Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/6.2.4
6.2.4 De kinderhandelaar en kinderuitbater
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS388633:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook § 3.4.6.
Fiege 1993, p. 1.
De Hullu 2014, p. 114.
Getuige bijvoorbeeld de volgende verdragen: International Convention for the Suppression of the Traffic in Women and Children 1921, Convention on the Rights of the Child 1989, UN Protocol to Prevent, Suppress, and Punish Trafficking in Person especially Women and Children 2000.
Kinderen boven de 12 jaar kunnen zich in Nederland zelfs inschrijven in het donorregister. Let wel: het gaat hier om orgaandonatie na het overlijden van het kind. Zie www.donorregister.nl. Het verlies van organen staat niet gelijk aan een setback of interests omdat bij vrijwillige afdracht geen belang of welzijnsrecht wordt geschonden.
Artikel 273f lid 1 onderdeel 2 Sr richt zich tot de kinderhandelaar en stelt een verbod op het werven van minderjarigen met het oogmerk van uitbuiting of orgaanverwijdering. Onderdeel 5 richt zich tot de kinderuitbater. Het stelt strafbaar de dader die een minderjarige ertoe brengt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling of zijn organen tegen betaling ter beschikking te stellen dan wel enige handeling onderneemt waarvan hij weet (opzet) of redelijkerwijs moet vermoeden (culpa) dat de minderjarige zich hiertoe beschikbaar stelt. Sub 5 is enkel gefocust op seksuele dienstverlening en orgaandonatie. De wetgever kwalificeert alleen deze vorm van uitbating als ‘uitbuiting’. Dat heeft te maken met het feit dat seksuele dienstverlening en orgaandonatie een inbreuk op de lichamelijk integriteit met zich kunnen brengen, terwijl dat bij het verlenen van overige arbeid of diensten niet het geval hoeft te zijn. Voor deze vormen van dienstverlening kan worden teruggevallen op onderdeel 4°, waarbij een beïnvloedingsmiddel dient te zijn ingezet.1 Ten aanzien van beide bepalingen ontbreekt de eis van het gebruik van beïnvloedingsmiddelen.
De kinderhandelaar werft een kind met het oogmerk van uitbuiting. De kinderuitbater brengt een kind tot seksuele dienstverlening en orgaandonatie tegen betaling. In de paragrafen 6.2.1 en 6.2.2, ten aanzien van de handelaar in en exploitant van volwassen slachtoffers, is onderscheid gemaakt tussen gedwongen uitbuiting en uitbuiting waarbij enkel sprake was van oneerlijk economisch gewin. Alleen (het oogmerk op) de gedwongen uitbuiting vormde een inbreuk op de negatieve vrijheid en bracht schade met zich. Bij kindslachtoffers is een dergelijk onderscheid niet goed te maken. In hoofdstuk 2 is reeds geconcludeerd dat iemand die doelbewust een uitbuitend voorstel doet aan een kind en/of vervolgens daadwerkelijk uitbuit, schade aanricht bij het betreffende kind. Weliswaar wordt bij het uitbuitende voorstel geen druk uitgeoefend op het kind om iets te doen of niet te doen. De slachtoffers hebben, net zoals bij misleiding het geval is, de mogelijkheid anders te handelen. Maar verondersteld wordt dat de kindslachtoffers die mogelijkheid niet beseffen. Daardoor wordt in wezen, ook weer net zoals bij misleiding, de nega-tieve vrijheid gemanipuleerd en ingeperkt. De kinderen handelen naar de wil van de uitbuiter. Minderjarigen zijn in beginsel handelingsonbekwaam. De wettelijk vertegenwoordiger heeft het gezag met als doel de minderjarige op te voeden en te verzorgen. De handelingsonbekwaamheid dient ter bescherming van de minderjarige tegen zichzelf en tegen derden.2 De gedachtegang hierachter is dat pas vanaf een zekere rijpheid verantwoordelijkheid kan worden genomen.3 Het vereist ontwikkeling en ervaring om de gevolgen van bepaald handelen te kunnen overzien. Deze algemene veronderstelling rechtvaardigt het idee dat kinderen minder goed bij machte zijn een weloverwogen keuze te maken omtrent uitbuiting in het algemeen en het werken in de seksindustrie of het afstaan van organen in het bijzonder. En dat terwijl zowel bij seksverlenerswerk als orgaandonatie mogelijk de lichamelijke integriteit in het geding is. Het verbod op de kinderhandelaar die handelt met een oogmerk van uitbuiting (sub 2) is dan ook verenigbaar met het schadebeginsel. Of het nu om dwang of oneerlijk economisch gewin gaat, beide betreffen vormen van harmful exploitation en behelzen schade.
De vraag rijst vervolgens of de uitbating van kinderen (sub 5) verenigbaar is met het schadebeginsel. Is er sprake van schade bij kinderen in de betaalde seksindustrie of de orgaanhandel? Wat betreft het werken in de seksindustrie kan dit zeker worden betoogd. Op internationaal en nationaal niveau wordt het als verwerpelijk ervaren om kinderen in te zetten in de betaalde seksindustrie.4 Kinderen moeten zich optimaal kunnen ontwikkelen en dienen te worden beschermd tegen gedragingen die een belemmering zouden kunnen vormen op deze ontwikkeling. De uitbater van kinderen in de seksindustrie veroorzaakt aldus schade.
Wat betreft orgaandonatie kan minder hard worden betoogd dat dit in het nadeel van minderjarigen zou zijn, gesteld dat het donatie van niet noodzakelijke organen betreft.5 Onder de huidige bepaling in sub 5 is de ouder strafbaar die aan zijn kind vraagt zijn doodzieke broer te redden door een nier af te staan en daarbij een vakantie in het vooruitzicht te stellen (‘tegen betaling’). Is er sprake van een setback of interests bij deze minderjarige?
Waarschijnlijk geeft hij de voorkeur aan het redden van het leven van zijn broertje en is hij daarmee beter af dan hij zou zijn met een nier minder en een dood broertje. De bepaling is weliswaar afgebakend door als vereiste op te nemen dat de orgaandonatie ‘tegen betaling’ dient te zijn, maar dit maakt de gedraging niet per se schadelijk. Pas als het winstoogmerk centraal komt te staan én het kind wordt misbruikt om aan geld te komen, is sprake van schadelijk gedrag. Maar juist die beïnvloedingsmiddelen zijn geen vereiste voorwaarden in de bepaling.
De huidige strafbaarstelling in sub 5 is wat betreft de uitbating van kinderen in de seksindustrie verenigbaar met het schadebeginsel. Wat betreft de uitbating in de orgaanhandel kan de bepaling op onderdelen op bezwaren stuiten gelet op het schadebeginsel.