Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/5.2.5.4
5.2.5.4 Gezondheid of welzijn getuige laat ondervraging niet toe
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Door het EHRM gepubliceerde Engelse vertaling van het Franstalige arrest EHRM 4 mei 2000, appl.no. 46253/99 (dec.) (Ubach Mortes/Andorra). Uit het arrest blijkt niet welke gezondheidsproblemen de getuige had.
EHRM 19 februari 2013, appl.no. 61800/08 (Gani/Spanje), § 45 (posttraumatisch stresssyndroom); ECRM 2 juli 1997, appl.no. 28867/95 (M.K./Oostenrijk). Vgl. ook EHRM 24 januari 2008, appl.no. 14755/03 (Ž./Letland), § 96.
EHRM 16 februari 2010, appl.no. 7078/02 (V.D./Roemenië), § 112.
EHRM 16 oktober 2012, appl.no. 44324/11 (dec.) (Lawless/Verenigd Koninkrijk), § 26; EHRM 2 oktober 2012, appl.no. 7259/03 (Mitkus/Letland), § 102. Vgl. EHRM 19 februari 2013, appl.no. 61800/08 (Gani/Spanje), § 45.
Zie bijvoorbeeld EHRM 27 maart 2014, appl.no. 58428/10 (Matytsina/Rusland), § 163, EHRM 16 februari 2010, appl.no. 7078/02 (V.D./Roemenië), § 112 en EHRM 9 juli 2013, appl.no. 29752/05 (Bobes¸/Roemenië), § 39. Mogelijk zal niet in alle gevallen een medische verklaring noodzakelijk zijn. In de hierna genoemde zaak Pacula baseerde de rechter zich op de verklaring van een politieambtenaar. In die zaak werd het ontbreken van een goede reden gebaseerd op het nalaten van een onderzoek naar alternatieve verhoormogelijkheden. Uit deze uitspraak kan daarom niet worden afgeleid of de vaststelling van de gezondheidstoestand van de getuige door de politieambtenaar voldoende was.
EHRM 18 december 2014, appl.no. 27304/07 (Efendyev/Azerbeidzjan), § 45.
EHRM 27 januari 2009, appl.no. 23220/04 (A.L./Finland), § 43.
EHRM 24 april 2008, appl.no. 17988/02 (Zhoglo/Oekraïne), § 14-16, 19 en 41. Hierbij benadrukte het EHRM overigens dat de getuige van beslissende betekenis was voor het bewijs van het ten laste gelegde feit en dat dit een zeer ernstig feit was.
EHRM 15 september 2009, appl.no. 65014/01 (Pacula/Letland), § 6-7, 19, 25 en 55-56. Zie ook EHRM 9 juli 2013, appl.no. 29752/05 (Bobes¸/Roemenië), § 40.
EHRM 26 maart 1996, appl.no. 20524/92 (Doorson/Nederland), § 70. Zie over de belangenafweging bij kwetsbare getuigen Keane 2012.
Zie hierover ook Kool 1996, Kool 1999, p. 355-360 en Hoyano 2001.
Myjer 1996a, p. 441 spreekt van ‘emotioneel bedreigde getuigen’.
EHRM 2 juli 2002, appl.no. 34209/96 (S.N./Zweden), § 47. Zie ook EHRM 2 april 2013, appl.no. 25307/10 (dec.) (D.T./Nederland), § 47 en EHRM 10 januari 2012, appl.no. 315/09 (dec.) (A.G./Zweden), p. 12. De basis voor deze formulering is te vinden in ECRM 20 oktober 1994, appl.no. 16696/90 (Baegen/Nederland), § 77. Vgl. ook Guideline 12 van de Guidelines on Justice in Matters involving Child Victims and Witnesses of Crime en het EU-Kaderbesluit van 15 maart 2001 inzake de status van het slachtoffer in de strafrechtelijke procedure (2001/220/JBZ) en het daarop gebaseerde arrest HvJ EG 16 juni 2005, zaak C-105/03 (Pupino). Zie ook Nijboer 2000.
