerd als norm gericht op het slachtoffer, maar is nu verplaatst naar de titel over het slachtoffer in boek I (art. 51e Sv).
Zie meer uitvoerig § 8.3.
Zie voor een uitgebreid overzicht Mols 2003, p. 356 e.v.
Mols 2003, p. 364. Zie ook Corstens/Bogers 2011, p. 679.
HR 22 juni 2010, LJN BM 4127.
Zie bijv. HR 5 juli 2011, LJN BP2551, ro. 8.6. Zie ook HR 16 oktober 1973, NJ 1974, 176.
Deze aanname wordt vanuit de rechtspsychologische hoek overigens wel betwist.
Zie bijv. HR 15 november 2011, LJN BR2847, HR 28 maart 2008, LJN AV1614 en HR 15 november 2005, LJN AU2711
Nijboer 2011, § 5.4.1.
Zie bijvoorbeeld HR 30 september 1975, NJ 1976, 147.
De verklaring van een getuige kan ingevolge het bepaalde in artikel 342 lid 1 Sv uitsluitend voor het bewijs worden gebruikt wanneer deze betrekking heeft op feiten en omstandigheden welke hij zelf heeft waargenomen of ondervonden. Onder de eigen waarneming wordt begrepen de zintuiglijke kennisneming van externe gegevens of prikkels.1 De ondervinding betreft de eigen emoties of ‘de geestesgesteldheid die men aan zich zelf kan waarnemen’, bijvoorbeeld angst, pijn en schrik.2 Zo is voor het bewijs van mishandeling vereist dat het slachtoffer pijn of letsel heeft bekomen. Het slachtoffer kan als getuige verklaren dat het pijn deed toen hij door de verdachte werd geslagen. De eigen waarneming of ondervinding zal de getuige veelal ontlenen aan zijn (fysieke of virtuele) tegenwoordigheid bij het strafrechtelijk relevante voorval.
Het vereiste dat een verklaring dient te zijn gebaseerd op de eigen waarneming en ondervinding is overigens niet alleen terug te vinden in de titel omtrent het bewijs. Het is ook opgenomen in de regeling omtrent het getuigenverhoor op het onderzoek ter terechtzitting. Zo schrijft artikel 291 Sv voor dat ‘de getuige bij zijn verklaring zo veel mogelijk moet opgeven wat hij heeft waargenomen en ondervonden en wat zijn redenen van wetenschap zijn’. Niet alleen kunnen mededelingen van getuigen alleen voor het bewijs worden gebruikt als zij berusten op eigen waarneming of ondervinding, van de getuige wordt – blijkens de formulering van artikel 291 Sv – verwacht dat hij zich hiertoe in zijn verklaring beperkt en dat hij aangeeft waaraan hij zijn wetenschap ontleent. Hierbij kan worden gedacht aan de omstandigheden die de getuige in staat hebben gesteld tot het doen van een bepaalde waarneming of ondervinding, opdat de rechter kan beoordelen of de getuige hetgeen hij zegt te hebben waargenomen ook heeft kunnen waarnemen.3 Dat het gaat om een inspannings- en niet om een resultaatsverplichting van de zijde van de getuige, blijkt uit de toevoeging ‘zo veel mogelijk’. Hoewel de in artikel 291 Sv neergelegde norm zich qua formulering duidelijk richt tot de getuige, wordt in de literatuur ook wel betoogd dat dit artikel (vooral) moet worden opgevat als een opdracht aan de rechter.4 Die opdracht houdt in dat hij nagaat of de beweringen gedaan door een getuige op de terechtzitting ook daadwerkelijk op eigen waarneming of ondervinding berusten en geschikt zijn om als bewijsmiddel te dienen.
Zoals in het achtste hoofdstuk reeds aan de orde kwam, is het object van waarneming onbepaald. Dat betekent dat de wet geen beperkingen oplegt ten aanzien van de feiten of omstandigheden waarop de getuigenverklaring betrekking moet hebben. Hoewel de tekst van artikel 342 lid 1 Sv anders suggereert, wordt de in dit artikel neergelegde of ingelezen eis dat de verklaring moet zien op de eigen waarneming en ondervinding in de jurisprudentie niet meer zo strikt opgevat. Het is staande jurisprudentie dat onder een verklaring van een getuige als bedoeld in dit artikel ook kan worden begrepen datgene wat de getuige van een ander heeft gehoord.5 Echter, die ander moet zich dan wel op zijn eigen waarneming of ondervinding baseren. In die zin is de eis dat de verklaring moet zien op feiten en omstandigheden berustende op waarneming of ondervinding nog altijd van kracht.
