Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.3.7.4.2
7.3.7.4.2 Procesbeschrijving: te onderscheiden stappen
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940325:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook paragraaf 7.3.8.3.2. De nuance ‘begin’ van bewijs ontbreekt in de meeste literatuur. Zie echter Pechler 2009, p. 145 en het voorbeeld dat Langereis & De Roos 2010, p. 218 geven. Vgl. voorts HR 16 mei 2008, V-N 2008/23.21.
HR 21 december 1927, B. 4178, HR 9 december 1931, B. 5103, Hof ’s-Gravenhage 22 januari 2013, V-N 2013/25.25, Hof ’s-Hertogenbosch 21 juli 2016, V-N 2017/9.7, r.o. 4.24. Aldus ook: Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij Hof Arnhem-Leeuwarden 4 april 2018, V-N 2018/34.21.
Hof ’s-Hertogenbosch 10 februari 2017, V-N 2017/24.6, r.o. 4.12.
Dat voordeel lag eerst bij de wederpartij, op wie de primaire bewijslast en dus het bewijsrisico immers niet rust.
Vgl. Scheltens (losbl.), p. 639, die deze gang van zaken kenmerkt als voortvloeiend ‘uit de normale processuele regelen’. Zie ook Pechler 2009, p. 145-146 en (algemeen-bestuursrechtelijk) Schuurmans 2005, par. 4.3.3 en p. 294-295 (die een beurtelingse bewijslevering onderkent).
Zie het reeds in paragraaf 7.3.4.3 behandelde arrest HR 24 april 2009, BNB 2009/159, V-N 2009/21.27, r.o. 3.2.5.
Zie paragraaf 7.3.4.1.2. Zie voor enkele voorbeelden Rb Den Haag 22 juni 2023, V-N 2023/39.9, r.o. 28-31, Hof ’s-Hertogenbosch 21 juni 2019, V-N 2019/52.17, r.o. 4.6, Rb Gelderland 7 december 2018, V-N 2019/14.21, HR 23 december 2016, V-N 2017/2.14, r.o. 2.5.2 en 2.6, Hof Den Haag 14 september 2016, V-N 2017/3.18, en de KBLux-uitspraken van Rb Den Haag 21 januari 2014, kenbaar uit V-N 2015/25.1.2.
HR 29 november 1922, B. 3155, HR 17 maart 1993, BNB 1993/165.
Vgl. in dit verband HR 28 juni 2013, V-N 2013/32.7, BNB 2013/207, r.o. 3.5.3. Zie over het onderscheid tussen tegenbewijs en tegendeelbewijs (verwijzend naar de civielrechtelijke literatuur) Schuurmans 2005, p. 24 en par. 4.3.3. Ook wordt wel onderscheid gemaakt tussen een betwisting enerzijds en een ‘bevrijdend verweer’ anderzijds, zie voor een voorbeeld Rb Zeeland-West-Brabant 24 maart 2022, V-N Vandaag 2022/897, r.o. 4.15.
Zie (in de sfeer van de WVA) HR 22 september 2017, V-N 2017/48.10, r.o. 2.3.1 en HR 22 september 2017, V-N 2017/48.11, r.o. 2.3.7.
Zie voor een interessant voorbeeld: Hof ’s-Hertogenbosch 12 december 2014, V-N 2015/15.14. Overigens meen ik dat het Hof in deze casus verder is gegaan dan nodig was. De inspecteur voldeed naar mijn mening eenvoudigweg niet aan de op hem rustende tegenbewijslast. Vgl. in dit verband Rb Zeeland-West-Brabant 15 januari 2015, V-N 2015/29.24, r.o. 4.9.2. Zie voorts Hof Arnhem-Leeuwarden 22 november 2022, V-N 2023/13.16, r.o. 4.5.
HR 18 februari 1953, BNB 1953/87. Denkbaar is dat hier thans genuanceerder over moet worden gedacht, gelet op de tweedeling in bewijsgradaties die sinds de invoering van de AWR het uitgangspunt is (zie paragraaf 7.3.8). Een aanwijzing daarvoor is te vinden in Hof ’s-Hertogenbosch 21 juli 2016, V-N 2017/9.7, r.o. 4.8 en Hof ’s-Hertogenbosch 23 maart 2022, V-N 2022/30.15, r.o. 4.3-4. Het Hof lijkt te vereisen dat het tegenbewijs aannemelijk gemaakt moet worden (in laatstgenoemde zaak in navolging van de rechtbank).