EHRM 19 februari 2013, appl.no. 61800/08 (Gani/Spanje), § 47.
Rassin & Van Koppen 2010.
EHRM 20 december 2001, appl.no. 33900/96 (P.S./Duitsland), § 28; EHRM 10 november 2005, appl.no. 54789/00 (Bocos-Cuesta/Nederland), § 72; EHRM 10 mei 2007, appl.no. 46602/99 (A.H./Finland), § 44.
EHRM 2 april 2013, appl.no. 25307/10 (dec.) (D.T./Nederland), § 48. Overigens werd in EHRM 7 juli 2009, appl.no. 30542/04 (D./Finland), § 48 een nieuwe ondervraging nutteloos geacht vanwege het feit dat het slachtoffer was gestart met een therapie. De redenering was waarschijnlijk dat het vierjarige slachtoffer niet in staat zou zijn om de tijdens de therapie aan de orde gekomen zaken te onderscheiden van de werkelijk beleefde gebeurtenissen.
EHRM 19 juni 2007, appl.no. 21508/02 (W.S./Polen), § 8, 59 en 61.
In de zaak W. lijkt het standpunt van de ouders van grote invloed te zijn geweest op het achterwege blijven van een ondervragingsgelegenheid. Zie EHRM 24 april 2007, appl.no. 14151/02 (W./Finland), § 9. Dat was ook het geval in EHRM 20 december 2001, appl.no. 33900/96 (P.S./Duitsland), § 29.
EHRM 27 maart 2014, appl.no. 58428/10 (Matytsina/Rusland), § 163. Het is niet duidelijk of de verdediging in deze fase van de procedure heeft verzocht om de oproeping van de getuige. Vaststaat wel dat haar naam was vermeld op de lijst van op te roepen getuigen. Overigens had de rechter in juli 2009 geprobeerd bij een psychiatrisch ziekenhuis te achterhalen wat de welzijnstoestand van de getuige op dat moment was. Het ziekenhuis heeft geen uitsluitsel gegeven. Vervolgens nam de rechter, kennelijk op grond van de rapporten uit 2006 en 2007, aan dat het welzijn van de getuige nog steeds in de weg stond aan een ondervraging.
Keane 2012, p. 416.
EHRM 17 juli 2007, appl.no. 22508/02 (F&M/Finland), § 60.
Zie ook de concurring opinion van rechter Thomassen bij EHRM 2 juli 2002, appl.no. 34209/96 (S.N./Zweden).
EHRM 19 juni 2007, appl.no. 21508/02 (W.S./Polen), § 61. Zie ook EHRM 24 april 2012, appl.no. 1413/05 (Sibgatullin/Rusland), § 56, EHRM 12 juli 2007, appl.no. 503/05 (Kovač/ Kroatië), § 30 en EHRM 10 november 2005, appl.no. 54789/00 (Bocos-Cuesta/Nederland), § 71. In EHRM 19 december 2013, appl.no. 26540/08 (Rosin/Estland), § 62 ging het EHRM in het kader van de vraag of voldoende compensatie is geboden in op minder ingrijpende verhooralternatieven. Zie daarover § 2.6 van hoofdstuk 7.
Ook voldoende is dat de verdachte op de hoogte was van de bedreigingen door anderen en deze goedkeurde.
EHRM (GC) 15 december 2011, appl.nos. 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja & Tahery/ Verenigd Koninkrijk), § 123.
EHRM 16 oktober 2012, appl.no. 18743/06 (dec.) (Sellick & Sellick/Verenigd Koninkrijk). Het EHRM liet in deze zaak in het midden waardoor de bedreiging precies was veroorzaakt. Het hoefde daar ook geen beslissing over te nemen, omdat in ieder geval duidelijk was dat de angst bij de getuige op grond van objectieve aanwijzingen kon worden gerechtvaardigd en de betwiste getuigenverklaringen niet van beslissende betekenis waren. De klacht moest dus in ieder geval ongegrond worden verklaard, of dat nu was vanwege afstand van het ondervragingsrecht of op andere gronden.
