De grondwetsherzieningsprocedure
Einde inhoudsopgave
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/I.3.11.2:I.3.11.2 De praktijk van het splitsingsrecht
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/I.3.11.2
I.3.11.2 De praktijk van het splitsingsrecht
Documentgegevens:
T. van Gennip, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
T. van Gennip
- JCDI
JCDI:ADS284942:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 27 maart 1986, Stb. 1986,
Kamerstukken II 1985/86, 19017 (R 1285), nr . 8.
Handelingen II 1985/86, 51, p. 3423.
Kamerstukken II 1986/87, 19554 (R1308), nr. 8.
Handelingen II 1986/87, 74, p. 3788.
Handelingen II 2005/05, nr. 96, p. 5931.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Sinds 1983 maakt het splitsingsrecht deel uit van de grondwetsherzieningsprocedure. De vraag is hier hoe vaak en op welke wijze is gebruik gemaakt van het splitsingsrecht? Is het splitsingsrecht veeleer het technische middel gebleken zoals bedoeld is door de grondwetgever van 1983? Over het antwoord op deze vragen kan ik kort zijn. Een daadwerkelijke splitsing van een herzieningsvoorstel heeft nooit plaatsgevonden. Wel zijn er twee pogingen ondernomen om een voorstel te splitsen. Deze twee pogingen zal ik hieronder bespreken.
De herzieningsprocedure inzake de bepalingen over de verdediging biedt het enige voorbeeld van een daadwerkelijke stemming over een voorstel tot splitsing. Het regeringsvoorstel beoogde om bepalingen over de samenstelling van de krijgsmacht en de dienstplicht te vervangen in één comprimerende bepaling.
Het voorstel had de eerste lezing doorstaan,1 ofschoon de PvdA-fractie tegen stemde. In de eerste lezing had de PvdA-fractie bij monde van Klaas de Vries een amendement2 ingediend om de zeggenschap van de Nederlandse regering over het verblijf van vreemde troepen in Nederland te behouden. De Tweede Kamer had het amendement-De Vries verworpen.3 De PvdA stemde vervolgens tegen het voorstel in eerste lezing.
In de tweede lezing deed een aantal leden van de VVD-fractie een voorstel tot splitsing op grond van artikel 137 lid 5 Gw. De indieners van het splitsingsvoorstel beoogden daarmee te voorkomen dat het gehele voorstel zou sneuvelen, omdat een deel van de Kamer bezwaren had tegen een bepaald onderdeel.4 Door de splitsing zou de wijziging van artikel 100 Grondwet een apart voorstel inhouden en waarschijnlijk apart worden verworpen (vanwege de tegenstemmen vanuit de PvdA-fractie). Het overige deel zou dan verdere doorgang kunnen vinden. Het Tweede Kamerlid De Kwaadsteniet (CDA) betoogde tijdens de behandeling dat het splitsingsrecht met terughoudendheid moest worden gehanteerd en dat het geen zakelijk politiek doel had te dienen.5 Op 12 mei 1987 verwierp de Tweede Kamer het splitsingsvoorstel. De CDA-fractie stemde met hun 52 leden tegen het splitsingsvoorstel (daarmee was een gekwalificeerde meerderheid voor splitsing onhaalbaar); de PvdA-fractie stemde uiteraard voor splitsing. Echter, het gehele voorstel kwam door de afwijzing van het splitsingsvoorstel in stemming. Destijds stemde de PvdA-fractie op haar beurt weer tegen. De Tweede Kamer verwierp daarom het voorstel.
Het tweede voorbeeld betreft een voorstel strekkende tot het opnemen van de rechtstreekse verkiezing van de burgemeester.6 Het voorstel viel uiteen in twee componenten. Ten eerste beoogde de regering met het voorstel de kroonbenoeming van de burgemeester te deconstitutionaliseren. Ten tweede stond de grondwettelijke verankering van de rechtstreeks gekozen burgemeester in het voorstel. De indiening van het voorstel in januari 2006 volgde enige maanden na ‘de nacht van Van Thijn’ waarbij de Eerste Kamer de deconstitutionalisering van de kroonbenoeming van de burgemeester in tweede lezing afwees. Op basis van het zogenoemde ‘Paasakkoord’ besloot het kabinet-Balkenende II deze plannen nieuw leven in te blazen. Op 27 juni 2006 deden de oppositieleden Dubbelboer (PvdA), Irrgang (SP) en Özütok (GL) een voorstel tot splitsing van de twee bovengenoemde componenten. In de toelichting op hun voorstel schreven zij het volgende:
“In het wetsvoorstel van de regering staan twee onderwerpen, namelijk de deconstitutionalisering van de benoeming van de burgemeester en het regelen van de rechtstreekse verkiezing van de burgemeester in de Grondwet. De indiener beoogt deze twee onderwerpen gescheiden in stemming te brengen. Op deze manier wordt er recht gedaan aan de werkelijke verhouding in de Tweede Kamer ten aanzien van beide onderdelen.”7
De behandeling in de Tweede Kamer van het voorstel vond plaats op 28 juni 2006. Kamerlid Van der Staaij bekritiseerde het splitsingsvoorstel, omdat hij het voorstel als ondeelbaar zag. Van der Staaij stelde eveneens dat er oneigenlijk gebruik werd gemaakt van de bevoegdheid tot splitsing. Splitsing maakte het volgens Van der Staaij mogelijk om op twee paarden te kunnen wedden.8
De plenaire behandeling van het voorstel vond overigens plaats in een tumultueuze tijd, want twee dagen later bood minister-president Balkenende het ontslag aan van zijn kabinet. De D66-fractie vond dat minister Verdonk niet goed had opgetreden tijdens de kwestie over Ayaan Hirsi Ali en besloot zich terug te trekken uit de coalitie nadat het kabinet achter Verdonk bleef staan. Nu D66 uit de coalitie stapte was er geen meerderheid meer in de Tweede Kamer. De andere partijen zagen geen noodzaak meer in het voorstel. Aan een verdere beraadslaging en stemming over het splitsen van het voorstel kwam de Tweede Kamer niet meer toe. Na de verkiezingen in 2006, waarbij D66 werd gehalveerd, volgde er in februari 2007 een coalitieakkoord tussen het CDA, PvdA en CU. Deze partijen wilden niets meer weten van deconstitutionalisering van de kroonbenoeming van de burgemeester. Dit resulteerde tot de intrekking van het voorstel op 8 mei 2007 door de regering.9