Zie bijvoorbeeld Hof Den Haag 17 mei 2016, V-N 2016/39.1.1 (betreffende het jaar 2007). Het cassatieberoep strandde onder verwijzing naar art. 81 Wet RO, HR 14 juli 2017, NTFR 2017/1834.
Zie over de betekenis van de gradaties nader paragraaf 7.3.8.3.
Zie voor een voorbeeld waarin de betrouwbaarheid van een tipgever met succes werd bestreden Rb Gelderland 13 februari 2020, V-N 2020/28.18. Zie ook de zogeheten knoflookbollenzaak (die na een derde cassatieronde uitmondde in HR 6 augustus 2021, V-N 2021/37.13), waarin (onder meer) de betrouwbaarheid van een rapport van een onderzoekslaboratorium ter discussie werd gesteld.
Zie paragraaf 7.3.8.3.2 en omtrent vermoedens nader paragraaf 7.3.5.4.2.
Zie daarover nader paragraaf 7.3.8.3.1.
HR 16 september 1992, BNB 1994/2, r.o. 3.1. Zie ook de Hofuitspraak die leidde tot HR 17 mei 2019, V-N 2019/27.17.7 (art. 81 Wet RO), de Hofuitspraak (r.o. 5.3) die leidde tot HR 5 februari 2021, V-N 2021/9.7 (art. 81 Wet RO) en de Hofuitspraak die leidde tot HR 13 oktober 2023, V-N 2023/47.18, r.o. 3.3-3.4.
Zijn beide lezingen even geloofwaardig, dan is geen van beide de meest waarschijnlijke, waardoor geen van beide aannemelijk is. Het bewijsrisico manifesteert zich dan ten laste van degene op wie de primaire bewijslast rust. Vgl. Rb Den Haag 22 juni 2023, V-N 2023/39.9, r.o. 28-31.
HR 9 juli 2021, V-N 2021/30.21, BNB 2021/138, HR 10 augustus 2001, V-N 2001/44.4, BNB 2002/221. Denkbaar is ook dat een eerder genomen informatiebeschikking is vernietigd, zie HR 13 oktober 2023, V-N 2023/47.17. Zie over de informatiebeschikking bij administratieplicht nader paragraaf 7.4.4.3.
Dit is een invulling van de tweede subregel van bewijslastverdeling, zie paragraaf 7.3.4.3.
Zie HR 13 oktober 2023, V-N 2023/47.17, r.o. 3.2.1. Het is mogelijk dat de inspecteur daarmee – dus volgens de reguliere regels van bewijslast – bewijst dat er grond is voor de omkering van de bewijslast wegens het niet doen van de vereiste aangifte (waarover nader in paragraaf 7.4.5.2), zie r.o. 3.2.2.
HR 9 juli 2021, V-N 2021/30.21, BNB 2021/138, r.o. 3.2.2.
HR 6 april 2018, V-N 2018/21.10, BNB 2018/115, r.o. 2.4, HR 1 april 2005, BNB 2005/315. Zie Niessen-Cobben 1995, p. 167 voor de achtergrond van deze regel (de begrenzing van de fiscale rechtsstrijd c.q. het fiscale geschil), alsmede paragraaf 7.3.10.3.2. Zie voorts Meyjes/Van Soest, Van de Berge & Van Gelderen 1997, p. 104, en voor enkele recente voorbeelden: Hof ’s-Gravenhage 24 juli 2013, V-N 2013/55.5 en Hof Amsterdam 9 juni 2016, V-N 2016/47.9, r.o. 4.3.3.7.
HR 9 november 1927, B. 4148.
HR 31 mei 1978, BNB 1978/178. Zie voorts paragraaf 7.3.10.3.2 en 7.3.7.3. Op deze regel heeft de Hoge Raad een belangrijke uitzondering gemaakt voor ontvankelijkheidsvraagstukken, zie HR 13 mei 2011, BNB 2011/218.
HR 6 april 2018, V-N 2018/21.10, BNB 2018/115, r.o. 2.4, HR 1 april 2005, BNB 2005/315. Zie verder paragraaf 7.3.10.3.2 over de te respecteren grenzen van de rechtsstrijd en de ambtshalve aanvulling van de feiten.
Vgl. Schuurmans 2005, p. 23. Voor een fraai en goed gemotiveerd voorbeeld met duidelijke verwijzingen naar de bewijsmiddelen, zie Hof Arnhem 3 mei 2011, V-N 2011/36.23.9. De stappen uit het proces van bewijslevering zijn hier duidelijk in te herkennen.