EHRM (GC) 15 december 2011, appl.nos. 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja & Tahery/ Verenigd Koninkrijk), § 124. Aangezien de overwegingen sterk geënt zijn op de jurisprudentie met betrekking tot anonieme getuigen, bedoelde het EHRM hier vermoedelijk te overwegen dat een reden moet bestaan die in het algemeen de afwijzing van het getuigenverzoek rechtvaardigt en dat daarnaast de angst in het concrete geval aannemelijk moet kunnen worden gemaakt. Vgl. EHRM 14 februari 2002, appl.no. 26668/95 (Visser/ Nederland), § 47-48.
EHRM 16 december 2014, appl.no. 4184/10 (Horncastle e.a./Verenigd Koninkrijk), § 146.
EHRM (GC) 15 december 2011, appl.nos. 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja & Tahery/ Verenigd Koninkrijk), § 125; EHRM 16 december 2014, appl.no. 4184/10 (Horncastle e.a./ Verenigd Koninkrijk), § 148. In EHRM 18 december 2014, appl.no. 14212/10 (Scholer/ Duitsland) was het EHRM van oordeel dat de nationale rechter de alternatieve verhoormogelijkheden voldoende had onderzocht. Inderdaad waren verschillende alternatieven met de (anonieme) getuigen besproken. De getuigen hadden deze echter alle afgewezen. In hun dissenting opinion bij het arrest meenden de rechters Zupančič, Yudkivska en De Gaetano dat de nationale rechter de alternatieven onvoldoende gemotiveerd onbenut had gelaten. Hadden de getuigen bijvoorbeeld niet akoestisch en visueel afgeschermd kunnen worden gehoord of hadden vragen niet via een onderzoeksrechter kunnen worden gesteld? Daarbij achtten zij van belang dat de verdachte de getuigen, die undercoveragenten waren, van gezicht kende en alleen hun werkelijke identiteit niet kende.
Gezondheid getuige laat overvraging niet toe
In sommige gevallen kan ziekte van de getuige als een feitelijke verhindering worden opgevat om de getuige te kunnen ondervragen. In de zaak Ubach Mortes bevond de getuige zich in een ander land en was deze bovendien ziek, hetgeen bleek uit een medische verklaring. Het ehrm oordeelde onder die omstandigheden: ‘impossibilium nulla est obligatio; it is clear that the applicant, in insisting on calling J.M.R., was making a demand which it was materially impossible to satisfy.’1 Uiteraard zal het van de ernst en aard van de ziekte afhangen of het afzien van het verhoren van de getuige erdoor wordt gerechtvaardigd. Niet alleen somatische ziekten, maar ook psychische ziekten mogen worden aangevoerd om getuigenverzoeken af te wijzen.2 Is een getuige niet ziek, maar wel in een slechte fysieke conditie vanwege ouderdom, dan kan dat eveneens een legitieme reden opleveren om een getuigenverzoek af te wijzen.3
De rechter die op grond van ziekte van de getuige een getuigenverzoek geheel wil afwijzen, zal moeten vaststellen dat de gezondheid van de getuige daadwerkelijk een belemmering oplevert om ter zitting te getuigen en dat geen vooruitzicht bestaat op wijziging van de gezondheidssituatie.4 Hij zal zich daarbij kunnen baseren op een door een arts afgegeven medische verklaring.5 Wanneer alleen de getuige zelf heeft verklaard te ziek te zijn om te kunnen ondervraagd, mag de rechter niet aannemen dat dit daadwerkelijk het geval is.6 Verder moet de rechter uit eigen beweging overwegen of alternatieve vormen van verhoor mogelijk zijn.7 In de zaak Zhoglo was het verzoek om een getuige te ondervragen afgewezen vanwege de slechte gezondheidstoestand van de getuige. Deze had vijftien steekwonden in zijn borst en nek, die de verdachte zou hebben toegebracht. Het ehrm overwoog dat ‘the domestic courts did not make any effort to find a solution for testing the reliability of the victim, for example by doing it in a less invasive manner than direct questioning in the courtroom.’8 In de zaak Pacula was een 70-jarige vrouw zwaar mishandeld. Zij had daardoor haar gezichtsvermogen vrijwel verloren, terwijl zij daardoor erg moeilijk liep. Een politieambtenaar, die een onderzoek had ingesteld, informeerde de rechtbank dat het onmogelijk was voor de vrouw om naar de rechtbank te komen. Daarop besloot de rechtbank de zaak buiten aanwezigheid van de vrouw voort te zetten. Het ehrm meende dat de autoriteiten hier nalatig waren geweest. Het Letse Wetboek van Strafvordering bevatte een bepaling die toestond een getuigenverhoor in geval van ziekte te laten plaatsvinden op de plaats waar de getuige zich bevond, in aanwezigheid van de rechters, de officier van justitie en de verdediging. De nationale gerechten in eerste aanleg en in hoger beroep hadden deze mogelijkheid niet overwogen en waren daarom nalatig geweest.9 In de zaken waarin het ehrm in de gezondheidstoestand van de getuige geen goede reden zag voor het uitblijven van een ondervragingsgelegenheid, waren de getuigen van beslissende betekenis. Dat is mogelijk van belang geweest bij de beoordeling door het ehrm.
