Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade
Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/2.7.3:2.7.3 Receptie van Kösters pleidooi
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/2.7.3
2.7.3 Receptie van Kösters pleidooi
Documentgegevens:
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS586231:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
98. Het pleidooi van Köster leidde tot uiteenlopende geluiden in de literatuur. Enerzijds werd de kritiek geuit dat Kösters programma geen inzicht bood in de toerekeningsproblematiek en dat voor rechterlijke willekeur gevreesd moest worden wanneer de wet geen beoordelingscriterium zou geven. Schut vroeg zich af waar die “algemene redelijkheidsregel” dan vandaan moest komen en hoe men weet of twee gevallen van “dezelfde aard” zijn.1 Rutten wees aanvankelijk Kösters criterium af omdat het te vaag zou zijn.2 Later schreef hij dat de kritiek dat de rechter soms formeel de adequatieleer toepast maar in werkelijkheid andere factoren in zijn oordeel betrekt “vermoedelijk” juist is.3
Anderzijds waren er schrijvers met Köster van mening dat de toestand waarin met schijnmotiveringen recht werd gedaan opgeheven diende te worden. Dorhout Mees meende dat “[d]e vonnissen (…) aan eerlijkheid, duidelijkheid en overtuigingskracht [zullen] winnen”.4 Bloembergen viel Köster bij in zijn in 1965 gepubliceerde dissertatie. Bloembergen gaf daarin een krachtige bestrijding van de leer van de adequate veroorzaking en een nadere uitwerking van factoren die bij de toerekening van schade wel of juist niet van belang zijn. Anders dan Köster, maakte Bloembergen wél duidelijk onderscheid tussen relativiteitsregels en schadetoerekening. Bloembergen meende dat de strekking van een geschonden norm of van een toepasselijke kwalitatieve aansprakelijkheid in het algemeen geen rol speelt bij de bepaling van de omvang van de aansprakelijkheid en aan die strekking alleen betekenis toekomt indien de norm of de kwalitatieve aansprakelijkheid niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals geleden.5