HR 23 april 2004, BNB 2004/392, r.o. 3.5. Zie omtrent het bewijsrisico nader paragraaf 7.3.4.1.2.
Happé e.a. 2010, p. 403.
Door een bepaalde stelling te poneren, wordt die stelling het uitgangspunt voor de bewijslevering. De stelplicht moet enigszins worden ingevuld: er moet op zijn minst een begin van bewijs worden aangedragen.1 Een blote bewering of veronderstelling, waarvoor geen feiten als ondersteuning worden aangevoerd, kan de rechter namelijk negeren.2 In dergelijke gevallen volstaat de enkele betwisting door de wederpartij om de stelling van tafel te krijgen.3
De partij op wie de primaire bewijslast rust en die voor zijn stelling ook een begin van bewijs aandraagt, verkrijgt daardoor als het ware het voordeel van de twijfel.4 De bal komt dan namelijk bij de wederpartij te liggen.5 Een begin van bewijs is dus de openingszet op het schaakbord: het activeert als het ware de daadwerkelijke bewijslast, in die zin dat bij betwisting de partij op wie de bewijslast rust, ook daadwerkelijk zal moeten overgaan tot het leveren van bewijs naar de vereiste gradatie.6 Slaagt die partij daarin niet, dan blijft de situatie zoals hij was: de stelling is dan niet bewezen en de rechtsgevolgen van die stelling treden niet in. Aldus manifesteert zich het bewijsrisico.7 Slaagt die partij daar wel in, dan geldt de stelling in beginsel als bewezen. De wederpartij moet vervolgens steeds de gelegenheid krijgen om de stelling van de partij op wie de primaire bewijslast rust – gemotiveerd – te weerspreken.8 Dat kan in de gedaante van:9
een bestrijding van (het behalen van) de bewijsgradatie (tegenbewijs), hetgeen op twee manieren mogelijk is:
Een zuivere bestrijding van de geloofwaardigheid. Gesteld wordt dat het vereiste niveau niet is gehaald c.q. dat de stelling te onwaarschijnlijk is om aan de betreffende gradatie te voldoen; of
Het zaaien van twijfel door (enig) bewijs van een alternatieve gang van zaken aan te dragen;
dan wel van
de introductie van een stelling die met de door de wederpartij bewezen stelling strijdig is (bewijs van het tegendeel). Door het positieve bewijs van deze eigen stelling te leveren, kan de eerder bewezen stelling niet overeind blijven.
Het onderscheid tussen beide vormen is gelegen in het bewijsobject: bij het leveren van tegenbewijs richt de wederpartij zich op het door de andere partij geleverde positieve bewijs, terwijl die wederpartij bij bewijs van het tegendeel zelfstandig positief bewijs levert (van een alternatieve gang van zaken).10
Bij tegenbewijs wordt aldus het (begin van) bewijs zoals dat geleverd is, bestreden. Dat zal de wederpartij gemotiveerd moeten doen; de enkele ontkenning van de stelling van de oorspronkelijke partij is onvoldoende.11 De gronden waarop de tegenspraak berust, moeten worden uiteengezet; het aannemelijk maken van die gronden is (vermoedelijk) echter niet nodig.12 Dat is ook logisch, aangezien de wederpartij in feite de geloofwaardigheid van het aangedragen (begin van) bewijs aanvalt.13 Het voor de geldende bewijsgradatie vereiste niveau van geloofwaardigheid kan daarom onderuit worden gehaald door stellingen die zelf niet aan die gradatie voldoen.14 Het kan daarbij gaan om ‘zuivere’ geloofwaardigheidsverweren (bedoeld onder a)), die bijvoorbeeld de betrouwbaarheid van de gebruikte bewijsmiddelen ter discussie stellen.15 Ook kan het gaan om het aandragen van feiten en omstandigheden die wijzen op een ander scenario (bedoeld onder b)). In feite gaat het dan om bewijs van het tegendeel, dat echter minder sterk is dan het reeds geleverde primaire bewijs, maar zoveel twijfel kan zaaien dat de in eerste instantie gehaalde bewijsgradatie toch geen standhoudt. Vermoedens kunnen (als zodanig) worden bestreden door redelijke twijfel te zaaien over de juistheid van het vermoeden.16