Welzijn getuige laat ondervraging niet toe
Het recht van de verdachte om getuigen te ondervragen kan soms botsen met het recht op privacy van de getuige. In dat geval schrijft het arrest Doorson voor dat een belangenafweging moet worden gemaakt:
‘It is true that Article 6 does not explicitly require the interests of witnesses in general, and those of victims called upon to testify in particular, to be taken into consideration. However, their life, liberty or security of person may be at stake, as may interests coming generally within the ambit of Article 8 of the Convention. Such interests of witnesses and victims are in principle protected by other, substantive provisions of the Convention, which imply that Contracting States should organise their criminal proceedings in such a way that those interests are not unjustifiably imperilled. Against this background, principles of fair trial also require that in appropriate cases the interests of the defence are balanced against those of witnesses or victims called upon to testify.’10
In de zaak Doorson waren de getuigen anoniem gebleven. Ook niet-anonieme slachtoffers van zedendelicten vallen onder de reikwijdte van deze rechtsoverweging.11 Voor hen kan het erg ingrijpend zijn om opnieuw met de verdachte of met de gebeurtenissen te worden geconfronteerd, in het bijzonder wanneer zij minderjarig zijn.12 Op deze grond mag de rechter een getuigenverzoek afwijzen. In de zaak S.N. formuleerde het ehrm hierover een overweging die in latere arresten vaak is herhaald:
‘The Court has had regard to the special features of criminal proceedings concerning sexual offences. Such proceedings are often conceived of as an ordeal by the victim, in particular when the latter is unwillingly confronted with the defendant. These features are even more prominent in a case involving a minor. In the assessment of the question whether or not in such proceedings an accused received a fair trial, account must be taken of the right to respect for the private life of the perceived victim. Therefore, the Court accepts that in criminal proceedings concerning sexual abuse certain measures may be taken for the purpose of protecting the victim, provided that such measures can be reconciled with an adequate and effective exercise of the rights of the defence’.13
Hoewel de hiervoor geciteerde overwegingen uit het arrest S.N. kunnen worden beschouwd als een uitwerking van de overwegingen uit het arrest Doorson, valt op dat de belangenafweging uit het arrest Doorson er niet in wordt genoemd. In het bijzondere geval dat een slachtoffer van een zedendelict als getuige optreedt, lijkt het recht op privacy van het slachtoffer in absolute zin aan een ondervraging in de weg temogen staan, dat wil zeggen: zonder dat het belang van het slachtoffer hoeft te worden afgewogen tegen het belang van de verdachte. Het belang van de verdachte is in dit type zaken doorgaans juist zeer groot, aangezien naast de verklaringen van het slachtoffer vaak weinig ander bewijsmateriaal beschikbaar is14 en het bovendien vaak jonge kinderen zijn die als getuige optreden, hetgeen een rechtspsychologische reden oplevert om aan de betrouwbaarheid van hun getuigenissen te twijfelen.15 Daar kan nog aan worden toegevoegd dat een veroordeling, in het bijzonder wegens een zedendelict, zeer belastend is voor een veroordeelde en dat hem dikwijls een gevangenisstraf van aanzienlijke duur te wachten staat. Wanneer wél een belangenafweging zou moeten worden gemaakt, zouden getuigenverzoeken vaker moeten worden gehonoreerd, mogelijk ook in situaties waarin het welzijn van de getuige daadwerkelijk gevaar zou lopen door een ondervraging, maar het belang van de verdachte groter wordt geacht. Die consequentie heeft het ehrm kennelijk niet willen aanvaarden.
