Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.5.2.2.3:2.5.2.2.3 Bedreiging in artikel 4:3 lid 1 sub d BW
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.5.2.2.3
2.5.2.2.3 Bedreiging in artikel 4:3 lid 1 sub d BW
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859112:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Lindenberg 2007, p. 221.
Vgl. ook Bolweg die voor wat betreft art. 3:44 lid 2 BW de nuancering bepleit dat aan extreem vreesachtige contractanten toch een beroep op bedreiging toekomt indien deze bijzondere vreesachtigheid aan de wederpartij bekend was of bekend had moeten zijn, kenbaar uit: Jac. Hijma, in: GS Vermogensrecht, art. 3:44 BW, aant. 2.4.7 (online, bijgewerkt tot en met 20 september 2022).
Dwingen en beletten komen in par. 2.5.5 resp. 2.5.6 aan de orde.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het vertrekpunt in artikel 284 Sr en artikel 3:44 BW is verschillend. Voor strafrechtelijke bedreiging wordt een subjectieve toets aangelegd, terwijl de civielrechtelijke bepaling uitgaat van een objectieve toets met subjectiverende elementen. Een ander kenmerkend verschil is dat bij de uitleg van bedreiging in artikel 3:44 lid 2, eerste zin BW een gevolg zit inbegrepen. Er is pas sprake van bedreiging in civiele zin als de bedreigde tot een bepaalde rechtshandeling is bewogen. Bij strafrechtelijke bedreiging gaat het niet om de werking van de vrees. Dat komt bij het afzonderlijke bestanddeel dwingen aan de orde.1
Op beide punten verdient het naar mijn mening de voorkeur om de strafrechtelijke uitleg te volgen. Een subjectieve uitleg strookt met de ratio van artikel 4:3 BW. De bepaling dient eveneens bescherming te bieden aan bovenmatig vreesachtige personen.2 Ook een bovenmatig vreesachtige erflater moet vrijelijk en naar eigen inzicht over zijn vermogen kunnen beschikken. De sluizen van deze onwaardigheidsbepaling worden hierdoor niet wijd opengezet. In paragraaf 2.5.5 komt aan de orde dat er sprake moet zijn opzet op het dwingen of beletten een uiterste wilsbeschikking te maken. Dit opzetvereiste werpt daarmee een dam op. Verder geldt dat in artikel 4:3 lid 1 sub d BW de werking van de vrees, bestaande uit het dwingen of beletten een uiterste wil te maken, eveneens los van het bestanddeel bedreiging is geformuleerd. Dat betekent dat voor de uitleg van het begrip bedreiging in deze onwaardigheidsbepaling de werking van de vrees buiten beeld blijft. Hetzelfde geldt voor het causale verband dat artikel 3:44 lid 2 BW vereist alsmede het opzet op het verrichten van de rechtshandeling.
Naast deze verschillen, hebben beide bedreigingsbepalingen ook meerdere raakvlakken. Zo moet er in beide gevallen opzet zijn op het teweegbrengen van de desbetreffende vrees bij het slachtoffer en is de vorm van de bedreiging irrelevant. De bedreiging met enig nadeel in persoon of goed kan bestaan uit woorden, daden of een combinatie daarvan waarbij geldt dat gebruik gemaakt kan worden van ongeoorloofde en geoorloofde middelen. De toevoeging dat de bedreiging onrechtmatig moet zijn, zoals artikel 3:44 BW verwoordt, kan bij artikel 4:3 lid 1 sub d BW gemist worden. Rechtmatige ‘bedreiging’ bij het dwingen of beletten een uiterste wilsbeschikking te maken, is niet denkbaar. Zodra een persoon door middel van bedreiging wordt gedwongen of belet hiertoe over te gaan, is per definitie sprake van een onrechtmatige bedreiging. Voorts geldt dat in beide gevallen de bedreiging niet rechtstreeks gericht hoeft te zijn tot het slachtoffer.
Toepassing van het bedreigingscriterium van Lindenberg bij artikel 284 Sr gecombineerd met onderdelen uit artikel 3:44 lid 2 BW op artikel 4:3 lid 1 sub d BW leidt tot de volgende formulering:
van bedreiging met een feitelijkheid is sprake wanneer de bedreiger opzettelijk bij de erflater een zodanige vrees heeft opgeroepen door deze of een derde met enig nadeel in persoon of goed te bedreigen dat de vrees van de erflater voor het plaatsvinden van de feitelijkheid gerechtvaardigd was.
De erflater moet hierdoor zijn gedwongen of belet een uiterste wilsbeschikking te maken.3