Uit de eis dat het moet gaan om feiten en omstandigheden waarvan de kenbron is gelegen in de eigen waarneming of ondervinding, wordt afgeleid dat verklaringen die een speculatief karakter hebben – zoals gissingen, vermoedens of veronderstellingen – niet bruikbaar zijn als bewijsmiddel. Het moet gaan om zogenaamde ‘blote feiten’. Waarneming en argumentatie worden daarmee als kenbron zo veel mogelijk van elkaar gescheiden. In de jurisprudentie zijn talloze uitspraken te vinden waarin verklaringen van getuigen niet toelaatbaar werden geacht, omdat zij de waarneming (of ondervinding) te buiten gaan.6 De vraag is wanneer een bewering als een gissing, vermoeden of veronderstelling moet worden aangemerkt. Het enkele feit dat een getuige zich voorzichtig uitdrukt – in termen van: ik dacht, ik meende, ik kreeg de indruk – is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een ontoelaatbare gissing, vermoeden of veronderstelling. De Hoge Raad pleegt de gebezigde woorden te herinterpreteren en kijkt of de getuige het verklaarde uit eigen waarneming kón weten.7 De Hoge Raad oordeelde in een recente zaak dat het hof de woorden ‘volgens mij’ in de verklaring ‘volgens mij gaf hij haar een klap’ terecht had begrepen als een voorbehoud van de getuige dat aan de toelaatbaarheid van de verklaring geen afbreuk hoefde te doen. De verklaring van de getuige kon volgens de Hoge Raad immers zo worden opgevat dat de getuige met de woorden ‘volgens mij’ tot uitdrukking bracht ‘zich bewust te zijn van de feilbaarheid van zijn waarneming en van zijn geheugen’.8
In het verlengde van het voorgaande geldt dat de rechter geen gebruik mag maken van conclusies die de deskundigheid van de getuige te boven gaan. Bij de vaststelling of sprake is van een ongeoorloofde conclusie wordt uitdrukkelijk ook gekeken naar de persoon van de getuige. ‘De mate waarin iemand feiten en omstandigheden zelf kan waarnemen en ondervinden [is] afhankelijk van de omvang van zijn ervaring en van zijn op aanleg en ervaring berustend onderscheidings- en combinatievermogen’, aldus de Hoge Raad.9 Zo wordt bijvoorbeeld aangenomen dat politieambtenaren betere waarnemers zijn dan gewone burgers.10 Er zijn wel grenzen aan de conclusies die op basis van de eigen specifieke deskundigheid mogen worden getrokken. Getuigen mogen zich – net als deskundigen – in beginsel niet uitlaten over zaken die aan het oordeel van de rechter zijn voorbehouden. Doen zij dit toch dan mag de betreffende uitlating niet voor het bewijs worden gebruikt.11 Dit wordt ook wel aangeduid als de Nederlandse tegenhanger van de Anglo-Amerikaanse ultimate issue-regel.12
Indien de rechter tot een oordeel komt dat sprake is van gissing, een ongeoorloofde conclusie of anderszins, dan is de afgelegde verklaring op dit punt niet bruikbaar voor het bewijs. De ratio achter de uitsluiting van dit type verklaringen is gelegen in de mogelijke onbetrouwbaarheid ervan. Op grond van hun onzekere karakter worden de desbetreffende verklaringen op voorhand ontoelaatbaar geacht. Als een bewering eenmaal is aangemerkt als een ongeoorloofde uitlating dan is een nadere inhoudelijke toets niet meer noodzakelijk. De Hoge Raad verbindt daaraan namelijk de consequentie dat de verklaring niet meer als bewijsmiddel in de zin van artikel 342 lid 1 Sv kan worden gebruikt.13