Wanneer de rechter inderdaad aanneemt dat een confrontatie van de getuige met de verdachte of met de eerder beleefde gebeurtenissen te ingrijpend zou zijn, mag dat oordeel niet speculatief van aard zijn. Zo zal niet mogen worden volstaan met de vaststelling dat het in het algemeen voor minderjarige kinderen zo ingrijpend is om opnieuw met het zedendelict te worden geconfronteerd dat het getuigenverzoek moet worden afgewezen. Er moeten duidelijke aanwijzingen bestaan dat een nieuw getuigenverhoor voor deze specifieke getuige daadwerkelijk negatieve effecten zal hebben.16 Hierbij zal dikwijls het oordeel van een gedragsdeskundige van belang zijn. Vaak zal de behandelende psycholoog de beste informatie kunnen geven.17 Tegelijk mag de rechter niet zonder meer de conclusies van de gedragsdeskundige overnemen, maar zal hij zelfstandig moeten beslissen of een ondervragingsgelegenheid moet worden geboden.18 Het deskundigenrapport mag weliswaar als informatiebron worden gebruikt om een juiste beslissing te kunnen nemen, maar de beslissing mag niet als het ware aan de deskundige worden overgelaten. Op dezelfde manier zal ook het enkele gegeven dat de ouders niet met de ondervraging van hun kind instemmen niet leidend mogen zijn voor de rechter.19
Het ligt voor de hand om te denken dat het deskundigenoordeel over het welzijn van de getuige van recente datum moet zijn. Is dat niet het geval, dan is het oordeel dat het welzijn van de getuige nog steeds zou worden geschaad door een ondervraging immers speculatief. In het arrest Matytsina accepteerde het ehrm echter dat het rechterlijke oordeel op dit punt werd gebaseerd op medische rapporten uit januari 2006 en maart 2007, terwijl het strafproces in juni 2009 opnieuw werd aangevangen wegens wijziging van de samenstelling van het gerecht.20 In zijn dissenting opinion bij dit arrest wees rechter Pinto de Albuquerque hierop. Hij meende dat de nationale rechter op ontoereikende gronden had aangenomen dat het slachtoffer een terugval zou kunnen krijgen wanneer zij zou worden ondervraagd. Hij wees erop dat het slachtoffer had aangegeven zich ondertussen te hebben verzoend met de verdachten en dat zij haar klacht had ingetrokken. Dat leverde volgens hem extra reden op om aan te nemen dat een verhoor haar geen schade zou berokkenen.