Het ‘echte’, volwaardige bewijs van het tegendeel zal wat sterkte betreft wél (op zijn minst) gelijk moeten zijn aan de voor het primaire bewijs vereiste bewijsgradatie, althans wanneer voor dat primaire bewijs de gradatie aannemelijk maken geldt en ook is gehaald. Onder aannemelijk maken wordt verstaan dat de betreffende lezing van de relevante feiten de ‘meest voor de hand liggende’ of ‘de meest waarschijnlijke’ is.17 Om het tegendeel te bewijzen, moet het tegenbewijs dan op zijn minst evenzeer aannemelijk worden gemaakt, anders kan het niet de meest waarschijnlijke lezing van de feiten zijn.18 Door bewijs te leveren van het tegendeel, dat geloofwaardiger is dan het bewijs dat oorspronkelijk was aangedragen ter staving van de primaire stellingen, kunnen die stellingen niet overeind blijven omdat ze elkaar tegenspreken.19
Dit proces van bewijsvoering kan worden geïllustreerd aan de hand van de bewijsregels die de Hoge Raad heeft gegeven voor gevallen waarin de administratie weliswaar ernstige tekortkomingen bevat, maar geen informatiebeschikking is genomen vanwege de schending van de administratieplicht.20 De primaire bewijslast van de (hogere) winst of omzet rust op de inspecteur. Als hij aannemelijk maakt dat de administratie niet kan dienen als grondslag voor de winst- of omzetberekening, kan hij ter bepaling van de omvang van de winst of de omzet in eerste instantie volstaan met een ‘gemotiveerde schatting’.21 Met die gemotiveerde schatting vult de inspecteur dus zijn primaire bewijspositie in: hij maakt de volgens hem behaalde winst of omzet daarmee aannemelijk.22 De belastingplichtige kan vervolgens tegenbewijs leveren door de gestelde gebreken in de administratie te bestrijden of door de gemotiveerde schatting in twijfel te trekken. Dat tegenbewijs hoeft zelf niet ‘aannemelijk’ te zijn om te slagen, maar moet voldoende sterk zijn om het bewijs van de inspecteur onder de drempel van de aannemelijkheid te krijgen. De belastingplichtige kan ook bewijs van het tegendeel leveren. Daarvoor moet de belastingplichtige bewijzen dat en waarom zijn winst of omzet lager is dan door de inspecteur is berekend. Dat moet de belastingplichtige dan (wél) aannemelijk maken.23
Als de wederpartij het bewijs van de partij op wie de primaire bewijslast rust niet bestrijdt, geheel ongemotiveerd betwist of erin faalt om tegen(deel)bewijs te leveren, dan blijft het uitgangspunt (de stelling van de partij op wie de primaire bewijslast rust) als niet of onvoldoende weersproken staan, en geldt het in fiscale zin als vaststaand.24 Ook wanneer de wederpartij de gestelde feiten en omstandigheden ronduit erkent, gelden deze als vaststaand.25 De rechter is verplicht om van dergelijke vaststaande feiten uit te gaan bij het nemen van zijn beslissing: doet hij dat niet, dan treedt hij buiten de grenzen van het geschil.26 Een bewijsoordeel zal slechts volgen over de feiten die aldus ‘in geschil’ zijn.27
Als de wederpartij er wél in slaagt om het geleverde (begin van) bewijs voldoende te bestrijden of voldoende tegenbewijs te leveren, ontstaat er voldoende onzekerheid over het oorspronkelijke uitgangspunt en komt de bal – overeenkomstig het vertrekpunt – weer bij de partij op wie de primaire bewijslast rust te liggen.28 Die partij draagt immers het bewijsrisico.29 Wordt er ten aanzien van de juistheid van een vermoeden voldoende twijfel gezaaid, dan ‘herleeft de bewijslast van de partij ten gunste van wie het vermoeden was aangenomen’.30
De oorspronkelijke partij, op wie de primaire bewijslast rust, heeft vervolgens twee mogelijkheden. Hij kan proberen terug te keren naar zijn uitgangspositie, waarin hij het (begin van) bewijs had geleverd van zijn stelling, door de geslaagde bestrijding door de wederpartij onschadelijk te maken. De andere mogelijkheid is om het oorspronkelijke bewijs te laten voor wat het is, en te komen met nieuw, ander bewijs voor dezelfde stelling. Het aantal mogelijke stappen is in theorie oneindig groot. Steeds weer kunnen partijen elkaars bewijsvoering proberen onderuit te halen.