Bij de vaststelling of een getuigenverzoek magworden afgewezen lijkt de leeftijd van het slachtoffer tijdens de juridische procedure van belang te zijn.21 In de zaak F&M stelde het ehrm vast dat uit het procesdossier niet kon worden opgemaakt wat de reden was voor het uitblijven van een ondervragingsgelegenheid. Daarbij merkt het op dat het slachtoffer tijdens het voorbereidend onderzoek 11 jaar oud was en tijdens de behandeling in eerste aanleg 14 jaar.22 Wellicht mag deze overweging zo worden gelezen dat het ehrm meende dat het bij een slachtoffer van deze leeftijd minder voor de hand ligt om een getuigenverzoek af te wijzen.23
Ook ten aanzien van het afwijzen van een getuigenverzoek op grond van het welzijn van de getuige geldt dat de rechter uit eigen beweging verhooralternatieven moet overwegen. Dat blijkt duidelijk uit het arrest W.S. De getuige in deze zedenzaak was vier jaar oud. Het werd door de nationale rechter op basis van een deskundigenrapport schadelijk geacht voor haar ontwikkeling om ondervraagd te worden door de verdediging. Het verzoek daartoe was daarom afgewezen. Het ehrm overwoog:
‘the Court observes that it has not been shown or argued that the authorities envisaged or made attempts, either at the investigation stage, or later, before the court, to test the reliability of the victim in a less invasive manner than direct questioning. This could have been done, for example, by more sophisticated methods, such as having the child interviewed in the presence of a psychologist and, possibly, also her mother, with questions put in writing by the defence, or in a studio enabling the applicant or his lawyer to be present indirectly at such an interview, via a video-link or one-way mirror (...).’24
Angst om te getuigen
Getuigen hebben soms angst om te worden ondervraagd, omdat zij bang zijn dat de verdachte of personen uit zijn omgeving hen iets zullen aandoen wanneer zij vragen beantwoorden. Dat kan in sommige gevallen een geldige reden opleveren om een getuigenverzoek af te wijzen.
In het arrest Al-Khawaja & Tahery zette het ehrm uiteen dat twee verschillende situaties kunnen worden onderscheiden. In de eerste plaats kan de getuige bedreigd zijn door de verdachte of door personen die in zijn opdracht hebben gehandeld.25 In dat geval heeft de verdachte het aan zichzelf te wijten dat de getuige weigert vragen te beantwoorden. Hij heeft dan afstand gedaan van het ondervragingsrecht. Daarbij maakt het geen verschil of de getuigenverklaring van beslissende betekenis was of niet. Er moet wel kunnen worden aangetoond dat de verdachte of zijn handlangers de getuige hebben bedreigd. Het ehrm is zich ervan bewust dat dit lastig kan zijn.26 In de zaak Sellick & Sellick kon dat bijvoorbeeld niet met zekerheid worden vastgesteld.27 In de tweede plaats kan een getuige meer in het algemeen angst hebben om te getuigen, zonder dat die angst het gevolg is van directe bedreigingen door de verdachte of personen uit zijn omgeving. Zo kan de verdachte een gewelddadige of wraakzuchtige reputatie hebben. Bij het afwijzen van een getuigenverzoek mag niet alleen angst om het leven te verliezen een rol spelen, maar ook bijvoorbeeld angst om te worden mishandeld of angst voor financiële schade. De enkele subjectieve angst is niet voldoende als grond voor het afwijzen van een getuigenverzoek. De rechter zal moeten onderzoeken of een objectieve grond bestond om die angst aan te nemen en die grond moet ook kunnen worden aangetoond met bewijsmateriaal.28 Aan deze laatste eis lijkt niet te zijn voldaan in de zaak Horncastle. In deze zaak was de angst van een vrouw om te getuigen volledig gebaseerd op haar eigen verklaringen. Het ehrm accepteerde desondanks de angst van de vrouw als rechtvaardiging voor de onmogelijkheid haar te ondervragen.29
Wanneer aan deze voorwaarden is voldaan, zal de rechter een getuigenverzoek niet zonder meer geheel mogen afwijzen op grond van angst, maar zal hij moeten onderzoeken of een ondervraging op een minder ingrijpende manier dan een onbeperkt verhoor ter zitting mogelijk zou zijn. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de afscherming van de identiteit van de getuige.30